NOS kort zendtijd voor documentaires

In het genre documentaire had Nederland in het verleden een naam hoog te houden. Terwijl de Nederlandse speelfilm op internationaal niveau een ondergeschikte rol speelde, stonden filmers als Vrijman, Haanstra, Ivens en Van der Horst met hun documentaires ook in het buitenland in hoog aanzien. De nestoren van de Nederlandse documentaire vonden op grote schaal navolging van jonge documentaristen, die hun films veelal in samenwerking met de televisie maakten. Het geld en de mogelijkheden voor het genre kalfden de laatste jaren weliswaar af, maar met de komende reorganisatie van de omroep vrezen de documentairemakers de genadeslag toegebracht te krijgen.

In een brief van de Dutch Documentary and Independent Film Association (DIFA) aan de minister van WVC spreekt een nieuwe lichting documentairemakers zijn verontrusting uit over de komst van de nieuwe zenderindeling, die volgens de opstellers korte metten maakt met een rijke traditie. Het aantal uren dat de NOS per 1 oktober aan het genre besteedt, wordt meer dan gehalveerd. Bovendien vrezen de documentaristen door het advies van McKinsey om het geld van het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties naar de algemene middelen te sluizen, een belangrijke subsidient te verliezen.

Uit de plannen van de omroepen blijkt volgens de DIFA dat niet langer de cultuurpolitieke taak van het publieke bestel, maar het concurrentiebeginsel centraal staat. De briefschrijvers bepleiten bij de minister juist een versteviging van de positie van de NOS, in een tijd dat de commercialisering hoogtij viert. Ze wijzen de minister op de 'zorgplicht' van de publieke omroep en vragen haar voorwaarden te scheppen voor een veelzijdige programmering, waarin ook andere elementen aan bod komen dan louter de ingredienten van commerciele televisie.

“De afgelopen twee jaar hebben we jaarlijks tachtig documentaires uitgezonden”, zegt Henk Suer, hoofd documentaire van de NOS-televsie. “Dat aantal wordt teruggebracht naar 35 uitzendingen per jaar. Bovendien gaan de documentaires naar kwart over elf 's avonds, waardoor we een belangrijke categorie kijkers verliezen en we onze thema's aan die nieuwe kijkersgroep moeten aanpassen.” Suer omschrijft de maatregel als “een ramp” voor zijn afdeling, omdat veel programma's die al zijn uitgezet de kans lopen lang op de plank te blijven liggen en vrijwel alle nieuwe projecten moeten worden afgezegd.

Van de aankoop van interessante documentaires uit het buitenland moet Suer nu vrijwel geheel afzien, terwijl hij veel leden van zijn 'stal' documentaristen met de onheilstijding moet teleurstellen. “Het zou al mooi zijn als ik het volgend jaar nog 25 documentaires van eigen makelij kan uitzenden. Dat is een harde klap voor tientallen onafhankelijke Nederlandse cineasten. Voor die documentaires komen programma's in de plaats die wel beantwoorden aan de behoefte van McKinsey; programma's die ten minste 300.000 kijkers trekken. Dat betekent ook een wezenlijke teruggang van programma's met een hoog informatiegehalte.”

Suer betreurt het dat nu ook een aantal co-produkties, die hij op stapel had staan, geen doorgang vindt: “We waren op weg aansluiting te vinden bij de Europese film. Vooral in Frankrijk wordt via het station La Sept de documentaire sterk gestimuleerd. Alles wat op dat terrein was ingezet, zakt nu in. Wij kweekten een groep documentairemakers; die moet je de zekerheid bieden dat ze af en toe wat kunnen maken, willen zij zich in de toekomst kunnen onderscheiden. Dat neemt het risico van een incidentele misser met zich mee. Zulke risico's kan ik nu - met mijn beperkte mogelijkheden - niet meer nemen.”

Ook de NOS-televisie zal zich aan de aanbeveling van het organisatie-adviesbureau houden om het aandeel Nederlands drama met 70 procent te vergroten. Suer heeft er een hard hoofd in: “Waar haal je ineens al die schrijvers en regisseurs vandaan? Bovendien is het fabrieksmatig produceren van de voorgeschreven edel-soap beslist niet goedkoper dan het maken van een documentaire. Het aantal uren dat aan cultuur wordt besteed is weliswaar niet teruggebracht, maar het moet een kijkdichtheid hebben van minimaal vier procent. Populair programmeren verdraagt zich niet met cultuur. Het type programmamaker dat populaire programma's van kwaliteit maakt is in Nederland erg schaars. In dat verband spreken we hier al gekscherend over het McKinsey-drama.”