'Sociale vernieuwing' vereist meer politieke visie

In maart 1990 trad het kabinet Lubbers-Kok voor het voetlicht met zijn nota 'Sociale vernieuwing: opdracht en handreiking'.

In Rotterdam heeft sociale vernieuwing haar oorsprong gevonden als concept van lokaal beleid, waarin de economische en ruimtelijke vernieuwing van de stad wordt verbonden met sociale problemen en ontwikkelingen onder de bevolking. Het daarover in september 1989 verschenen rapport 'Het nieuwe Rotterdam in Sociaal Perspectief' was voor het kabinet-Lubbers ook aanleiding om sociale vernieuwing tot de politieke leidraad van zijn beleid te verklaren. Ruim een jaar geleden kwam het kabinet met een eigen nota 'Sociale Vernieuwing: opdracht en handreiking'.

In het spoor van de gemeente Rotterdam, waar sociale vernieuwing haar oorsprong vond, zijn inmiddels driehonderdvijftig gemeenten ermee bezig.

Een jaar is te kort om sociale vernieuwing op haar waarde te schatten. Daar is zeker een volle kabinetsperiode voor nodig, misschien wel twee. Beter dan sociale vernieuwing op de hand te wegen is het om aandacht te besteden aan de complicerende factoren die de verdere gang van het beleid belemmeren, zo niet bedreigen. Ik signaleer er tenminste vijf.

Ten eerste ondervindt sociale vernieuwing veel hinder van haar imago van een veelbelovend politiek credo dat de drang tot politiek scoren aanwakkert. Ze wordt te veel gezien als tijdgebonden project met kansen op succes op de korte termijn en te weinig als een langlopend proces dat zijn bedding nog moet vinden. Wie het proceskarakter ontkent of geweld aan doet is bezig de mislukking op te wekken.

Sociale vernieuwing is pas in het begin van haar ontwikkeling. Ze reikt nog niet veel verder dan een eerste voorwaardenscheppende fase in de vorm van regels, geld, procedures, bestuursovereenkomsten en beleidsplannen. Als proces verdraagt ze dan ook geen geforceerde ingrepen uit landelijk politieke oogmerken van het soort dat onlangs in de PvdA-fractie in de Tweede Kamer opborrelde om sociale vernieuwing 'nieuw leven in te blazen'. Het besef moet doorbreken dat hier sprake is van een beleid dat primair de verantwoordelijkheid raakt van de plaatselijke gemeenschap.

Sociale vernieuwing zal gaandeweg van de agenda van de Tweede Kamer verdwijnen en, naar valt te hopen, hoger op de agenda van de gemeenteraden genoteerd worden.

Een tweede factor is het eenzijdige accent dat wordt gelegd op het inhalen van de sociaal-economische achterstand van grote groepen mensen die al te lang een verborgen en uitzichtloos bestaan leiden in de kaartenbakken van Arbeidsbureaus en Sociale Diensten.

Er kan niet de geringste twijfel zijn over de onverbiddelijke prioriteit om slepende werkloosheid en nieuwe armoede effectief te bestrijden en te voorkomen. De vorming van een maatschappelijke onderklasse moet, koste wat kost, worden tegengegaan. Maar als dit al de noemer 'sociale vernieuwing'

verdient dan is het in ieder geval slechts het halve verhaal. De andere helft van het verhaal is dat sociale vernieuwing alleen haar beoogde innoverende werking kan waarmaken als ze zich uitstrekt tot heel de bevolking en de hele samenleving.

Ze moet dan ook in nauwe samenhang worden gebracht met economische, stedelijke, technologische en culturele veranderingen. Bovendien zal ze op natuurlijke wijze moeten aansluiten op andere maatschappelijke processen. Ze is deel van wat heet 'een duurzame ontwikkeling', of ze is niet.

Wie geen oog heeft voor het hele verhaal van sociale vernieuwing kan ervan verzekerd zijn zichzelf en diezelfde mensen met dezelfde problemen over enige jaren weer tegen te komen.

Als derde complicatie noem ik de overtrokken aandacht voor financiele, juridische en organisatorische aspecten, die bovendien ten onrechte worden opgediend als bestuurlijke vernieuwing. De sanering van financiele systemen, administratieve voorschriften en ambtelijke praktijken, die intussen ter hand wordt genomen, is een dwingende voorwaarde voor nieuw gemeentelijk beleid. Het gedroomde eindresultaat ziet er fraai uit: een wet en een fonds voor sociale vernieuwing. Maar voorlopig lijken beleid en beleidsvoorwaarden zodanig met elkaar te worden verhaspeld dat de ware aard van sociale vernieuwing wordt verhuld.

Het risico is bovendien niet denkbeeldig dat tal van ambtelijke obstakels - wellicht ongewild - worden verplaatst van rijksdepartementen naar gemeentelijke secretaire-afdelingen en diensten. De lokale bureaucratie, al dan niet gestroomlijnd in nieuwe bestuursdiensten, zou wel eens versterkt kunnen worden ten koste van de lokale democratie. Dan komt de geloofwaardigheid van het openbaar bestuur in het geding.

De indruk wordt gewekt dat met het 'opschonen' van de verschrikkelijke regeldrukte tussen Rijk en gemeenten sociale vernieuwing als vanzelfsprekend ruim baan zal krijgen in de samenleving. Dat zou wel eens gezichtsbedrog kunnen zijn.

Decentralisatie van rijksbeleid met bijbehorende bevoegdheden en geldmiddelen eindigt niet in gemeentehuizen, zoals menigeen lijkt te veronderstellen, maar zal juist daar een dynamiserende opening moeten maken naar de burgers en hun maatschappelijke verbanden. Hier dient zich de opdracht aan voor ware bestuurlijke vernieuwing, die de burgers mede verantwoordelijk maakt voor sociale vernieuwing. Er is helaas nog weinig van te bespeuren. Sociale vernieuwing is nog te veel stadhuisbeleid.

Een vierde belemmering die ik waarneem is de onderbelichting van de verantwoordelijkheid van de burger voor zijn eigen welbevinden, mede gericht op vergroting van zelfstandigheid en keuzevrijheid. Deze leidende gedachte van sociale vernieuwing dreigt te verbleken tot wat in reclametaal 'klantvriendelijk maatwerk' heet voor mensen die zijn aangewezen op de zorgplicht van de overheid. Het halve verhaal.

Toch wordt de draagwijdte van sociale vernieuwing voor een beslissend deel bepaald door de verantwoordelijkheid van de burgers, ook als het om zorgarrangementen gaat. Ze heeft verstrekkende gevolgen voor de positie van de overheid en de taak van maatschappelijke organisaties. Er zal herijking en herschikking van verantwoordelijkheden moeten plaatsvinden, met inbegrip van het scheppen van evenwicht tussen rechten en plichten. Daaraan gaat een politieke keuze vooraf tussen een terugtredende verzorgingsstaat en een activerende verzorgingsstaat, zoals deze uiteindelijk gestalte zal moeten krijgen in de lokale gemeenschap. Deze keuze wordt echter ontweken of op zijn mooist bedekt met een van CDA-wol geweven mantel der 'zorgzame en verantwoordelijke samenleving'.

Ten vijfde wijs ik op de veronachtzaming van het belang van een sterk maatschappelijk middenveld. Als domein tussen overheid en samenleving, waar individuele en collectieve verantwoordelijkheid elkaar kruisen, is het maatschappelijk middenveld onmisbaar voor de verankering en continuteit van sociale vernieuwing.

Juist waar processen van individualisering en desintegratie oude sociale verbanden ernstig hebben verzwakt en nieuwe slechts moeizaam totstandkomen is de ontwikkeling van een vitaal en flexibel middenveld essentieel. Het moet dan wel berusten op de toegenomen mondigheid en het zelforganiserend vermogen van de burgers, de gewijzigde omstandigheden in de samenleving en de veranderende rol van de overheid.

De aandacht ervoor is, zowel in de samenleving als in de politiek, marginaal en voorzover aanwezig richt ze zich hoe jaren zestig en zeventig, die sommigen zelfs pogen te restaureren.

Het uitblijven van ideeen en initiatieven omtrent een dergelijk middenveld acht ik uit democratisch gezichtspunt nogal zorgwekkend. Dat de overheid, druk als ze is met zichzelf, terughoudendheid betracht past haar in dit geval, al zou een mobiliserende rol vruchtbaar kunnen zijn. Treurig is het dat organisaties en instellingen in de voorste linies van sociale zekerheid, zorg, welzijn, educatie en cultuur het tot nu toe vrijwel laten afweten en zich blijkbaar liever wentelen in hun bestaande positie. Toch zouden juist zij sociale vernieuwing moeten verzekeren van een stevig en breed draagvlak en ruimte moeten scheppen voor nieuwe uitingen van solidariteit. Om metterdaad te verhoeden dat ze verwordt tot een kortstondig politiek project met alle opportunistische en bureaucratische verschijnselen die ermee gepaard plegen te gaan.

Wil sociale vernieuwing als innoverend proces reele kansen krijgen en op langer zicht resultaten boeken dan zullen de hier gesignaleerde belemmeringen moeten worden opgeruimd.

Daarvoor is echter meer politieke visie, bestuurlijke vindingrijkheid en daadkracht en meer maatschappelijke betrokkenheid vereist dan waarop het beleid tot nu toe is gebaseerd. Tenzij men zich tevreden stelt met een nieuwe, geconcentreerde vorm van symptoombestrijding.