Dirigent Gergiev kent extremen in Sjostakowitsj

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Valery Gergiev met Tamara Sinyavskaya (mezzo-sopraan). Programma: Sjostakowitsj: Zes gedichten van Marina Tsvetajeva en Zevende Symfonie. Gehoord: 27-4 Concertgebouw Amsterdam. Televisie: 4- 5 (13.15u, Ned 1). Radio: 2-5 (18.15u) en 27-5 (20.02u).

In de strijd om de kijkcijfers (over luistercijfers wordt zelden gerept) lijkt Hilversum de cultuur aan haar lot te willen overlaten. Ook de radio-orkesten zouden wel eens het slachtoffer kunnen worden van de voortschrijdende vercommercialisering. Maar ach, een orkestje meer of minder, wat maakt het uit? Bovendien hoeven de orkesten en het Omroepkoor niet per se te worden afgeschaft, ze kunnen ook 'geprivatiseerd' voortbestaan. Het Radio Filharmonisch Orkest is een van de betere Nederlandse orkesten, en zou dat onafhankelijk van de radio nog steeds kunnen zijn. Toch is van groot belang, dat de radio-orkesten aan de omroep gelieerd blijven, zoals bijna wekelijks wordt bewezen in de Vara-matinee.

Afgelopen zaterdag dirigeerde Valery Gergiev het Radio Filharmonisch Orkest in het laatste concert uit de Sjostakowitsj-serie, waarin over twee seizoenen verspreid alle symfonieen van Sjostakowitsj werden uitgevoerd. Geen Nederlands orkest zou zoiets aandurven, omdat het te zeer ten koste zou gaan van een breed repertoire. Het is aan de Vara-matinee te danken dat we ook de onbekende symfonieen van Sjostakowitsj in de concertzaal hebben kunnen horen - en trouwens wel meer zelden gespeeld repertoire.

De Zevende symfonie, die zaterdag op het programma stond, is misschien niet de minst bekende van de vijftien, maar toch wordt het werk zelden uitgevoerd. Sjostakowitsj schreef het in 1941 tijdens de Duitse belegering van Leningrad, zijn geboortestad waaraan hij de symfonie opdroeg. Het werk legt op een grootse manier de emoties van de burgers van Leningrad vast: de dreiging en angst, het geloof in de kracht van de stad en in de uiteindelijke overwinning.

In de handen van een dirigent die geen affiniteit heeft met deze vijf kwartier durende symfonie, wordt het een log en onbestuurbaar monster. Maar Valery Gergiev, zelf verbonden aan het Kirov-theater in Leningrad, is als geen ander vertrouwd met Sjostakowitsj' extreme idioom. In het eerste deel, Allegretto, begon hij heel argeloos. Daarna bouwde de dirigent de spanning in een marstempo heel geleidelijk maar onontkoombaar op, totdat de klank in een immense ontlading leek te exploderen.

Gergiev ging tot het uiterste, het was alsof hij het orkest niet meer in bedwang zou houden. Maar de terugkeer in rustiger vaarwater verliep even vanzelfsprekend als de opbouw van de spanning. In het tweede en vooral in het derde deel werkte Gergiev zorgvuldig aan de klankschoonheid. Zo wist hij, met opvallend kleine gebaren, het orkest tot een sublieme prestatie op te zwepen.

Voor de pauze zong mezzo-sopraan Tamara Sinyavskaya als soliste in de Zes liederen op gedichten van Marina Tsvetajeva.

De ingetogen, subtiele orkestliederen werden misschien niet rimpelloos gezongen, maar Sinyavskaya wist aan de onverstaanbare Russische woorden betekenis te geven door de expressie van haar stem. Ook de eenvoud van Sjostakowitsj'

late kamermuziek (de liederen zijn uit 1973-74), is bij Gergiev dus in goede handen.

Om dit soort concerten ook in de toekomst mogelijk te maken, moeten de orkesten hun plaats behouden bij de omroep. De symfonie wordt op 4 mei op de televisie uitgezonden, is er een toepasselijker datum denkbaar?