PvdA-top wil af van 'drammers en drijvers'

NIJMEGEN, 29 APRIL. “Het grootste risico is nu dat onze achterban wat anders van ons verwacht”, had partijvoorzitter Sint vorige week gewaarschuwd in een vraaggesprek over de toekomst van de PvdA dat de opmaat bleek tot de twee belangrijkste redes van de partijleiding sinds de verkiezingen.

Dit weekeinde, bij de Jonge Socialisten in Nijmegen, bleek haar gelijk. De zaal was boos. Moet de PvdA zich nu werkelijk 'profileren' met het verlagen van de WAO en het loslaten van de koppeling? Zijn we dan geen 'arbeiderspartij' meer? Na de rede van Woltgens kan die vraag bevestigend worden beantwoord.

De PvdA wil weer een partij van iedereen zijn. Kok en Woltgens deden respectievelijk donderdag in Amsterdam en zaterdag in Nijmegen waar de partij na de nederlaag op wachtte. Zij trokken de partij boven het volgens Sint “deprimerende” bezuinigingsgekrakeel uit door met brede streken het politieke gezicht van de partij voor de jaren negentig te schilderen. We moeten meer uitstralen dan alleen geldzorgen, zo was hen in vele vraaggesprekken en beschouwingen voorgehouden. We moeten af van het beeld van de Partij van de Inkomens, van de Partij van de Armoede, van de Partij van Vadertje Staat die iedereen zal gelijkschakelen.

Uit de kritiek was een beeld opgerezen van een politieke vereniging van tobbers, beheerst door belangengroepen die de behartiging van het algemeen belang meten aan de hand van koopkrachtplaatjes van deelgroepen voor het komende begrotingsjaar. Een partij die nog in sociale groepen uit de jaren zeventig denkt: 'de' uitkeringsgerechtigden, 'de'

openbaar-vervoerreizigers, 'de' werknemers. Maar bestaan die nog wel als hermetische categorieen? Kan de burger van de jaren negentig politiek nog wel worden gedefinieerd aan de hand van zulke maatschappelijke tegenstellingen?

Woltgens gaf zaterdag antwoord: “Misschien is er wel een signaal dat boven alle andere uitsteekt: doe het een niet per se ten koste van de ander, zet de ene groep mensen niet af tegen de andere groep. Mensen zijn niet meer onder een noemer te vangen. Soms ben je automobilist, dan weer zit je in de trein. De ene dag heb je een baan en een inkomen, de volgende dat kun je werkloos zijn.” De PvdA moet aan de “samenhang in de samenleving” werken en niet langer burgers aanspreken op de “hokjes” waar ze in zouden zitten en de belangen die ze daaraan zouden ontlenen. De partij moet er dan ook voor waken “de spreekbuis te zijn van groepsbelangen van organisaties”.

Woltgens sprak in Nijmegen warme woorden over het individu en diens verantwoordelijkheid om kansen zelf te grijpen. Ook Kok had het over “individualisering als blijvende werkelijkheid”

gehad. De burger van de jaren negentig is volgens Kok steeds vaker beter opgeleid en verlangt “meer zelfstandigheid en vrijheid”. Voor Woltgens is het trefwoord voor de partij in het komend decennium “het bieden van kansen” op gelijke wijze aan iedere burger. Maar de uitkomst hoeft niet langer voor iedereen hetzelfde te zijn. In het verleden was dat wel anders geweest, erkende hij.

Ook wat de toonzetting van het politieke debat betreft legde de 'duo-leider' van de partij een nieuw accent. De PvdA van de sociaal verontwaardigden, van de drijvers en drammers, wordt er wat hem betreft een van de oprecht verbaasden. De belangrijkste politieke emotie volgens Woltgens is “verwondering over het bestaande. Moeten de dingen wel gaan zoals ze gaan?” Progressief elan in de jaren negentig is dus een betrekkelijk gematigd fenomeen, een emotie die voor iedereen bereikbaar is.

In het Nijmeegse zaaltje gingen deze woorden, na vier uur zelfbeklag, vrijwel verloren. “Nogal abstract, hier zit ik niet op te wachten” zei de een, en: “Dit komt wel erg uit de wolken gevallen”, zei een ander. Menig spreker drong erop aan dat de PvdA jonger, dynamischer, frisser en moderner moest worden. Uiteraard moest ook de “beeldvorming” van de partij beter. Dat kabinet was trouwens ook behoorlijk waardeloos. Aan de koppeling tussen lonen en uitkeringen, de WAO en het bruto-minimum loon mocht niet getornd worden. “Aan de vakbeweging hebben we tegenwoordig meer dan aan de PvdA”, aldus een Jonge Socialiste. Een ander bepleitte het verbreken van de coalitie, met als argument dat de partij zonder regeermacht, maar vooral zonder het “financiele gebeuzel van het CDA”, meer kan bereiken dan met. Tegen Woltgens werden af en toe vijandige opmerkingen gemaakt, onder meer over diens inkomen als fractievoorzitter. Een bericht uit de Volkskrant van die ochtend werd aangehaald, over een verschil van mening tussen Kok en Alders over het milieubeleid, om de algemene malaise in het kabinet te karakteriseren. Woltgens erkende een deel van de kritiek. De lange-termijndoelen uit de Tussenbalans waren niet voldoende naar voren gebracht: minder bureaucratie, meer arbeidsdeelname, meer decentralisatie. Ook de sociale vernieuwing is nog lang niet dood. “Kijk naar het werk van Jan Schaefer”. Maar Woltgens liet ook zijn ongeduld blijken. Hem werden te vaak krantekoppen voor de voeten geworpen, zonder dat de critici de tekst eronder leken te kennen of enig overzicht van het beleid hadden. De roep om verjonging, modernisering en verfrissing van de jongeren deed hem wel denken aan de “holle retoriek” die hij zelf als jong PvdA-lid van het oudere partijkader voorgeschoteld kreeg. Toen moest alles harder, steviger en vastberadener. Dat maakte toen al weinig indruk op hem. “Het gaat uiteindelijk toch om de maatschappelijke werkelijkheid, om de inhoud van het beleid.”

Zouden de sociaal-democraten met achttien zetels verlies in het verschiet de kostbare regeringsmacht wel uit handen geven?