Volop soldaten voorbij Zakho

SUMMEL (IRAK), 29 APRIL. Het Noordiraakse stadje Zakho is door de inspanningen van vooral Amerikaanse militairen in korte tijd uitgegroeid tot de plaats die de goede Westerse bedoelingen met de Koerden symboliseert.

Iedereen mag komen kijken om vast te stellen dat een uiterste inspanning wordt verricht om het de vluchtelingen naar de zin te maken. Aan niets is gebrek. Duizend tenten staan er nu, goed voor zo'n 12.000 vluchtelingen. Feit is alleen dat de doelgroep vooralsnog nauwelijks positief reageert. De Koerden blijven in de kampen aan de Turkse zijde van de grens, voor hen is een terugkeer pas verantwoord als zij de garantie hebben dat Saddams troepen op veilige afstand verkeren.

De 31-jarige tolk Mardan, een Koerd uit Zakho, twijfelt geen seconde. De weg naar Dohuk, een Iraakse stad zestig kilometer ten zuiden van Zakho, is volgens hem een risicoloze route. Ook de Amerikaanse militairen bij de gemproviseerde 'grenspost' in Zakho zijn die mening toegedaan. “Ze zullen aardig zijn. Ga maar.” Vorige week nog spraken de VS met Irak af dat binnen een zone van ten minste 30 kilometer ten zuiden van Zakho geen Iraakse militaire activiteit meer zou plaatshebben.

De eerste vijftien kilometer voorbij Zakho is inderdaad geen militair te bekennen. De legerposten langs de kant van de weg bieden een vervallen aanblik. Roetvlekken in de berm van de weg verraden dat hier onlangs een oorlog woedde. Amerikaanse straaljagers vliegen over. Hier en daar ligt een uitgebrande vrachtwagen in een ravijn.

Mardan was in de eerste kilometers voorbij Zakho nerveuzer dan hij aanvankelijk wilde toegeven. Nu lacht en praat hij aldoor.

Hij wijst naar de bergen ten westen van de route. Mardan is trots op zijn contacten met de peshmerga's, de Koerdische verzetsstrijders, die vanuit deze bergen opereren. Volgens hem is het aan hun inspanningen te danken dat de Iraakse militairen hier zijn verdwenen. Weliswaar vindt hij “Bush good”, maar zonder de peshmerga's zou “mister president of America” de Koerden nooit te hulp zijn geschoten, zonder de peshmerga's zouden de Koerden eenvoudig niet meer bestaan, zegt Mardan met gevoel voor drama. Als hij later op de dag in Zakho uitbundig wordt begroet door een stadgenoot, fluistert hij kort erna dat dit nu zo'n heimelijk opererende strijder voor de Koerdische zaak is en straalt hij van oor tot oor.

Zo'n twintig kilometer voorbij Zakho vergeet Mardan enige seconden de auto te besturen en we raken gevaarlijk links van de weg. Mardan heeft militairen gezien, zegt hij. Iraakse militairen. Zij wassen zich bij een meer, misschien zwemmen zij. Vanaf nu mag ik geen aantekeningen meer maken. Wij hebben niet gesproken over de peshmerga's, waarschuwt hij, niet over Talabani (“groot spreker”) of Barzani (“groot strijder”).

Het is nog 36 kilometer naar Dohuk. Zullen wij keren? Wij krijgen geen kans het besluit te nemen. Ineens bevinden zich tientallen groepjes van vier, vijf Iraakse soldaten langs de weg. Zij komen uit struiken en bunkers, sommigen zijn bewapend. De eersten laten ons passeren. Snel daarna houdt een tweetal ons aan. Zij stappen zwijgend in.

Drie, vijf, acht minuten gaan voorbij zonder dat een woord wordt gesproken. De ogen van Mardan knipperen onophoudelijk.

Hij probeert het ijs te breken. Het woord Koerd valt. Hij moet zijn mond houden - zoveel wordt duidelijk. Hier is een gebrek aan goede bedoelingen. Een inzittende maant tot stoppen. Hij stapt zonder groet uit. Ik bied de overgebleven reisgenoot een pepermuntje aan. Hij oogt hoogst beleefd: hoewel de smaak hem zichtbaar niet bevalt, blijft hij mij vriendelijk toelachen.

Hij praat nu honderduit met Mardan. Terug in Zakho zal Mardan uitleggen dat de militair hem maande te vertellen wat er in mijn (openstaande) tas voorin de auto zat. Wat tijdens de rit wel duidelijk wordt is, dat de militair naar Summel moet, zo'n vijf kilometer voor Dohuk. Hij wenst daar te worden afgezet.

De ene na de andere militaire post moet nu worden genomen. Vanaf dertig kilometer voor Dohuk staan zij om de 500 meter, later loopt het gemiddelde op tot twee- en honderd meter.

Iedere keer moeten wij uit de auto. Steevast eerst Mardan. Meestal worden wij uit de auto getrokken, soms gesleurd. De leden van de Republikeinse Garde, die in aantal toenemen naarmate Dohuk nadert, zijn daarin het meest bedreven. Alle vragen zijn voor Mardan. Zo'n tien kilometer voor Dohuk wordt hij ongeveer een kwartier lang door een gardist met een mitrailleur in de aanslag ondervraagd. Zij willen weten of het juist was, zei Mardan later, dat de Amerikanen moordend en verkrachtend door Zakho gaan. Hij had het slechts aarzelend bevestigd, waarna hem was gevraagd de ene na de andere verwensing aan zichzelf te richten: collaborateur, hoerenzoon, Saddam-aanhanger.

Summel blijkt volledig afgesloten, de toegangsweg is gebarricadeerd. Onze passagier stapt uit. Hij spuugt restjes pepermunt uit. Voor de schijn rijden wij nog een paar kilometer verder. Dohuk is in zicht als wij keren. De stad oogt op enige duizenden meters afstand zwaar beschadigd noch dichtbevolkt. Koerden zitten er niet, dat weet Mardan nu wel zeker.

Ook op de terugweg nemen de militairen hun taak serieus. Pas twintig kilometer voor Zakho worden wij van de laatste militaire begeleiders verlost.