VACLAV HAVEL en het geheim van Midden-Europa

Naar alle windstreken door Vaclav Havel 320 blz., De Prom 1990, vertaling Richard Ernest en anderen ('Do ruznych stran' 1989), f 29,50 ISBN 90 68012 46 0

Er zijn waarschijnlijk niet veel Europese staatshoofden die zichzelf als amateur in de politiek zullen omschrijven, en er vervolgens aan toe voegen dat ze licht in paniek raken en zelfs al schrikken als de telefoon rinkelt. Vaclav Havel loopt nog steeds aangenaam uit de pas, zoveel is wel duidelijk geworden na ruim een jaar presidentschap. Ook als eerste burger van zijn land blijft hij de wat verbaasde beschouwer van zijn eigen lotgevallen. ''Ik vind mijn paradoxale leven hoogst onderhoudend,'' zegt Havel enigszins schertsend. En hij is niet de enige.

In de onlangs in Nederlandse vertaling verschenen bundel Naar alle windstreken is de lange omweg van Havel gedocumenteerd. Het boek bestaat uit zevenendertig teksten van een zeer uiteenlopende aard.

Naast essays als 'Politiek en geweten' en 'Story en totalitarisme' treft men interviews, brieven uit de gevangenis en toespraken aan.

Hoewel zijn belangrijkste essay niet in deze bundel is opgenomen ('Poging om in waarheid te leven', bij Van Gennep gepubliceerd) en ook zijn toneelwerk buiten beschouwing is gelaten, blijft er genoeg over.

Bijeen genomen geeft het boek, dat opent met een beschouwing uit 1968 en eindigt met de nieuwjaarstoespraak in 1990 van de zojuist gekozen president, een divers beeld van de gedachtenwereld van Havel. Wat direct opvalt in deze bundeling is de grote mate van consistentie in het denken van Havel door de jaren heen; van opzienbarende verschuivingen in zijn opvattingen is geen sprake.

Naar alle windstreken opent met de positiebepaling van Havel ten opzichte van de Praagse Lente van 1968. Natuurlijk sympathiseerde hij met de pogingen om zijn land een democratischer aanzien te geven, maar hij besefte terdege dat Dubcek en de zijnen tegelijk de gevangenen waren van hun loyaliteit jegens Moskou. Verder blijkt dat de hele machtsstrijd binnen de communistische partij hem als niet-communist weinig zei. Vooral de elitaire houding van de partijleden wekte de wrevel van de buitenstaander. Havel gaat in zijn artikel een stap verder dan de hervormers en kiest onomwonden voor politiek pluralisme.

KRITISCHE REDE

Binnen de Tsjechische Schrijversbond was hij trouwens al eerder in aanvaring gekomen met de hervormingsgezinde communisten. Op het vierde schrijverscongres in 1967, dat als een belangrijke voorloper van de Praagse Lente geldt, hield Havel een kritische rede. Aanleiding was het verbod van het blad Tvar waarvan Havel redacteur was. Ook de hervormers maanden hem het rustig aan te doen met zijn protesten, er stonden immers zoveel grotere belangen en idealen op het spel. Maar Havel was koppig: als het zelfs niet mogelijk was een eigenzinnig blad uit te brengen, wat hadden al die meeslepende verhalen over een 'socialisme met een menselijk gezicht' dan voor zin. Deze affaire leerde hem dat het belangrijk is om altijd voor concrete, 'kleine'

zaken te vechten en niet verwikkeld te raken in eindeloze ideologische debatten met de machthebbers. Elders schrijft Havel zelfs dat deze ervaring beslissend is geweest voor zijn ontwikkeling tot 'dissident'.

Zijn enige direct politieke daad tijdens de maanden van de Praagse Lente was het schrijven van het artikel waarin hij de oprichting van een oppositie-partij bepleitte. ''Als de communisten het recht hebben zich af en toe te vergissen, moeten de niet-communisten de garantie krijgen dat zij af en toe gelijk hebben; anders heeft het allemaal geen zin.'' Jaren later zei hij overigens spijt te hebben van dit voorstel. Omdat hij destijds helemaal niet van plan was om daadwerkelijk mee te helpen aan de oprichting van een alternatieve partij, vond hij achteraf dat hij ook niet het recht had om tot de vorming van zo'n partij op te roepen.

Nadat de hervormers in augustus 1968 met harde hand door Moskou tot de orde waren geroepen, brak voor Tsjechoslowakije de tijd van 'de normalisering' aan. Een grauwe onderdrukking daalde over het land neer. Niet alleen werden de politieke opposanten uit de partij gezuiverd, maar een algehele vernedering van de intelligentsia van het land werd nagestreefd. Hoogleraren kon men ineens ramen zien lappen en de directeur van een theater moest zich als stoker in de kelder van een ziekenhuis redden.

ZUIVERING

Net zoals in de jaren vijftig, ging in het decennium na het neerslaan van de Praagse Lente de zuivering van het officiele leven veel verder dan in de buurlanden Hongarije en Polen. In die landen werden oogluikend allerlei oppositionele groepen getolereerd en bestonden er tal van raakpunten tussen de officiele en dissidente cultuur. Niet in Tsjechoslowakije, daar was de vervreemding bijna totaal. Dat isolement van de oppositie vormt een belangrijke achter-grond voor het denken van Havel.

Van 1969 tot 1975 leefde hij naar eigen zeggen in 'een enkele vormloze mist'. De volstrekte stagnatie deed hem het besef van geschiedenis verliezen: ''Het leek of de tijd stukspatte in een regen van vervangbare ogenblikken.'' Dat deze gelijkschakeling samenviel met een hoogtepunt in de ontspanning tussen Oost en West maakte het allemaal extra bitter.

De stilstand begon en eindigde voor Havel met een brief: in 1969 schreef hij een lang epistel aan de gevallen leider, Alexander Dubcek en in 1975 schudde hij de apathie van zich af en richtte het woord tot de nieuwe leider van het land, Gustav Husak (deze laatste brief staat niet in Naar alle windstreken). De brief aan Dubcek is het interessantst omdat hierin de kern van zijn denkbeelden over de verhouding van politiek en moraal vervat ligt. Havel trekt de vergelijking tussen het dilemma van Dubcek, die onder zware druk stond zijn denkbeelden publiekelijk af te zweren, en dat van de Tsjechische president Edward Benes in de tijd van de appeasement: ''Toen waren het juist de communisten die de suggestieve argumenten voor de capitulatie het hoofd wisten te bieden en heel goed begrepen dat een feitelijke nederlaag niet ook een morele nederlaag moet worden en dat bovendien een morele overwinning later een feitelijke overwinning kan worden, wat een morele nederlaag nooit kan.'' Havel drukte Dubcek op het hart dat hij voet bij stuk moest houden en zijn idealen moest blijven uitdragen. De werkelijkheid liep anders: Dubcek herriep zijn standpunten niet, maar verdedigde ze ook niet. Hij zweeg en werd boswachter in Bratislava.

Het duurde even voordat Havel het woord hervond, maar vanaf dat moment ging hij schijnbaar onverstoorbaar zijn gang en groeide uit tot het symbool van de Tsjechoslowaakse oppositie, zoals die vooral vorm kreeg in Charta 77. In deze jaren schreef hij zijn langere essays, die zonder aarzeling zijn belangrijkste geschriften kunnen worden genoemd.

Het zijn beschouwingen over het totalitarisme als onderdeel van de crisis van de moderne beschaving, over de verhouding van politiek en moraal in Oost-Europa, en over de relatie van vrede en mensenrechten.

Zijn essays beogen vooral een filosofie van burgerschap in Midden-Europa te formuleren.

LOFZANG De houding van Havel die uit zijn analyses spreekt, heeft iets tweeslachtigs: een sterk cultuurpessimisme wordt gekoppeld aan een lofzang voor de hoop. Het lijkt wel of naarmate de kans kleiner werd te ontsnappen aan de algehele politieke en culturele neergang, Havels pleidooi voor mensenrechten aan hartstocht won.

In feite wordt de grondslag van Havels overwegingen gevormd door zijn specifiek Tsjechoslowaakse ervaringen, waaraan hij een universele betekenis toekent. ''Ik ben ervan overtuigd dat datgene wat 'dissident' genoemd wordt in het sovjetblok, een specifiek moderne ervaring is, namelijk de ervaring van het leven op de uiterste rif van de moderne, ontmenslijkte macht,'' schrijft hij. Het totalitarisme staat volgens hem niet op zichzelf, maar is ''een bolle spiegel van de gehele moderne beschaving en een harde - misschien wel laatste - oproep tot een algemene herziening van haar zelfbeeld''. Zijn cultuurpessimisme is verwant aan de radicale verwerping van de moderne 'consumentistische' cultuur, zoals die ook door George Steiner is verwoord.

Het 'Westen' is dus voor Havel lang niet in alle opzichten een voorbeeld, maar eerder een onderdeel van de crisis. De oorsprong van de ellende zoekt hij in een 'arrogant antropocentrisme'. De moderne mens heeft volgens hem 'elke relatie met de natuurlijke omgeving'

verloren en heeft geen gevoel meer voor de maat der dingen. In wat Havel omschrijft als de 'eerste atheistische beschaving' is de persoonlijke verantwoordelijkheid verdwenen achter een anonieme machtsuitoefening die zich beroept op een wetenschappelijke wereldbeschouwing: ''Als toppunt van dit alles schiep de mens de illusie van een wetenschappelijk te berekenen en zuiver technisch te verwezenlijken 'welzijn voor allen'. Zo bezien is het Oosteuropese socialisme vooral een groteske uitvergroting van een tendens die inherent is aan de gehele Europese beschaving.''

De toneelstukken van Havel, die in hun absurdisme doen denken aan het werk van Eugene Ionesco en Samuel Beckett, zijn geheel vanuit deze achtergrond geschreven. In bijna al zijn stukken staat de door hem gesignaleerde onmogelijkheid van zinvolle communicatie centraal. Wat Havel schildert, is een bureaucratisch universum waar de taal tot inhoudsloos ritueel verwordt. Over de traditie waarin zijn toneel staat, heeft hij ooit gezegd: ''Deze toneelstukken zijn niet nihilistisch. Ze vormen meer een waarschuwing. Op een wel heel schokkende manier confronteren ze ons met de vraag naar betekenis door de afwezigheid ervan te verbeelden. Het absurde toneel verschaft ons geen troost of hoop. Het herinnert ons eraan hoe we leven: zonder hoop.''

Maar uit Naar alle windstreken wordt duidelijk dat zijn essays evenzeer op een andere poot staan: een oervertrouwen in een menswaardig alternatief. Havel bepleit een levenshouding die men een 'moraal van de machteloosheid' zou kunnen noemen. De kernzin van het boek is: ''...hoop - zonder welke men niet zinvol kan leven - is een geestesgesteldheid, geen wereldgesteldheid.'' Aan het succes in de buitenwereld kan men niets afmeten, wil hij zeggen, geestelijke autonomie is veel belangrijker als bron van hoop. Er zijn zaken waarvoor het waard is te lijden, ongeacht de resultaten die men daarmee bereikt; hoop is wat anders dan prognose of optimisme.

MOREEL FUNDAMENT

Havel bepleit wat hij een 'anti-politieke politiek' noemt, dat wil zeggen een politiek die op een moreel fundament staat. De weerstanden tegen de almacht van de staat moeten gezocht worden in het 'voor-politieke', het 'leven', de 'tweede cultuur'. De veelvormigheid die onvervreemdbaar bij het leven hoort, ondermijnt volgens hem de 'eendimensionale macht' van de traditionele politiek. Charta 77 was dan ook geen poging tot een traditionele politieke oplossing van de Tsjechoslowaakse crisis: ''De enige logische en zinvolle weg voor de burger uit de morele crisis van de maatschappij is een morele weg.''

Havel noemt dat het streven naar 'leven in waarheid'. Het begin- en eindpunt daarvan zijn volgens hem gelegen in persoonlijke verantwoordelijkheid waaraan niemand zich kan onttrekken met een beroep op de moeilijke omstandigheden. Wat Charta bijeenhield, was geen programma, maar louter het geloof in het open einde van elke democratie waar verschillende waarheden kunnen botsen. Het 'leven in waarheid' beoogt dan ook niet een nieuw monopolie op een waarheid te vestigen.

Havel realiseert zich, zo blijkt ook uit deze bundel, heel goed de gevaren die de egocentrische dissident in zijn kat-en-muis spel met de macht bedreigen. Al dat verheven geredeneer over moraal heeft ook iets belachelijks: ''... een mens kan licht de indruk wekken pedant te zijn ...'' Maar hij is het meest beducht voor de valkuil van de ernst. De loden stijl van de heersende macht dient niet te worden nageaapt maar dient juist lichtvoetig tegemoet te worden getreden. Juist in het verbond van het ernstige en het komische ligt volgens hem het geheim van Midden-Europa, dat niet verraden mag worden.

Een voorbeeld van dat 'geheim' is zijn 'Brief aan de procureur-generaal' uit 1985. Daarin doet hij verslag van een vakantiereis waarbij hij nogal door de politie (SNB) wordt gehinderd.

Havels droge conclusie: ''Mijn reis zette naar mijn ruwe schatting - direct of indirect en voor uiteenlopende tijdsduur - zo'n driehonderd mensen van de SNB aan het werk en kostte de Tsjechoslowaakse schatkist minstens honderd keer zo veel als hij mij kostte.''

Naar alle windstreken maakt duidelijk dat in Havels pleidooi voor de 'anti-politiek' twee ervaringen bijeenkomen, die hij onvoldoende uiteen rafelt. De ene is een typische Tsjechische, namelijk de ongewilde marginalisering van een zoon uit de gegoede burgerij van voor de oorlog. In het communistische Tsjechoslowakije wordt alles wat afwijkt meedogenloos onderdrukt. Het is zinloos om in zo'n gesloten stelsel een politieke confrontatie aan te gaan, daarvan was Havel al snel overtuigd. Een conflict tussen gelijkwaardige opponenten is onmogelijk, een morele omweg is nodig.

In deze zin is zijn credo 'leven in waarheid' het produkt van een regime dat drijft op een alles doordringende leugenachtigheid om een algemene geldigheid te kunnen pretenderen. Bij een meer democratische omgeving hoort nu eenmaal een relativistischer levenshouding. Ook zijn wel erg woeste cultuurkritiek heeft meer, hoewel zeker niet alles, te maken met de ongeremde (cultuur)vijandigheid van het Tsjechoslowaakse regime dan Havel wil toegeven.

WANTROUWEN

De andere ervaring heeft een veel algemenere strekking, namelijk de gewilde marginalisering van een intellectuele criticus. Zijn wantrouwen tegen de macht van partijpolitiek, niet alleen in het Oosten, maar ook in het Westen zoals hij uitdrukkelijk zegt, is van alle tijden. Het leunt dicht aan tegen de opvattingen in Thomas Manns Betrachtungen eines Unpolitischen en Menno ter Braaks Politicus zonder partij. Daarmee is allerminst gezegd dat het een onomstreden positie is.

In het algemeen kan men zeggen dat Havel de specifieke omstandigheden waarin hij heeft verkeerd wel erg gebruikt voor 'tijdloze'

beschouwingen. Dat heeft ook te maken met het publiek waar Havel zich tot richt. Hij neemt geen genoegen met louter Oosteuropese lezers, ook de Westerlingen wil hij toespreken en ze duidelijk maken dat het lot van het 'Andere Europa' hen direct aangaat.

Ook in een ander opzicht wil Havel tot het Westerse publiek spreken. In zijn essay 'De anatomie van een terughoudendheid' probeert hij zijn aarzelingen ten opzichte van het Westerse pacifisme te verduidelijken.

Geduldig legt hij zijn weerzin uit tegen het pathetische van de vredesactivisten en vraagt begrip voor zijn afkeer van het woord 'vrede': ''Het woord 'vrede' - zoals ook de woorden 'socialisme', 'ons land' of 'het volk' - is slechts een sport van de ladder geworden, waar handige mensen langs omhoog klimmen.''

De jaren tachtig waren dan ook lang, erg lang voor de Tsjechoslowaakse opposanten. Herhaaldelijk zat Havel gevangenisstraffen uit, de langste in de periode van 1979 tot 1983. In een van zijn brieven uit de gevangenis schemert het isolement van de Tsjechische oppositie door.

Havel probeert zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat het niet zo erg is als er een tijd lang niets gebeurt: ''Daar waar het leven niet is dichtgemetseld achter de uiterlijke schijn van 'wat er gebeurt' en waar het feit dat er 'niets gebeurt' niet automatisch als een dodelijke toestand wordt gezien, kan zelfs een trots, waardig en zelfverzekerd stilzwijgen zinvol klinken.'' In deze stille jaren waarin er geen rimpeling in de bevroren vijver zichtbaar was, werd het fundament waarop de hoop rustte wel buitengewoon fragiel.

Pas eind 1988 brak het ijs en werden de protesten massaler. Havel werd weer voor korte tijd gearresteerd en terug uit de gevangenis schreef hij: ''De kaarten liggen op tafel. Hoe het spel zal verdergaan, valt niet te zeggen. Het belangrijkste is dat het 'spel' is begonnen ...''

Havel bedoelde dat eindelijk de fase van marginale kritiek op het regime voorbij was en een werkelijke politieke confrontatie aanstaande was. Toen een jaar later de Muur viel, was er inderdaad geen houden meer aan. En zo zagen we de onzekere, wat depressieve schrijver ineens in de catacomben van het theater Laterna Magica arm in arm met Dubcek de machtswisseling voorbereiden. En nog geen maand later zei hij als president in zijn nieuwjaarstoespraak: ''Het zou onverstandig zijn om de trieste erfenis van de laatste veertig jaar te zien als iets dat ons vreemd is, iets dat een ver familielid ons heeft nagelaten. We moeten deze erfenis zien als iets dat we onszelf hebben aangedaan.''

Een genereuze uitspraak voor iemand die zich bijna zijn leven lang in woord en gebaar tegen deze erfenis van het communisme heeft gekeerd.