Bijscholing voor groep diplomaten uit Oost-Europa

ROTTERDAM, 30 APRIL. Werden Oosteuropese diplomaten vroeger ideologisch bijgespijkerd in Moskou, nu laat een groep diplomaten uit Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije en Bulgarije zich bijscholen aan het Haagse instituut voor internationale betrekkingen Clingendael. Op uitnodiging van de Nederlandse regering volgen 25 diplomaten daar sinds begin februari een leergang van drie maanden, die hen moet toerusten voor nauwere samenwerking van hun landen met West-Europa.

Sommige van de diplomaten zijn jong en door de nieuwe machthebbers recentelijk bij de buitenlandse dienst gehaald. Anderen hebben jarenlang de communistische regimes vertegenwoordigd. Maar allen zeggen te willen werken aan de snelle aansluiting van hun landen bij het Westen.

In de schoolbanken zitten ze nu broederlijk naast elkaar. De gezette Bulgaar Deyan Mihov draagt een dasspeld met het logo van de NAVO, een souvenir van de verdragsorganisatie waar de cursisten op 10 april op bezoek zijn geweest. Mihov werkt al acht jaar bij de Bulgaarse buitenlandse dienst. Hij vindt het jammer dat nog niet iedereen in het Westen in de gaten heeft dat ook Bulgarije definitief de weg naar democratie en de vrije markt is ingeslagen. Niettemin is hij blij aan de cursus te kunnen meedoen, want “onze toekomst ligt in Europa”.

Is het niet lastig en moeilijk uit te leggen dat hij nu die nieuwe koers bepleit, terwijl hij jarenlang heeft gewerkt vanuit de gedachte dat de toekomst in Moskou lag? “Diplomaten laten zich niet in met politieke discussies”, antwoordt Mihov met grote stelligheid. “Als je het nationale belang maar steeds nastreeft, is er geen probleem.”

Ook zijn collega's gaan politiek gevoelige vragen liever uit de weg, maar zij onderstrepen dat er binnen de groep geen spanningen bestaan.

Deskundigen uit de Clingendael-stal vulden de eerste drie weken van de cursus met een reeks lezingen: over de Europese Gemeenschap, de NAVO, de veiligheidsproblematiek in heel Europa en de internationale economische samenwerking tussen de landen in het Westen.

Daarna verzorgde de Rotterdamse Erasmus universiteit een programma van drie weken onder de titel 'Van onderneming tot multinational: een praktische inleiding in markteconomieen'. Door middel van colleges en bedrijfsbezoeken (onder meer aan Unilever) werden de Oosteuropeanen ingewijd in de wereld van kwaliteitsmanagement, 'venture capital', fusies en overnemingen.

De Rijksuniversiteit Leiden en het European Institute of Public Administration in Maastricht verzorgden vervolgens elk een week over verschillende aspecten van de Europese integratie. Daarna stond een reeks excursies op het programma: naar de Europese Commissie en het hoofdkwartier van de NAVO in Brussel, naar het secretariaat van het Europarlement in Luxemburg, naar de VN in Geneve, naar de OESO in Parijs, naar het Nederlandse parlement in Den Haag en ten slotte naar de Kamer van Koophandel van Rotterdam.

Heel nuttig en leerzaam noemen alle cursisten het programma. Maar het is hun wel opgevallen dat in het Westen wat vreemde ideeen bestaan over hun landen. “Soms ging men ons uitleggen wat de OESO is, alsof we daar als Oosteuropees diplomaat nooit van gehoord zouden hebben”, zegt een van hen. “Sommige Nederlanders denken dat wij al die jaren helemaal opgesloten hebben gezeten en nu pas ontdekken hoe het Westen eruit ziet. Maar ik denk dat wij meer wisten - en ook nu nog weten - over West-Europa, dan West-Europa over onze landen.” Zeven jaar heeft Alexandr Herma voor het ministerie van buitenlandse zaken van Tsjechoslowakije gewerkt, waarvan een paar jaar op de ambassade in India. Hij hoopt zijn land nog lang te kunnen vertegenwoordigen, maar beseft dat zijn positie erg onzeker is nu er een begin is gemaakt met de zuivering van collaborateurs van het vorige regime. “Op ons departement zullen 600 van de 1.500 diplomaten zeker verdwijnen. Maar misschien moet iedereen wel weg, ik heb geen idee wat ik aantref als ik terugkom.”

Zijn jonge Hongaarse collega Janos Kovacs heeft minder te vrezen. “Iedereen heeft het bij ons over aansluiting bij Europa. Wij werken daar aan.” Getroffen is hij tijdens de cursus vooral door het enthousiasme in Nederland voor de Europese eenwording in EG-verband.

Het einde van de cursus is in zicht, en de diplomaten kunnen enige vermoeidheid niet helemaal meer onderdrukken. Tijdens de juichende promotiefilm die de Rotterdamse Kamer van Koophandel vertoont ontstaat enig gegniffel, als de commentaarstem beelden van een Rotterdamse sraatveger die zijn werk doet toelicht met de opmerking: “De mensen in Rotterdam doen hun werk met plezier.” “Dat herkende ik”, zegt Kovacs later. “,Dat deed me denken aan het socialistisch-realisme.”

En wat dat betreft hoeft niemand hem iets te leren.