Antwerpen verschilt van mening over 'Ollanders'

ANTWERPEN, 29 APRIL. Zondagmiddag. De klok op het Centraal Station in Antwerpen wijst half drie. Terwijl de rust in de Scheldestad neerdaalt, komen de Antwerpenaren op adem. Weer hebben ze een Nederlandse invasie doorstaan. Op het station worden de laatste resten van het Hollander-toerisme weggewerkt. “Wilt ge direct uit die trein komen”, zegt een conducteur streng tegen twee stomdronken Nederlanders. “Maar we moeten naar Roosendaal”, probeert er een. “Niks mee te maken, ge hebt zopas staan wateren tegen de trein.” De Nederlander probeert ruzie te zoeken, maar zijn maat kiest eieren voor zijn geld. “Kom op joh, zo meteen halen ze de Rijkswacht erbij.”

Reportages in de Belgische televisieprogramma's Kilimanjaro en Zeker Weten over het onbeschofte gedrag van Nederlanders in Antwerpen hebben dit weekeinde voor opmerkelijke taferelen in de Scheldestad gezorgd. Behalve de gebruikelijke lawaaiige troepen vrijgezellen streek ditmaal ook een aantal Nederlandse televisieploegen in Antwerpen neer, op zoek naar dronken Hollanders. En inderdaad bleken die voor het oog van de camera maar al te graag uit de broek te willen gaan.

Vooral Luc Dumez, eigenaar van cafe La Luna nabij de Grote Markt, mocht zich in een zeer grote belangstelling verheugen.

Als eerste heeft hij een 'buitenwipper' neergezet, die consequent alle Nederlanders uit het cafe weert. Zowel opgeschoten jongeren als keurige oudere echtparen zijn niet meer welkom in La Luna. Wij mogen voor een praatje wel naar binnen. Dumez: “Den Ollanders jatten alles mee, tot mijn spiegels en planten aan toe. Ze gooien glazen kapot of urineren erin en zijn super-onbeschoft.” Hij herkent ze zolangzamerhand al vanaf grote afstand: “Dat is gemakkelijk, ze hebben allemaal zo'n goed ontwikkelde bovenkaak.”

In cafe Il Mondo, tegenover La Luna, worden de nuances aangebracht. “Wij zijn niet tegen Hollanders, maar tegen een bepaald soort Hollanders”, meent de barkeeper. Gezeten op een barkruk bekijken we de taferelen die zich op dat moment in de straat afspelen. Een Hollander in een geel-fluwelen kleed met wijde armsmouwen loopt langs de verschillende cafe's. Op zijn voorhoofd kleeft een grote oranje snavel, een sinaasappelkleurige maillot siert zijn benen. Zijn voeten steken in grote gele sloffen en aan zijn arm bengelt een mandje met eieren. Iedere voorbijgangster krijgt zo'n ei in de handen geduwd. Zijn vrienden gieren van het lachen en schieten het ene fotorolletje na het andere vol.

De Antwerpenaren zelf begrijpen niet goed waarom er nu opeens zoveel aandacht is voor het uitgaansgedrag van de Hollanders.

De afgelopen tien jaar is het aantal overnachtingen van Nederlanders in Antwerpen verdubbeld van 100.000 tot 200.000 per jaar en het massale gehos en gelal vindt er al een jaar of vier vrijwel ieder weekend plaats. Marc Schoetens (41), de Antwerpse journalist van het Vlaamse dagblad De Morgen, relativeert de zaak dan ook: “Vorig jaar stonden de Belgische kranten vol over Brusselse Marokkanen die hier in Antwerpen de boel zouden verzieken. Dit jaar zijn de Hollanders aan de beurt. En ik voorspel dat volgend jaar de Oost-Europeanen het gedaan hebben.”

De stemmen van vrouwen tussen de 20 en 50 jaar, allen getooid met goudkleurige carnavalspetjes, toeters en ratels, klinken schel over de Grote Markt. Het slachtoffer van hun lol, een jonge bruid in spe, is gedoemd tot het dragen van een sandwichbord met daarop de tekst 'Ik ga trouwen, dom he?'

Een uitbater van cafe Witzli Poetzli heeft een bijzondere verklaring bedacht voor het fenomeen van de luidruchtige Hollander. “Het verschil tussen Hollanders en Belgen is historisch gegroeid. Nederlanders zijn overal geweest en dat laten ze blijken ook. De meesten zijn arrogant en pedant. Als ze binnenkomen, kijken ze recht voor zich uit. Ze zullen zich niet afvragen hoe wij hier met elkaar omgaan”, aldus Guido Dhaen.

Ook die verdomde loyaliteit en zogenaamde gezelligheid zit Dhaen dwars. “Ik zit samen met een vriend in een cafe een glaasje te drinken. Die vriend zegt 'Proost Guido'. Vervolgens slaat een mij onbekende Hollander mij op de rug en roept: 'Ja Guido, laat hij je goed smaken.' De halve inhoud van mijn glas is inmiddels over de bar gevlogen. Op dat moment kan ik die vent wel een mep op zijn gezicht verkopen.”

Iedere Antwerpenaar heeft zo zijn mening over de noorderburen. Maria, eigenaresse van het frieten-kot in de Grote Pieter Potstraat dat tot diep in de nacht openblijft, heft haar handen ten hemel als het onderwerp ter sprake komt. Het hele weekeinde hoort ze al niets anders. Die Hollanders zijn dan wel onbeschoft, van dank je wel en alsjeblieft hebben ze nog nooit gehoord, maar we moeten niet vergeten dat ze veel franken in het laadje brengen. Al maken ze zoveel lawaai dat haar trommelvliezen er soms van springen.

Bleke neuzen en rode vlekken tekenen de volgende ochtend de gezichten van de feestvarkens. Op weg naar de Vogelenmarkt - door de Nederlanders steevast vogeltjesmarkt genoemd - zien we de eerste groepen vrijgezellen al weer op de terrassen hangen.

Een zonnebril beschermt de waterige ogen tegen het licht, koffie en sigaretten moeten de rest van het lichaam wakker schudden. Onvermoeid dreunt de disco alweer over de Keyserlei: Pump, pump, pump, pump it up.