De Man Die Niet Meer In De Rij Wou Staan

Met Eline in de grote supermarkt. In de kleine op de hoek was ik al een keer, om statiegeld te halen. Toen ik daar een chocoladereep at, kwam de kruidenier op mij af en zei dat 'dat niet de bedoeling was'. Je kunt repen hier alleen met drie tegelijk kopen, dus ik moest de andere wel in mijn zak stoppen - terwijl ik juist absoluut niet wil stelen, want elke aanraking met de politie, ook al ging het om het gappen van een knoopsgat, betekent dat ik weer in Moskou in de rijen moet staan.

Deze supermarkt is zo groot als de wachtzaal in het Weststation. Ik trek mijn gezicht van “Ik ken dit allemaal.

Mij verbaast niets. Ik ben een burger van de wereld, net als u.'' Maar mijn hartje tikt als een specht.

Wat me vooral opviel was de grote hoeveelheid (tot wel honderd toe) van volkomen gelijke doosjes, pakjes, blikjes, bakjes, potjes, zakjes op de planken.

Met Oko, mijn Moskouse vriend, had ik wel eens de vraag besproken waarom in een Russische winkel elk blikje altijd op zijn eigen individuele wijze was gedeukt, geknakt, gebutst, geplet, gekneusd of geroest. “Omdat de goede exemplaren allemaal naar Partijwinkel of Valutawinkel gaan”, dacht Oko.

Maar ik geloof niet dat ze daar onze slechte kwaliteit durven verkopen. Ik denk dat er aan het eind van de lopende band een kerel staat, die elk blikje op zijn eigen wijze moet deuken, knakken, butsen, pletten, kneuzen of roesten. Zo wordt het publiek gedwongen scherp te letten op wat het koopt.

Gevolg van de griezelige gelijkvormigheid hier is dat de koopsters (het zijn voornamelijk vrouwen. Ik mag een eigen wagen duwen, anders zie ik er uit als de imbeciele zoon) niet kijken naar het exemplaar dat ze van de grote stapel pakken.

Ze pakken het voorste en het bovenste. Ze draaien het niet drie keer om, zoals in Moskou, ruiken er niet aan, schudden het niet, wegen het niet op de hand en vergelijken het niet met een ander exemplaar. Dat is leven! In een land waar repenverkoper tegen rependief zegt dat 'dat niet de bedoeling is!'

Aan de andere kant, en dat is ook weer zo mooi, zijn er wel tien verschillende merken van eenzelfde produkt. Toch pakt Eline bij de sinaasappelsappen ook gewoon het eerste wat ze ziet.

Ik bied aan de drankafdeling te doen. Eline heeft de nare gewoonte om slechts zoveel drank in te slaan als zij denkt dat we in een avond zullen drinken. Maar ze gaat, zegt ze zelf, maar een keer in de week naar deze supermarkt.

Ik tref waarachtig een fles met afdraaibare dop. Om te proeven wat erin zit, neem ik een slok achter een himalaja van babyluierlawines. Een schriel heerschap ziet me. Ik schrik. Ik bied hem de fles aan. Hij slokt. Het is geen Rus; het is een Pool.

Polen bederven hier de markt. Wat een ongemanierde sprinkhanen! Een Rus heeft nog steeds een zekere zeldzaamheidswaarde, als een gedeukt blikje in een Hollandse supermarkt. Ik merk wel dat Eline altijd gauw zegt dat ik een Rus ben. Mannen vragen me dan iets over het communisme (wat weet ik daarvan? Mij lijkt dit keurig opgeruimde landje met zijn regels en zegels de droom van Marks en Lenin, zoals die op school verteld wordt. In Moskou is het catch-as-catch-can); dan vraag ik hun telefoonnummer. Vrouwen vragen meestal hoe ik aan dat zwarte jekkie kom (dat ik van Emmie leende); dan vraag ik hun telefoonnummer.

Bij de betaalkassa een vervelend incident. Eline zegt: “Ga jij vast in de rij staan, dan loop ik even langs de kaas.”

Ik in een rij? Ze kan me nog beter vragen mijn nek onder de kaassnijder te leggen. Ik doe of ik haar Engels niet versta en rij naar de babyhoek om de laatste slok te nemen. Mierzoet Italiaans drankje.

Op de terugloop naar huis zegt ze: “We zijn toch absoluut zeker niet verliefd of zo, he?”. Ik stel haar gerust. “Nee ik profiteer alleen een tijdje van je huis en eten, en jij profiteert van mij.” Ze lacht en ik moet denken aan het telefoongesprek dat ze vannacht had met Emmie, haar vriendin, waar ik de eerste week was tot zij het toverwoord Zoek werk uitsprak.

(wordt vervolgd)