DE LIMBURGSE MYTHE IS DOORBROKEN

Hij kan ook uitstekend voetballen, hardlopen, schaatsen en zwemmen. En dat is uitzonderlijk voor een wielrenner. Maar minstens zo bijzonder aan Frans Maassen is dat hij de mythe doorbreekt die zegt dat Limburgers de juiste mentaliteit missen voor topsport. Hoewel er geen statistische gegevens over bestaan, worden sportmensen in die provincie al te vaak geplet onder de wals van bewondering en verering die hen ervan weerhoudt continuteit in hun prestaties te brengen. Zaterdag won Maassen de enige Nederlandse wielerklassieker, Amstel Goldrace. Opnieuw een bijzondere uitslag op een erelijst die de afgelopen jaren is opgebouwd.

Elke Nederlandse wielerploegleider zal zich wel driemaal bedenken voordat hij een Limburger in zijn formatie opneemt.

Want, zo heet het in die kringen, er is iets met Limburgers dat ze ongeschikt maakt voor topsport. Een ervaren sportjournalist uit die regio komt, gevraagd naar sportmensen die wel enige tijd internationaal aan de top hebben gestaan, aanvankelijk niet verder dan de naam van Pummie Bergholtz. Na enig denkwerk komen daar onder anderen voetballers Willy Dullens, biljarter Jean Bessems bij en mag ook atlete Carla Beurskens - die recentelijk steeds net moet verhuizen of geblesseerd is als er wat groots op het programma staat - zich bij hen voegen.

Om een of andere reden echter schieten de treurige gevallen ons gemakkelijker te binnen. Wielrenner Jan Nolten bijvoorbeeld of van recenter datum Jo Maas, wiens naam echter ook in relatie tot dopinggebruik in de publiciteit kwam, en Ad Wijnands, scheidsrechter Frans Houben, de voetballers Willy Brokamp en Pierre Vermeulen. De provincie Limburg telt dan weliswaar 'maar' een miljoen inwoners en kan op rekenkundige grond een vergelijking met de rest van Nederland oneerlijk noemen, in weinig regio's is sport als maatschappelijk bindmiddel zo nadrukkelijk met de samenleving versmolten als juist daar.

In een interview met Voetbal International ('50 jaar sportjournalistiek', 1980) zei Jean Nelissen, chef sport van De Limburger: “Wij zitten hier in een streek, die verschrikkelijk sportminnend is. (...). Van oudsher worden met name fietsers en voetballers hier innig door het publiek gekoesterd. (...) Niet voor niets wordt een derde gedeelte van ons papier besteed aan sport.” Limburg is een sportprovincie.

Ex-beroepswielrenner Jan Hugens, thans fan van Frans Maassen, ging te voet naar de bedevaartsplaats Banneux in de Ardennen om zo de zegen voor zijn idool af te smeken. Zijn voeten waren na de tocht zo beschadigd dat hij in de rolstoel terugmoest.

Het publiek vraagt er om toppers. Misschien niet eens om ze te vereren, maar eerder om een alibi tot feesten te hebben. Dat beperkt zich niet tot sport. Als de harmonie van Sibbe op een concours in de klasse uitmuntendheid een eerste prijs heeft gewonnen en ter gelegenheid daarvan een receptie houdt, loopt het dorp ook uit. Voor sporters is die weelde van een snelle verering vaak moeilijk te dragen. Wie onophoudelijk wordt bewierrookt heeft slecht zicht op de realiteit en ziet daardoor niet in hoe belachelijk de fratsen van de fans zijn.

In Limburg is de sportman een ijsje van een kwartje waar iedereen aan likt tot er niets meer van over is.

“Wie hier iets maakt van zijn aanleg heeft het op den duur lastig om voldoende assertief te zijn, voldoende zakelijk te blijven”, zegt Hans Philipsen, hoogleraar medische sociologie aan de Rijksuniversiteit Limburg in Maastricht. “Zuid-Limburg is meer gemeenschap, meer lokaal. Mensen hebben meer contact met elkaar. De harmonie en de schuttersvereniging zijn aanhechtingspunten voor allerlei maatschappelijke bezigheden.

Om aan de top te komen moet je je losmaken en dat is in een samenleving als de Limburgse niet zo gemakkelijk. Je wordt geacht op bepaalde plaatsen je gezicht te laten zien, in de kroeg te komen, bij je ouders op bezoek te gaan. Dat geeft een hoop steun, maar is ook beangstigend. Veel mensen gaan juist uit Limburg weg omdat ze zich daarvan willen bevrijden. De afstand die je daarmee creeert maakt het loslaten van het netwerk van verplichtingen en verbindingen gemakkelijker.''

Maassen ontkomt evenmmin aan die sociale verplichtingen. Zaterdagavond bezocht hij in zijn woonplaats Ittervoort een country-avond van de fanfare, werd hij in de feesttent op het podium geroepen en vervolgens op de schouders genomen. Toch, zegt zijn omgeving, voldoet niet aan de profielschets die gewoonlijk van sportmensen uit het zuidelijkste deel van Nederland wordt gemaakt maar hij wordt er wel mee geconfronteerd. “Als Limburger moet je tegen bepaalde vooroordelen vechten”, zei hij vorige week in een interview.

“Dat is een handicap. Een Limburger is geneigd om door zijn mentaliteit en zijn taal in een isolement te geraken.

Misschien kom ik daarom wel zo nuchter over. Ik heb mij ertegen gewapend.''

Het was een cultuurschok voor de Limburgse kranten dat Maassen aankondigde zich de laatste dagen van de vorige week af te zullen zonderen van de buitenwereld omdat hij volledig geconcentreerd wilde toeleven naar de Amstel Goldrace, aanvragen voor interviews afwimpelde en uiteindelijk de telefoonstekker eruit trok. “Krijg je vedette-neigingen”, werd hem gevraagd, want de moordende concurrentie van de twee regionale kranten verplichten de sportredacteuren elke bruikbare opmerking uit een sportman te wringen. Hij vroeg begrip voor zijn besluit.

Dergelijke onverzettelijkheid moet Jan Raas hebben aangesproken toen hij vijf jaar geleden besloot Maassen in zijn equipe op te nemen. “Het verleden heeft wel uitgewezen dat Limburgse renners vaak niet doorbreken, maar ik hoorde van andere amateurrenners dat hij toch anders in elkaar zit”, aldus Raas. Maassen komt dan ook, net als Peter Winnen die al met al ook geen slechte carriere heeft, uit het noorden.

“En”, zegt een kenner, “de overweg in Susteren, tussen Echt en Sittard, is een grens die de provincie in twee stukken verdeelt.” Maassen - geboren in Halen en woonachtig in Ittervoort - is niet, zoals wel van de 'zuiderlingen' wordt gezegd, geboren met een feestneus op. Hij is bloedserieus, weet wat hij wil en laat zich zelfs door zijn dominante ploegleider niet gemakkelijk een ander programma opdringen dan hij zelf van plan was te rijden. Als een vorm van zelfbescherming tegen te veel invloeden van buitenaf wijst hij zelfs categorisch elk initiatief van de hand om een supportersvereniging voor hem op te richten. Hij heeft zich voorgenomen een lange carriere te maken en laat zich niet van de wijs brengen door de waan van de dag. In zijn vierde jaar als beroepsrenner was hij al eens tweede in een klassieker (Milaan-Sanremo 1989) en won hij 33 koersen, waaronder de wereldbekerwedstrijd Wincanton Classic, het kampioenschap van Nederland en winnaar van zijn eerste wereldbekerwedstrijd de Wincanton Classic, Ronde van Belgie (tweemaal) de Grote Prijs Eddy Merckx, een rit in de Tour de France en sinds zaterdag een klassieker. Na Harrie Steevens in 1968 was hij de tweede Limburgse winnaar van de Goldrace.

Voor zover dat nog niet het geval was zorgt die laatste triomf voor erkenning. “Het is geen voordeel als je Limburger bent in het Hollandse profpeloton, maar door mijn prestaties heb ik er voor gezorgd dat ik werd geaccepteerd”, heeft Maassen gezegd. “Het is een feit”, aldus Philipsen, “dat de Randstad in een aantal opzichten, sociaal psychologisch, discriminerend werkt naar de regio's. Maar een minderwaardigheidsgevoel hoeft geen nadeel te zijn. Frustratie leidt tot agressie. Waar het bij een aantal sportmensen in Limburg aan ontbreekt, en ik heb geen enkele aanleiding om dat bij Frans Maassen te veronderstellen, is de hardheid om het vol te houden.”

    • Peter de Jonge