Argumenten voor verdwijning van het Hof uit binnenstad; Hoe eerder verhuisd, hoe beter

In NRC Handelsblad van 22 april houdt mr. P.M. Witteman, vice-president van het Amsterdamse gerechtshof, een vurig pleidooi tegen verhuizing van dit hof naar Amsterdam-Zuid. Zijn bezwaren zijn van formele en inhoudelijke aard. Zijn formele bezwaar, dat het hof niet in die verhuizing is gekend en een besluit daartoe “in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur” zou zijn genomen, laat ik rusten. Voor een beoordeling daarvan zou je het departement van justitie moeten horen en als krantelezer ben je niet het bij de wet daartoe aangewezen orgaan.

Anders staat dat met Wittemans inhoudelijke bezwaren. Die raken het algemeen belang van ons allen, die wel eens op de een of andere wijze bij de rechtspraak van het Amsterdamse hof zijn betrokken. Tot voor kort zat dat hof met de Amsterdamse rechtbank in een gebouw aan de Prinsengracht en lag het kantongerecht daar vlakbij aan de Weteringschans. Het kantongerecht verhuisde naar de Parnassusweg, de rechtbank verhuisde naar de Parnassusweg. Mr. Witteman wil nu dat het hof geheel gesoleerd aan de Prinsengracht blijft zitten. Wat zijn zijn argumenten?

“Appellanten moeten niet het gevoel krijgen in wezen bij dezelfde rechter terecht te komen”. Integendeel: door deze eigen identiteit geeft het Hof blijk van een geheel ander (hoger) rechtscollege, aldus Witteman. Toen echter de rechtbank ook aan de Prinsengracht met het hof onder een dak zat, werd dit argument niet gehanteerd. Jarenlang hebben hof en rechtbank in een gebouw gezeten zonder problemen voor rechtzoekenden en dat, terwijl deze de strafkamer van het hof via de trappen van de rechtbank moesten bereiken. Elders in Nederland zaten hoven en lokale rechtbanken in het verleden nog niet altijd onder een dak, nu is dat wel het geval: Den Haag, Den Bosch, Arnhem en Leeuwarden. Organisatorisch gemakkelijk en geen rechtzoekende die zich vergist. En mocht zich dat al eens voordoen, dan kan hij in hetzelfde gebouw of gebouwencomplex naar het 'goede' college worden verwezen. Nu de situatie, die destijds in Amsterdam bestond elders werd nagevolgd, wil Witteman met zijn hof ineens apart gaan zitten. Daarbij vestigt hij er de aandacht op, dat wij wel moeten bedenken, dat onder het Amsterdamse hof “vier rechtbanken ressorteren, niet alleen die van Amsterdam zelf, maar ook die van Alkmaar, Haarlem en Utrecht, waarmee niet wordt samengewoond”.

Dit kan nauwelijks serieus bedoeld zijn. Natuurlijk zit zo'n hof in Leeuwarden ook alleen maar met de lokale rechtbank onder een dak en niet met die van Groningen en Assen, die evenzeer onder het Leeuwardense hof ressorteren. En die situatie bestaat bij alle andere hoven in Nederland. Onder een dak met de lokale rechtbank. Is het dan zinvol voor Amsterdam een uitzondering te bepleiten?

Maar onze vice-president heeft nog andere pijlen op zijn boog. Alleen rechtspraak in de binnenstad met publiek op de tribune voldoet volgens Witteman aan het criterium 'zichtbaarheid' van die rechtspleging. In de eerste plaats is die zichtbaarheid waarbij de buitenstaander lijfelijk tegenwoordig is sedert het bestaan van televisie een verouderd standpunt. En bij welke terechtzittingen willen buitenstaanders dan graag lijfelijk aanwezig zijn? De echtscheiding van hun buurman, maar die wordt achter gesloten deuren behandeld. De spectaculaire strafzaak kun je net zo goed aan de Parnassusweg bijwonen.

Witteman is niet alleen een scherpzinnig jurist, hij is ook een oprecht man. Daarom ben ik ervan overtuigd, dat bij zijn principieel geformuleerde stellingname tegen verhuizing van het hof zijn eigen particuliere belang - hij woont schuin tegenover de tegenwoordige locatie - geen rol speelt. Des te meer valt het daarom echter op dat in zijn betoog aan het begrip 'bereikbaarheid' geen aandacht wordt besteed. Het hof Leeuwarden kent een ondergrondse parkeergarage voor de deur, naast het hof Arnhem ligt een groot parkeerterrein. Aan de Prinsengracht liggen slechts een paar niet bezette parkeerplaatsen, die evenwel uitsluitend voor leden van de rechterlijke macht gereserveerd blijken. Advocaten en andere bezoekers van buiten de stad moeten maar zien dat ze hun auto kwijt kunnen en dat, terwijl de Parnassusweg vlakbij de grote invalswegen van de hoofdstad is gesitueerd. Ons gerechtshof is niet zo maar een appelcollege, het is een interlokaal appelcollege. Een, dat niet alleen appellen behandelt tegen vonnissen van de rechtbank te Amsterdam, maar ook van rechtbanken uit Alkmaar, Haarlem en Utrecht. Witteman vestigt daar zelf de aandacht op.

En het openbaar vervoer dan? De dichtst bij de Prinsengracht gelegen treinhalte is het Centraal Station. Geen bus die van het CS naar de Prinsengracht rijdt. Dat zou ook onuitvoerbaar zijn, want met het fietsvriendelijker maken van de Prinsengracht is deze auto-afwerender geworden.

Maar de tram dan? De Leidsestraat kan slechts eensporig zijn. Voor elkaar tegemoetrijdende geledingen bestaat alleen op de bruggen passeergelegenheid. Daar moeten ze op elkaar wachten en zolang het verkeer van over de grachten blokkeren. Maar je kunt toch alvast op het Koningsplein uitstappen en een stukje lopen? Inderdaad. Arme invaliden en ouden van dagen, die op de Prinsengracht nog voor mr.

Witteman en de zijnen moeten verschijnen! Verhuizen op zichzelf is nooit leuk. Wie met zijn werkplek vertrouwd is, verlaat die niet graag. Notarissen en advocaten die hun statige grachtenpanden in de binnenstad moesten verlaten om zich in Zuid te vestigen, hebben dat niet zonder nostalgie gedaan. Maar de goede bereikbaarheid voor rechtzoekenden prevaleert en de nieuwe behuizing went snel. Voor rechtzoekenden is het gemakkelijk als concentratie van rechtspraak gehandhaafd blijft en straks hof, rechtbank en kantongerecht ook in Amsterdam van een gebouwencomplex deel uitmaken.

Een appelcollege als een gerechtshof waaraan interlokale competentie is toevertrouwd, dient ook in de eerste plaats interlokaal goed bereikbaar te zijn. Op de Prinsengracht is dat niet meer het geval.

Hoe eerder het hof daarom verhuist, hoe beter.