Vlaming gaat uit liefde voor de taal graag op de vuist

De bovenstaande tekst is een enigszins bekorte versie van een lezing die de Belgische journalist Johan Anthierens heeft gehouden op het symposium 'De eigen taal van radio en televisie', dat onlangs in het congreshotel Koningshof te Veldhoven is gehouden.

De symposia, studieweekends, congressen, scripties en taalretraites buitelen over elkaar heen, ogenschijnlijk zonder voeling met de vrolijk doorkwetterende en duchtig taalvloekende buitenwereld.

Zelf liet ik mij inschrijven om van het katheder op dit congres* de nieuwsuitzendingen van de (Nederlandstalige afdeling van de) BRT kritisch te bespreken, maar ik ben van dat voornemen teruggekomen omdat de Vlaamse 'staatsradio en televisie' in het Zuidnederlands mondgemeen evolueren tot toevluchthavens voor volwaardig taalgebruik. Wat zal ik de BRTN met de vinger wijzen of kastijden daar waar ze zich heeft ontwikkeld tot opvanghuis voor een elders met de lippen uitgestoten omgangstaal?

In plaats daarvan wil ik liever mijn liefde voor het Nederlands betuigen en sommige woordvoerende Noordnederlanders verzoeken hun taal minder koel te bejegenen. Ook wil ik uiteenzetten waarom Vlamingen voor het Nederlands nog altijd gemakkelijker op de vuist gaan dan haar - alles waar ik van hou feminiseer ik - op de handen te dragen.

Vooreerst een klaagzang op het Noordnederlandse vreemd gaan, op de neiging om zoveel Nederlands te vervangen door Engels.

Met pijn in het lezershart heb ik enkele jaren geleden de aanschaf van weekblad Haagse Post gestaakt, omdat de koppen boven de bijdragen meer Engels dan Nederlands bevatten en de columns doorspekt waren met engelstalig idioom.

Op 4 februari 1989 drukte de Volkskrant een paginagroot gesprek af met oud-minister van buitenlandse zaken Max van der Stoel. De ondervraagde betrapte zichzelf tijdens het interview op 'slips of the tongue', een overdadig infiltreren in zijn taal van Engelse wendingen en 'statements'. De interviewers, twee jonge, veelbelovende verslaggevers van de krant, zagen daar geen graten in, waarop de wijze eminentie sputterde dat als wij zo doorgaan het Nederlands over dertig, wellicht twintig jaar, geheel opgeslokt zal zijn. 'So what?', schokschouderde de vragende partij. En ging over tot de orde van de dialoog.

Vandaag, ruim twee jaar na datum, ben ik nog aan het bekomen van mijn verbijstering. Dat uitgerekend het groene hout, - journalisten die uit de hand van de taal eten, dankzij haar snelle pakken kopen, nog sneller auto rijden en van palmvakanties genieten - dat deze woordsmeden en zinsbouwers het instrument taal zonder verpinken in de prullenmand van one cultuurhistorie droppen, daar blijft mijn hart van schilferen.

De roep om taaldesertie was twee jaar geleden op zijn hoogst, iedereen daar wou verengelst worden, onder en zonder narcose.

Inmiddels lijkt dat Engels tij gekeerd, bemerkt men ook boven de brede rivieren weer een stroming om die sloor van een Nederlands op het hart te binden. Ga daar mee door, Holland, en gij zult ondervinden dat deze liefde altijd beantwoord wordt. Niets zo intiem als omgang met taal. Spreektaal ligt op de tong, een sensuele plek bij uitstek, schrijftaal heb je in je handen en in je hoofd, wij leven in een permanent fysiek en spiritueel contact met haar. Van taal hebben wij dagelijks de mond vol, en waar die van vol is loopt dat kloppend orgaan van over.

Taal is allemachtig, meer te duchten bijvoorbeeld dan de meest geavanceerde anti-raket-raket. De taal van een man, Adolf H., heeft de planeet zo wat uit zijn baan gebrald, de taal van William Shakespeare voerde ontelbaren naar de hoogste toppen van vervoering en brengt nog elke dag andere scheppers op creatieve ideeen. Ook het Nederlands leent zich voor alle helse en hemelse karweien. Persoonlijk ben ik te onhandig om een mes te trekken of met munitie los te branden, maar als ik dat wil kan ik een medemens met enkele voorbedachte zinnen tot op het bot beschadigen. En dat kost mij geen cent of fysieke moeite terwijl een tank veel parkeerruimte vraagt en onderweg naar de vernieling zonder brandstof kan vallen of in de modder blijven steken.

Taal is magie, je kunt er alle kanten mee uit. Je kunt een pasgeborene laten reutelen en een stervende doen kraaien. Er staat geen maat op; taal is je ware verbeelding aan de macht, misschien daarom dat zij zovelen angst inboezemt. Wat wij niet mogen is met het wonder dat ons cadeau werd gedaan de vloer aandweilen. En persoonlijk betrouw ik de Vlaamse omgang met het Nederlands niet ver. Ik zing graag mijn partij mee in het jubelkoor dat voor de BRT-poort staat opgesteld, maar veronderstel daar toch meer taalfaade dan solide onderbouw. Ik ben bang dat het voorhangsel een en ander aan winkelhaken camoufleert. Nederlands is in Vlaanderen nog een zondagse pak dat duur oogt, maar waar straks zit als een keurslijf. Door de week, in een Antwerpse tuinbroek, Gentse blouson en Brugse salopette, ademt men vrijer. Nederlands hanteren is voor ons een opgave, zoals je kost verdienen. Wij doen dat vlijtig, sommigen met overgave, maar ook met het oog op de klok die zegt dat straks de dagtaak er op zit en men de teugels weer mag laten vieren.

Die houding ontwaar ik ook bij de BRT. Niet zo gauw is de microfoon gesnoten en de camera gedimd of men snakt naar een bevrijdende gij-vorm. De omroepster diept een lipstick uit haar sacoche en de nieuwslezer bedelt om een tas koffie. Want binnenskamers heeft het Vlaams, die haperfase tussen dialect en standaardtaal, niets van zijn schemercharme verloren. Als ik op de redactie van De Morgen een kop koffie drink, plaats ik mij daarmee in een onplezierige uitzonderingspositie. Men is niet echt kwaad, men is niet bepaald verdrietig, men reageert ietwat verveeld. Waarom spreekt A. niet met ons mee?

Heeft hij een ongelukkige jeugd gehad? Een producer van de cultuurdienst van de Vlaamse televisie belde begin december 1990 met het vriendelijk verzoek aan de uitreiking van de literaire NCR-prijs, Belgische AKO-tegenhanger, mee te werken, er aan toelichtend dat 'Gilbert Grauws de prijs over twee jaar had gewonnen'. Veel Vlamingen halen verleden en toekomst door elkaar, twijfelaars zeggen, om zich in te dekken: “Over twee jaar geleden”, maar dat een culturele professional zo'n schuiver maakt blijft bedenkelijk. Uit schaarse contacten met dienaars van het tv-programma Kunstzaken heb ik kunnen opmaken dat Ratjetoe binnen de club voertaal is. Dit wetende roept de luisteraar en kijker in mij mee: Hoera BRT, maar ik zie ook het vernis, de schone schijn, en ik wantrouw hen die met een taalmasker op spreken.

In het verlengde van de schroom, het onbehagen dat een kopje koffie binnen een Vlaamse vriendenkring teweeg brengt verklap ik de ware anekdote - met strip voor de identiteit om goed volk niet in verlegenheid te brengen - van de telg van een prominent taalbelg die aan zijn kindertijd een trauma overhield omdat hij (m-v) van pa in alle omstandigheden het enige echte onversneden Nederlands spreken moest. Ook de vriendjes die over de vloer kwamen werden terecht gewezen en op de vingers getikt. In een land waar nagenoeg iedereen vijs voor schroef zegt en solde voor koopjes, waar een opticien een optieker heet en een mecanicien een mekanieker, waar men een blik doos noemt en een dij bil, waar een versnellingsbak een boite de vitesse is, etcetera - enzovoort, kan zo'n drastische consequentie alleen maar brokken maken. De vriendjes meden dat maffe huis, de jongen en zijn broers-zusters vereenzaamden, besmet als zij waren door een voornaam virus. Vandaag heeft de zoon van de Pol Pot van het exacte woord zich in het Frans in de Brusselse telefoongids laten inschrijven. Reden: hij kokhalst van moedertaal. Een waarachtig taaldrama.

Zelf heb ik ook ondervonden dat je taaltussenkomsten tot een timide minimum beperken moet, zoniet, dan zet je je omgeving sociaal buiten spel. Een kind dat in een correcte taal ravot wordt door de kameraadjes aan een boom gebonden en met mayonaise ingevet.

Bijgevolg blijven Vlamingen opgescheept met een halfbakken taal, met een brakke drukpers - de Vlaamse schrijvende pers noemt zichzelf 'de geschreven pers', om niet te zeggen 'de afgeschreven pers' - met politici die koeterwaals tot regeringsmededeling verheffen en met een reclamejargon dat nooit speels is, tenzij ongewild. In de Belgische steden hangen momenteel publiciteitsborden voor een groene spaarkaart. De Franse voertekst zegt: la carte verte, j'en suis bleu. J'en suis bleu betekent: ik ben (daarover) in de wolken, ik ben er weg van. Maar wat spelt de Nederlandse vertaling? Betaal u niet blauw aan de groene kaart. Met andere woorden: trap er niet in, koop dat schandalig dure ding niet.

Op het Brusselse symposium is nog eens bekrachtigd dat het Algemene Nederlands ook in Vlaanderen de norm is. En boven het verslag in De Volkskrant staat de hoopgevende titel Vlaanderen temt bedorven Nederlands. Het slot van zijn verslag is al net zo bemoedigend: “De 21 miljoen nederlandstaligen praten en schrijven allemaal zoals zij gebekt zijn (en dat is maar goed ook), maar de standaardtaal blijft hun gemeenschappelijk voertuig, zoals in de Nederlandse Taalunie is vastgelegd.”

Er bestaat wel degelijk een verschil in spreken en schrijven en alle mooipraterij op radio en televisie ten spijt blijft het Nederlands een vreemd organisme dat het Vlaamse corpus afstoot.

Valt hier voor een Vlaming nog een moedertjelief aan te helpen? Ja, mits hij liefde heeft voor de taal. Eindelijk van het Nederlands houden, in plaats van er naar op te kijken, er als een knipmes voor te buigen (lees: beven) in plaats van een zondagse smoel te trekken als je die taal in de mond moet nemen.

Ja, fouten mogen, spelen met klemtonen is vergeeflijk, ja men mag spreken zoals men gebekt is, maar ik bedank voor de Vlaamse papegaaiebek die Latijn nakwekt wanneer hij het heeft over: het noorden verliezen-perdre le nord, voor de kluts kwijt zijn; rijden aan een snelheid-rouler a une vitesse, voor rijden met of tegen die snelheid of in een hoog tempo; met de vingers in de neus winnen-gagner les doigts dans le nez, voor spelenderwijs; de meubels redden-sauver les meubles, voor de schade beperken; en zo honderd nagebouwde uitdrukkingen meer.

Ik maak daar niemand een verwijt van, ik steek de hand in de boezem en met de hand op het hart doe ik een oproep in de twee Nederlandse landstalen om ons op een goeie manier door die gemeenschappelijke en sierlijke taal te laten verleiden.

Groepssex mag ook, aan de hand van een brede maatschappelijke discussie over die taal van ons, niet langer die kwaal van ons.