Wachten op de drempel van Robben Eiland; De Boeren spelen een vreemd en frustrerend spel

De verwachte vrijlating van de politieke gevangenen van Robben Eiland bleef uit in februari 1990. Toch was de toespraak van president De Klerk zo veelbelovend geweest, dat verschillende families vast naar Cowley House trokken om daar hun geliefden te kunnen begroeten. Ook de volgende data verstreken zonder grootscheepse vrijlatingen. Af en toe arriveerden er hooguit onaangekondigd wat ex-gedetineerden op de stoep van het pension. Nu is alle hoop gevestigd op 30 april, maar niemand durft al te optimistisch te zijn: 'One can't trust the Boers'.

De vrouw van Ahmad Kassim stond vorig jaar februari te wachten op de kade, toen de vrijlating was beloofd. En in juni, toen het akkoord erover was gesloten, opnieuw. Op de deadline-datum van de eerste september was de kade nog steeds winderig en leeg, het eiland lag als een mistige streep in de verte. Ahmad Kassim kwam niet vrij. Ze wacht nu op dertig april, de nieuwe door de Zuidafrikaanse regering beloofde datum voor vrijlating van de politieke gevangenen. Op bezoek was ze al zo vaak geweest, twee, drie keer per jaar gedurende al die jaren. Zo kende ze het eiland: eerst werd je zeeziek van de golven en vergat je wat je zeggen wou door het geroep en geduw van de norse bewakers. Dan was er de stalen poort, waarboven gegraveerd stond: Welcome to Robben Island.

Er liggen veel eilanden voor de kust van Kaapstad. De gezellige jongen van het toeristenbureau op het vliegveld had er kaartjes van. Daar was een vuurtoren, daar een wit strand, daar heuvels, een baai, zeldzame vogels. Robben Eiland stond er niet op, niet voor de toeristen, al is ook daar een wit strand met blauwe zee en picknickfaciliteiten. Die zijn er voor de gezinnen van de bewakers, als ze hun mannen en vaders opzoeken tijdens de weekenddiensten.

De moeder van gevangene Jabu Moloi is bang voor de zee. Elke keer weer ziet ze als een berg op tegen de tocht in het veerbootje over de golven. Ze komt uit Orlando East in Soweto en voor haar is 'zee' niets anders dan een griezelige barriere rondom het eiland, een door het systeem bedachte extra valkuil tussen haar en haar zoon. Maar vroeger was het nog erger, herinnert ze zich: toen zat je als niet-blanke onderin het veerbootje, in de stampvolle benauwde donkere ruimte, waar geduwd werd en overgegeven, toch vaak dankbaar omdat het eindelijk zover was, je bezoekaanvraag was niet weggeraakt op het ministerie of zonder uitleg afgewezen of niet bekrachtigd toen je hier eenmaal was.

Dat was het ergste: de drie dagen in de trein, waarvoor je een half jaar gespaard had en dan de teleurstelling als het toch niet doorging.

Als je niemand kende in Kaapstad waar je kon overnachten moest je meteen weer terug.

Nu, sinds de bordjes whites only zijn weggehaald, mag iedereen aan dek. Nu zie je op het veerbootje de microcosmos van het nieuwe Zuid-Afrika: blanke kinderen met zwembandjes en schepjes met hun babbelende moeders in shorts en zonnehoeden, naast strak voor zich uitkijkende zwarte vrouwen en hun krijsende kinderen, die bang zijn voor de zee en de stalen poort.

Siddering Tegenwoordig kun je ook ook wachten in Kaapstad, overnachten in het pension dat eind jaren zeventig door de kerkorde van de Cowley Fathers voor dat doel werd gesticht. Cowley House, aan de voet van de Tafelberg op een kale heuvel, heeft een twintigtal kleine kamertjes.

Als je de heuvel op loopt, kun je ver beneden de kade zien en bij helder weer ook het eiland. In februari 1990, na de historische toespraak en de beloften van F. W. de Klerk stroomde het huis vol met families: er waren taarten, slingers, bloemen, een spandoek met 'Welcome' en er hing een siddering in de lucht van hoop en vrees: zouden ze komen, zouden ze elkaar nog kennen na tien, veertien jaar?

Zouden ze fit zijn of depressief? Er kwam niemand. Toen, op een zaterdag in augustus reed er ineens een vrachtwagen de straat in, heuvel op, met achtentwintig tegen elkaar aangepakte mannen die elk een half uur tevoren hadden vernomen dat ze vrijgelaten zouden worden. Op dat moment waren er ''gelukkig twee stafleden aanwezig''

zegt de mevrouw van de administratie, er was dus enige opvang. Zo is het nog een paar keer gegaan: geen vrijlating als die verwacht wordt en dan ineens werden er, voor iedereen onverwacht, tien of twintig ex-gevangenen voor de deur gedumpt. Gewoon treiterij, zegt de mevrouw van de administratie van Cowley House, al luidt de officiele term voor dit gedoe natuurlijk 'administratieve vergissing'. Zoals er al die jaren al 'administratieve vergissingen' worden begaan met de bezoekaanvragen van familieleden.

Don Moloi, de broer van Jabu, diende in de afgelopen drie jaar vijf keer een aanvraag in voor een bezoek aan zijn broer. Vier keer raakte die ergens op een ministerie zoek. De vorige keer, in juni, kreeg Jabu van de gevangenisautoriteiten de mededeling dat Don zou komen. Hij werd in de bezoekruimte gebracht, maar Don kwam niet opdagen. Niet omdat hij zich had bedacht, maar omdat hij voor de vierde keer had vernomen dat zijn formulier was zoekgeraakt. Maar nu is het er dan toch van gekomen en Don heeft weer hoop. ''We kunnen twee keer naar hem toe in de drie dagen dat we hier zijn'', zegt hij tegen zijn moeder, die meegekomen is. ''Dat betekent toch al dat er iets is veranderd? Je zult zien, straks nemen we hem mee terug.'' De oude zwarte vrouw leunt peinzend tegen de boom op het binnenplaatsje en droogt haar handen af aan haar schort. Ze komt net van de afwas in de gemeenschappelijke keuken, de families doen hier het huishouden zelf.

''Twee keer een half uur bezoek'', zegt ze. ''En vier keer een uur op die boot. Daarvoor ben ik hier.'' Ze heeft zich ingeprent dat ze niet moet geloven aan meer, je wordt maar cynisch van die voortdurend aan gruzelementen geslagen hoop. ''Ik leef bij de dag'', zegt ze, en: ''Eerst geloven, dan zien. Als ik iets heb geleerd in mijn hele leven, is het dit: one can't trust the Boers.''

Ford Bloemfontein In een van de kamertjes boven zit Nontsokolo Mohapi, de vrouw van Simon. Zij heeft de houding van een guerrilla-vechtster: rechtop, serieus, zwijgzaam. Haar man werd eerst in 1983 veroordeeld en later, na zijn vrijlating, in 1987 nog een keer, beide keren voor ''het onderdak bieden aan terroristen''. Zij werd daarvoor nooit gearresteerd, ze woonden weliswaar samen maar als vrouw geloven ze je soms, als je zegt dat je er niets van wist. Hun huis staat in Phahameng-townschip, aan de rand van het blanke fort Bloemfontein.

''Het is een van de moeilijkste plaatsen om politiek actief te zijn, zelfs nu het ANC legaal is'', zegt ze. ''Vergaderingen, demonstraties worden voortdurend onmogelijk gemaakt, mensen gearresteerd en mishandeld.'' Nontsokolo, moeder van twee dochters van zeven en negen jaar, is desondanks altijd doorgegaan met de activiteiten in de buurt.

Van haar gezicht valt niet af te lezen hoe moeilijk het is geweest. ''In de buurt is een krottenwijk waar de mensen geen water hadden. We hebben voor ze gevochten en nu is er water,'' zegt ze emotieloos, alsof ze verslag doet van een saaie dag op kantoor.

Ze heeft zichzelf, net als moeder Moloi, aangeleerd om niet teveel hoop te hebben. ''De Boeren spelen een vreemd en frustrerend spel van hoop en teleurstelling. Ze willen ons breken, dat hebben ze altijd gewild. Maar we zijn taai. We kennen dit al zo lang.'' Nontsokolo Mohapi verwacht geen problemen met haar man, als ze elkaar, straks of over een tijdje, weer dagelijks zullen meemaken na zeven jaar scheiding. ''We share the struggle.''

Lorraine Jwara is negenentwintig en komt uit Alexandra-township. Zij dagdroomt op het smalle bed in een van de kamertjes over de vrijlating van David, haar man. Hij verliet het land om te gaan vechten, nu negen jaar geleden, toen ze in verwachting was van hun tweede kind. Drie jaar later zag ze hem terug op het eiland. Daar trouwden ze toen, op de vijfde mei. Nee, ze heeft hem nooit verweten dat hij vertrok. ''Hij vroeg of ik meeging, maar ik was bang. Ik zei: ga jij maar.''

Sindsdien woont ze met de kinderen, nu tien en acht jaar oud, bij zijn ouders. David had hen niets verteld over zijn plan ''to join the struggle''. Het was altijd een ongeschreven wet: vertel het liefst niemand, ook je ouders niet. Niets weten is beter voor hun eigen veiligheid. Lorraine kon ook niets laten weten aan haar schoonouders, die zich negen jaar lang over de kleinkinderen ontfermden in de veronderstelling dat hun zoon zijn gezin zomaar in de steek had gelaten. ''Zijn moeder was altijd erg boos op hem'', zegt Lorraine.

''Pas toen er wat meer openheid kwam en zelfs de kinderen op straat begonnen te zingen over Mandela, toen heb ik het verteld. Omdat ik wist dat ze het toen pas zouden kunnen begrijpen.''

David zal straks warm ontvangen worden in het ouderlijk huis, dat weet ze zeker. Een eigen woning zit er voorlopig nog niet in: Lorraine verdient de kost achter de kassa van een warenhuis, maar het salaris is te laag om een eigen huis te kunnen huren. ''En hij zal misschien niet zo gauw een baan kunnen vinden'', zegt ze. Loraine is op alle problemen voorbereid door de afdeling Alexandra van de Women's League van het ANC. ''We moeten als vrouwen erg geduldig zijn, hebben ze ons verteld. De mannen kunnen veranderd zijn, psychische problemen hebben.

We mogen niet teveel van hen eisen.'' De terugkeer betekent, behalve hereniging, ook een extra belasting voor de vrouwen. Hoewel zij al die tijd onder de meest onmogelijke omstandigheden de rol van familiespil en kostwinner hebben vervuld, wordt over hun problemen nog steeds niet veel gesproken. Ook door de Women's League niet, blijkbaar.

''O jawel hoor'', zegt Lorraine met schitterogen, ''soms staat iemand op om te zeggen dat mannen voortaan ook mee moeten doen in het huishouden, wassen en strijken . . .'' Ze giechelt. ''Ik weet niet of David het daarmee eens is.''

Weet ze na negen jaar nog wie David is? Het antwoord komt nu met een luide proestlach en wijd opengesperde ogen: ''Nooo! Natuurlijk niet!

Maar ik weet dat hij veel van me houdt - dat schrijft hij me, altijd.''

Als ik op het punt sta om Cowley House te verlaten, komt een oude man op krukken de poort in. Hij lacht en roept hallo, blij met een nieuw gezicht, iemand om mee te praten. Zijn naam is John Thabo, hij kwam drie dagen geleden van het eiland, na dertien jaar. Het was in eerste instantie geen vrijlating, maar een overplaatsing naar het ziekenhuis voor behandeling van zijn gebroken been. De dag na de operatie werd hij bezocht door twee ambtenaren, die hem vertelden dat hij de volgende dag vrij zou komen, dat hij niet terug zou hoeven. ''Ik had pijn'', zegt hij. ''Ik vond dat ze me niet voor de gek mochten houden, nu ik zo'n pijn had. Ik zei, kom nog maar eens terug. Ze bezwoeren me dat het echt waar was. Maar ik geloofde het nog steeds niet. Een paar dagen later stond ik op straat.''

Hij moet in het ziekenhuis zijn fysiotherapie afmaken en is daarom nog een week op Cowley House aangewezen. Min of meer alleen, want de wachtende families hier zijn de zijne niet.

Twee dochters in het thuisland Venda, die vier en twee jaar oud waren toen hij vertrok, zijn de enigen die hij nog heeft. Hij heeft ze nog niet gezien. Hij wist ook niet, vertelt hij, of ze hem nog wel terug wilden hebben. Wat kennen ze hem nu? Met hun moeder heeft hij geen contact meer. De kinderen zelf zijn niet vaak op bezoek geweest in die dertien jaar, zo'n reis kost veel geld. ''Maar gisteren'', zegt hij - en dan is duidelijk waarom hij de hele tijd zo staat te stralen - ''gisteren hebben ze gebeld. Hiernaartoe! Om te vragen wanneer ik kom!''

Lansdowne Er is nog een plek in Kaapstad waar gewacht wordt: het huis van de vijf zusters Marsh in Lansdowne, de kleurlingenwijk. Het is een naargeestig niemandsland, dit stille en uitgestrekte Lansdowne waar ooit de Kaapse kleurlingen, uitgestoten uit de blanke gemeenschap, werden neergezet. ''Kleurlingen zijn non-persons, niet wit, niet zwart, ze horen nergens bij'', heeft presidentsvrouwe Marike de Klerk niet zo lang geleden nog gezegd. Lansdowne zelf heeft wel iets van een eiland, niet achter een cordon van water, maar achter een wal van tragedies.

bezoek 'overnam'. De zusjes hadden er zelf een broer die vaak genoeg bezoek kreeg, ze waren immers met zijn vijven; dus verdeelden de overigen zich bij toerbeurt over de gevangenen wier familie te ver weg woonde. Die gevangenen werden hun 'vrienden'. Er was geen wet die voorschreef hoe vaak je van 'vriend' mocht wisselen en dus hadden de zusjes Marsh soms wel twaalf vrienden per persoon per jaar. Totdat er een nieuwe wet kwam, die bezoeken van non-relatives verbood. Om er nog te komen hadden de meisjes moeten trouwen, maar ook dat kon niet al zouden ze het gewild hebben: zij waren coloured, de meeste gevangenen zwart.

Maar het contact bleef. Families die in Kaapstad 'nee' te horen hadden gekregen - en die van de Marsh's wisten - konden in Landsdowne blijven overnachten zo lang als nodig was om de bureaucratie te doorbreken. Al was de officieel toegestane logeertijd voor anders-gekleurden slechts 72 uur.

De zusjes Marsh zijn nu tussen de veertig en zestig jaar oud. Lettie, de jongste, en Ray, de oudste, zijn nooit getrouwd. Hun sociale leven speelt zich af in de kringen van ex-gevangenen en de families van hen die er nog steeds zitten, waar ze ook wonen. Ray spaart voor een trip naar Durban, waar enkele van haar vrienden nu al zijn: belangrijke ANCers inmiddels, die nog steeds, al zijn ze nu vrij, verlangend uitkijken naar haar bezoek.

Dit soort contacten over de kleurgrenzen heen is uitzonderlijk in Lansdowne, de stille wijk van hen die nergens bij horen, de families die elk afzonderlijk hun eigen geschiedenis dragen van verstoten zijn door hun blanke oma's, vaders en ooms. In Lansdowne horen de Marsh's tot de weinigen die ontsnapt zijn aan het verstikkende vacuum waarin apartheid de kleurlingen heeft bijgezet. Gek genoeg danken ze dat aan het eiland.

De networks zullen zich misschien moeten specialiseren: ze maken nu bij voorbeeld alle drie identieke nieuwsprogramma's die weinig toevoegen aan wat CNN al eerder op de dag heeft geboden. In New York wordt gefluisterd dat NBC als eerste zijn nieuwsdivisie zal sluiten.