Orde op zaken

GELOOFWAARDIGHEID kun je niet afdwingen. Dat zei minister Kok van financien gisteren aan de vooravond van de vergadering van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) in Washington.

Zijn opmerking sloeg op het vertrouwen van de internationale financiele markten in de gulden. De overheidsbegroting moet gezond worden en de arbeidsdeelname moet omhoog, zei Kok. “We hebben teveel mensen in de kost en te weinig aan de slag.”

Als dat verbetert, wordt de gulden zo sterk dat de rente omlaag kan, was de strekking van zijn betoog. Misschien heeft Kok gelijk. Maar vertrouwen is een onzekere psychologische factor. Nederland had de afgelopen jaren een uiterst lage inflatie en een opvallend hoog overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Desalniettemin ging de guldensrente, toen de D-mark-rente begin 1990 tot negen procent steeg, onverbiddellijk mee omhoog.

Een groot nationaal spaaroverschot en de (bijna-)afwezigheid van inflatie waren blijkbaar onvoldoende voor financieel vertrouwen. Of dat er wel komt met een “gezonde begroting”

en “meer mensen aan de slag” is de vraag. De strikte koppeling van de gulden aan de mark maakt de Nederlandse munt tot een bijwagen van de D-mark. Met een rente die past bij de Duitse economie, grotendeels los van de Nederlandse omstandigheden.

Kok hoopt dat het Duitse overheidstekort, een belangrijke oorzaak van de rentestijging, snel weer binnen de perken komt.

Dat tekort ontstond door de combinatie van een belastingverlaging per 1 januari 1990 en fors hogere uitgaven ten behoeve van de Duitse eenwording.

INMIDDELS HEEFT president Bush de Duitsers in het openbaar opgeroepen de monetaire teugels te laten vieren en op die manier mee te helpen aan een internationale renteverlaging.

Die - nogal ongewone - oproep lijkt vrij zinloos. De Amerikanen kampen nu al sinds jaar en dag met grote spaartekorten, ook omdat zij weigeren het ogenschijnlijk onuitroeibare overheidstekort via belastingverhoging te elimineren. Adviezen van het IMF in die richting worden door Washington zonder meer genegeerd.

Washington kan, in plaats van monetaire kritiek te leveren op Bonn, beter een voorbeeld nemen aan het Duitse fiscale beleid.

De Amerikanen moeten nu eindelijk eens orde scheppen. Pas dan krijgt een internationale discussie over het monetaire beleid weer zin. De vergadering van de ministers van financien van de zeven belangrijkste industrielanden (de Groep van Zeven) leverde gisteren in Washington dan ook niet meer dan een vrij nietszeggende verklaring op.

's Werelds grootste spaarder, Japan, kwam bij monde van minister van financien Hashimoto met een eigen oplossing voor het wereldwijde tekort aan spaarmiddelen. Japan is plotseling voorstander van een nieuwe allocatie van speciale trekkingsrechten (Special Drawing Rights of SDR's), het reservegeld dat het IMF uitgeeft en waarvan de waarde is gekoppeld aan de dollar, de yen, de mark, het pond en de Franse franc.

Het lijkt een afleidingsmanoevre: Japan is anno 1991 het enige lid van de Groep van Zeven met een spaaroverschot, en Tokio hoopt ongetwijfeld dat een pleidooi voor meer SDR's de internationale druk op Japan om een grotere financiele bijdrage te leveren aan de groei van de wereldeconomie wat kan wegnemen. Wat niet wegneemt dat een SDR-allocatie de reserves van de centrale banken kan verruimen en langs die weg kan bijdragen aan een zekere renteverlaging. Mits de produktie mee omhoog gaat, want anders bestaat het resultaat slechts uit inflatie en is het rente-effect averechts.