Proefbedrijf moet landbouw voorgaan in schoner milieu

HENGELO (GLD), 29 APRIL. Op de bouwplaats stonden een schitterende zwartbonte koe - de uier groot als een donderwolk - en een kalfje, die de kenners het water in de mond deden lopen. Ze waren van het Holsteiner Frisian-ras. Ze luisterden vorige week een agrarische feestelijkheid op in het Gelderse Hengelo. Tachtig van hun soortgenoten en ook nog eens 50 stuks jongvee gaan over een half jaar in het dorp in de Achterhoek het proefbedrijf Melkveehouderij en milieu, genaamd De Marke, bevolken. Er wordt nu aan gebouwd. Per stuk moeten de koeien - dankzij een uitgekiend voeder- en fokbeleid - per jaar 8.100 liter melk produceren, wat 800 tot 900 liter meer is dan het gemiddelde in Nederland. Die hoge opbrengst is nodig om uit de kosten te komen die de in de proefboerderij te treffen milieumaatregelen met zich mee zullen brengen. Het gaat om een project van 10 miljoen gulden. Dat geld legt het departement van Landbouw op tafel. Subsidienten in onderzoek en begeleiding zijn het departement van Milieubeheer, het Landbouwschap (de boeren dus) en het Produktschap voor Zuivel. Het is een poging om milieuvriendelijker te boeren zodat er in grond, water en lucht minder stikstof, fosfaten en ammoniak terechtkomen. “Het streven is om in het proefbedrijf aan duurzame landbouw te gaan doen met behoud van werkgelegenheid”, zei bij de introductie voorzitter B.J. Warmelink van het bestuur van de stichting die het proefbedrijf onder haar hoede heeft. Een andere aanduiding is gentegreerde landbouw. Een nieuw begrip voor iets dat tot de jaren vijftig normaal was: dat de boer met de produkten van zijn eigen land zijn beesten voerde en met de mest die die beesten produceren, het land vruchtbaar maakte. De stichting geeft zichzelf twee keer vijf jaar de tijd om aan te tonen dat durzame landbouw mogelijk is. Die fases lopen synchroon met de aanscherping door de overheid van de milieunormen, die de landbouw worden opgelegd. Of dat betekent dat pas over tien jaar op het Nederlandse platteland de eerste milieuvriendelijke melkveehouderijen zullen verrijzen? Warmelink: “Die komen er eerder. Ze kunnen daarbij gebruik maken van de bevindingen, die wij gedurende de rit maken.” De intensieve veehouderij, vooral die op de zandgronden, is een belangrijke milieuvervuiler. Er wordt veel meer mest geproduceerd dan voor de bemesting van de grond nodig is. In de mest aanwezige mineralen als stikstof en fosfaten komen daardoor in de bodem en het grondwater terecht. Ammoniak gaat de lucht in en is een belangrijke veroorzaker van de zure regen, die de bossen aantast. De overheid wil dat in het jaar 2000 het stikstofgehalte in de bodem met 70 procent is verminderd: voor het water, waarheen het spul uitspoelt, wordt zelfs een reductie van 90 procent nagestreefd. Voor het Hengelose proefbedrijf betekent het ondermeer dat per hectare bouwland nog slechts 125 kilogram stikstofverlies mag optreden (was in 1980 480 kilogram). De ammoniakuitstoot moet in 2000 met 75 procent zijn teruggebracht. Verspilling van deze meststoffen is niet alleen slecht voor het milieu, maar kost de boer ook geld aan (dure) kunstmest. De proefboerderij beschikt over 60 hectare grond, waarvan 55 hectare bouwland. Daarop zal het veevoer voor eigen gebruik worden verbouwd. Dat veevoer zal naast gras uit mas en bieten bestaan. Door een ingenieus door een computer gestuurd systeem zullen de koeien die hoeveelheid voer krijgen, die ze op een dag nodig hebben om optimaal melk te produceren: niet meer en niet minder. De hoeveelheid krachtvoer, dat nu nog in grote hoeveelheden als bijvoedering wordt gegeven, denkt men in het proefbedrijf te kunnen reduceren met eenderde tot mogelijk zelfs driekwart. Om er voor te zorgen dat de uit de mest vrijkomende ammoniak niet in het milieu terechtkomt, worden in de stallen speciale voorzieningen getroffen. Elk uur wordt de mest uit de stal via een goot in de vloer naar een kelder afgevoerd. De urine loopt vanzelf in de goot en daardoor in de kelder. De verwachting is dat daarmee een reductie aan ammoniakuitstoot van 50 procent mogelijk is. Bij de bemesting van het land wordt gebruik gemaakt van de nieuwste technieken zoals mestinjectoren en zodenbemesters, wat de ammoniakuitstoot terugbrengt. De verwachtingen met de proefboerderij zijn hoogespannen. Onderzoeker E.E. Biewinga van van het Centrum Landbouw en Milieu (CLM) in Utrecht, dat bij de voorstudies was betrokken: “Het mooiste zou zijn als we straks grondwater kunnen oppompen dat zonder meer te drinken is.”