China's provincies: hemel is hoog, de keizer ver weg

WUHAN, 30 APRIL. In de provincie is de hemel hoog en de keizer ver weg, volgens een Chinees gezegde. Wuhan, de 6,9 miljoen inwoners tellende hoofdstad van de centraal-Chinese provincie Hubei, is 1.200 kilometer van Peking verwijderd en er heerst een geheel andere atmosfeer. Voor politiek en ideologie is in de lokale krantjes van vier pagina's geen plaats, ze staan vol over stormen en over de Yangtze en haar zijrivieren, die in dit deel van China veelvuldig buiten hun oevers treden.

Ze schrijven over de nieuwe, tweede brug over de twee kilometer brede Yangtze, over het nieuwe internationale vliegveld dat de primitieve vliegstrip zal vervangen. En de blaadjes schrijven vooral over de grote dam in de Yangtze, die nu waarschijnlijk definitief gebouwd zal worden en volgens de optimisten voor eens en voor altijd een einde aan het overstromingsgevaar zal maken.

Daarover gaan ook de twee bijeenkomsten die de provinciale gouverneur Guo Shuyan en burgemeester Zhao Baojiang beleggen voor de groep buitenlandse correspondenten. Niet een cliche over socialistische principes komt ter sprake, noch de strijd tegen de 'bourgeois-liberalen'. De heren zien er in hun maatkostuum onberispelijk, modern en zakelijk uit. Zoals bijna alle jongere provincie- en stadsbestuurders zijn zij ingenieurs, de een met een Sovjet- de andere met een Chinese opleiding. China heeft een overvloed aan goede ingenieurs in de middelbare leeftijdsgroep, maar nauwelijks economen en juristen, laat staan sociale wetenschappers. Er is een overvloed aan hardware, de software ontbreekt.

In een koffiehuis, gelegen in de oude concessie-wijk vol vervallen gebouwen in Franse en Britse stijl, spreekt een man van rond de veertig, ook een ingenieur, openhartig over zijn leven in eenzaamheid.

Zijn vrouw had met haar broer een handel opgezet, de man wilde geen zakenpartner worden en zo liep het huwelijk vast. Scheidingen met de vrouw als eiseres zijn schering en inslag in China. Financieel staat er weinig op het spel, alimentatie hoeft vrijwel nooit te worden betaald en het enige kind kan altijd bij de grootouders terecht. Wuhan vindt hij “niet goed en niet slecht”.

Van de stedelijke volksregering heeft hij geen hoge pet op: “Ze presteren niets bijzonders maar laten na zoveel jaren van hoge druk de mensen gelukkig wel met rust. Het volk wil maar een ding: meer geld, meer goederen en dat gaat te langzaam.” Hoofdprobleem is “de fundamentele ziekte van de maatschappelijke verhoudingen”, zegt hij.

De man gelooft niet dat het communistische regime zal verdwijnen of, zoals twee jaar geleden, opnieuw zal worden uitgedaagd. “Iedereen is als de dood voor chaos. Kijk naar de Sovjet-Unie. Stel je dat voor op de schaal van China met vier keer zoveel mensen”. Er zit niets beters op dan onder de vlag van het socialisme een soort grof semi-kapitalisme te praktizeren onder leiding van de communistische partij, aldus de ingenieur. De mensen zullen daar volgens hem heel langzaam, stapje voor stapje beter van worden, net genoeg om niet weer in opstand te komen.

De gebeurtenissen aan de universiteiten van Groot-Wuhan (35 in totaal) hadden in 1989 een ander verloop dan in Peking. Enige dagen bestond er net als in de hoofdstad een explosieve situatie - studenten bezetten de Yangtze-brug, de belangrijkste noord-zuid verbinding van Peking naar Kanton drie dagen lang - maar er werd niet militair ingegrepen en de gemoederen bedaarden.

Vice-rector Wang Renhui van de belangrijkste universiteit, Wu Da, zegt dat er geen zuivering in het universiteitsbestuur plaatshad zoals op Bei Da in Peking en dat er evenmin een programma voor militair-ideologische training van eerstejaars studenten kwam, zoals in Peking. Vier studenten, die bij het gesprek aanwezig zijn, melden dat zij de hernieuwde politieke indoctrinatie vervelend vonden, maar dat er nu 'levendige methodes' gebruikt worden en het wel meevalt.

Drie van hen blijken partijlid te zijn. De vierde, een kandidaat-lid, zegt dat hij na deelname aan de beweging disciplinair was gestraft. Om van de repercussies af te raken was hij gaan ijveren om ook partijlid te worden. Glunderend zegt hij dat zijn inspanningen binnenkort met succes zullen worden beloond. In het Chinees heet dat 'buigen als bamboe in de wind'. Als de wind fel is buig je het hoofd en als de wind luwt ga je weer rechtop lopen. In de Chinese sociale mores is dat niet noodzakelijk opportunistisch of karakterloos, maar handig en vaak respectabel.

Een andere reden waarom er minder malaise op de universiteiten in Wuhan is, is dat er geen permanente huisvestingscrisis is. Studenten van Wu Da wonen op een prachtige campus aan een groot meer met twee of hooguit vier op een kamer, tegen acht in Taiwanese toeristen In steden als Wuhan heerst ook niet het gevoel dat 4 juni 1989 economisch een ramp is geweest. In Peking stopte de stroom regerings- en handelsdelegaties, het toerisme stortte in elkaar en de vele tientallen nieuwe hotels kwamen met een runeuze leegstand te zitten, waar ze nu nog niet overheen zijn. In Wuhan zijn niet zoveel hotels en die er zijn zitten boordevol Taiwanese toeristen.

Wuhan is het eind- (of begin) station van cruises over het mooiste deel van de Yangtze, de drie ravijn-engten, het hoogtepunt van China's natuurschoon. Taiwanese reizigers, familie-reunisten, zakenlieden en toeristen zijn een dominerend verschijnsel in heel China geworden.

Sinds de opheffing van het reisverbod eind 1988 zijn er meer dan 3 miljoen geweest. Wuhan, met een primitief vliegveldje uit de jaren vijftig heeft vier rechtstreekse charter-vluchten naar Hongkong per week, die voor meer dan 90 procent vol zitten met Taiwanese reizigers.

Twee categorieen geven de toon aan: bejaarde Kwomintang-soldaten, nu tussen de 60 en 70 die hun geboortedorpen gaan bezoeken en 'echte'

toeristen, grotendeels autochtone eilanders die alleen abstracte banden met China hebben. Groepen Taiwanezen huppelen, net als Japanners met hoedjes op, achter hun vlagzwaaiende gidsen aan.

Sommigen dragen beelden van de zuid-Chinese streekgodin Matsu mee, als beschermheilige. Een vissersvrouw heeft een draagriemstel gegespt om het beeld van de godin, dat even groot is als haar eigen bovenlichaam.

Twee oude soldaten zeggen dat ze sinds 1988 al drie keer in Wuhan zijn geweest. “Maar ik begrijp er nog steeds niet veel van”, zegt een van hen, “mijn eigen jongste broer hier zegt niets; net alsof hij bang is voor die communisten.”

Een Taiwanese boeren-gezin van vier, zonder familie in China, keert opgetogen terug van een boottocht op de Yangtze. “Prachtig”, roepen ze in koor. De vader: “Het is wel verflodderd, maar toch is het ons eigen grote land. We zijn allemaal Chinezen.”