Tien jaar Kounellis?

Hij is uit Californie gekomen om vandaag in Dordrecht een tentoonstelling te openen: 'De torso in Nederland - Ontwikkeling van de torso vanaf Rodin tot heden'. Maar in het voorbijgaan biedt professor Albert Elsen (63) geheel belangeloos een compromis aan voor het omstreden monument dat de minister van WVC op het pleintje voor het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer in Den Haag wil laten neerzetten.

Waarom het werkstuk van Jannis Kounellis niet voor bijvoorbeeld tien jaar aanvaarden? Om daarna kunstenaar, overheid en publiek opnieuw te laten kijken of het op die plek bevalt. “Steden veranderen zo snel dat de eeuwigheid van openbare kunst niet meer eeuwig duurt. Het is naief te denken dat je zo'n groot monument voorgoed in het hart van een stad neerzet”, zegt Elsen. In de Verenigde Staten helpt deze aanpak alle betrokkenen zonder al te veel ruzie en gezichtsverlies nieuwe monumentale kunst te aanvaarden, er aan te wennen en er soms weer van af te komen.

'Versteende energie', zou het ontwerp van de Italiaanse Griek brengen, geen ruiters en engelen. Het zou worden opgetrokken uit 'aardse grondstoffen' die bewijzen dat 'niet alle macht van boven komt'.

Aanhangers van het opperwezen in het parlement waren niet blij met die omschrijving van de betekenis van het monument in een vertrouwelijke brief aan de Kamer. Sommigen vinden het bovendien jammer dat het land voor het hoofdkwartier van zijn parlementaire democratie geen vaderlandse kunstenaar heeft gezocht. Anderen vinden gewoon dat Kounellis een plomp, hoog ding van gietijzer en steenkool heeft ontworpen, dat op deze bijzondere plek niet staat.

De kunstenaar en de man die hem heeft aanbevolen, directeur Fuchs van het Gemeentemuseum in Den Haag, gaven leden van de Tweede Kamer deze week op een avond tekst en uitleg. De commissie die de bouw begeleidt moet nu advies uitbrengen aan het presidium van de Kamer over de vraag of men het geschenk van de minister van WVC in de vorm van deze Kounellis al of niet in dank wil aanvaarden.

Elsen is hoogleraar aan Stanford University en, behalve vooraanstaand kenner van Rodin, de beeldhouwkunst en de kunstgeschiedenis in ruimere zin, ook mede-auteur van een standaardwerk over kunstrecht. Daarbij gaat het ook om problemen als: wie bepaalt wat een geschikt kunstwerk is ter nagedachtenis van een vorstin die het land tijdens de oorlog hielp pal te staan? Wat moeten bewoners van een seniorenflat aan met een neon kunstwerk op hun dak dat zij niet mooi of geestig vinden en dat hen onplezierig herinnert aan hun leeftijd?

'Kounellis op zicht' biedt veel voordelen, voorspelt Elsen: “Tien jaar is een redelijke periode voor een kunstenaar om zijn werk aan het publiek te laten zien. Na die tijd kan men zeggen: dit willen we houden, dit moet op de lijst komen. Of niet. Vaak zijn kunstenaars zelf niet meer tevreden; dan zijn zij blij dat zij hun werk van zo'n belangrijke plek mogen weghalen. Eventueel kan de kunstenaar het terugkopen. Misschien is er inmiddels een betere plek voor”.

Volgens Elsen maken kunstcritici op het terrein van de openbare kunst meestal de fout maar een keer te gaan kijken, bij plaatsing of opening. “Zij komen zelden na een half jaar terug. Maar wat de mensen die er op uitkijken, die hun boterham er iedere dag naast moeten opeten, er van vinden klinkt te weinig door in de beoordeling.”

Elsen definieert heel gedecideerd waar het publiek wel en niet bij nodig is: niet om vast te stellen of iemand kunstenaar is en of iets kunst is. Daar zijn collega's, kunsthistorici, museummensen en critici voor. Maar voor de vraag of een openbaar kunstwerk goed is, moet het publiek meepraten.

De discussie over het Wilhelmina-monument, die jaren heeft gesleept, had dan kunnen gaan over de vraag waar zij voor stond, hoe men haar herdacht. Die essentie had kunnen leiden tot iets minder traditioneels dan een gewild modern keienlint of de herdruk van een figuratief beeld (zoals de Van Pallandt die nu achter de Raad van State staat).

Misschien iets met water, groen, steen en teksten uit haar oorlogstoespraken, peinst Elsen, denkend aan een monument voor F.D.

Roosevelt dat na jaren tobben een dergelijke vorm vond. “Kounellis zou hier beschikbaar moeten zijn om wijd en zijd uit te leggen wat hij beoogt, wat zijn visie op de democratie is, wie hij is, waar zijn werk over gaat. Dat soort voorlichting is tegenwoordig bij nieuwe monumenten van een dergelijk belang in de Verenigde Staten een vereiste. Op het eerste gezicht doet zijn schets voor een monument bij de Tweede Kamer me meer denken aan een studie voor een wolkenkrabber.

Maar wie weet wat uitleg vermag.'' In de lezing waarmee Elsen vanmiddag de tentoonstelling in het Dordrechts Museum opent geeft hij een rijk geillustreerd overzicht van wat Rodin heeft teweeg gebracht in de beeldhouwkunst. Hij laat zien dat Kounellis een erfgenaam is van de vrijheid die Rodin heeft veroverd. Diens ontdekking, meer dan honderd jaar geleden, was dat een beeldhouwer niet een compleet menselijk lichaam hoeft af te beelden, dat hij kan volstaan met een deel van het bovenlichaam, met een schepping bovendien die emotioneel af is, maar fysiek niet gepolijst hoeft te zijn.

Elsen in Dordrecht: “Rodins uitvinding was fataal voor de traditionele opvoedkundige missie van de beeldhouwer, het prediken van patriottisme en andere burgerlijke deugden. Hij was niet langer een verlengstuk van het ministerie van publieke instructie”. Vergelijk dat met Kounellis' gietijzer, steenkool, versteende energie...

Rodins ontdekking dicteert niet dat alles wat kan ook moet. Over de seniorenflat in Vlaardingen met op het dak 'De Negende van OMA' in neon is Elsen kort. Hij raadt de bewoners aan het geval uit het stopcontact te trekken. “Dit is arrogant, van het Office of Modern Architecture en van de gemeente die het plaatst. Dit geeft openbare kunst haar slechte naam. Het getuigt van wansmaak, het is een slechte grap, het is beledigend en het moet weg.

“In het algemeen zeg ik: als kunstenaar en bewoners van een wijk of een gebouw het niet eens kunnen worden, dan maar liever niets, beter geen kunst dan middelmatige kunst. Er is al zo veel mediocre architectuur overal om ons heen, daar hoeft geen middelmatige of slechte kunst aan toegevoegd te worden. Er zijn weinig kunstenaars die een serieuze bijdrage aan de publieke kunst kunnen bieden. Bij gebrek aan kwaliteit kan je beter wachten tot je iets goeds kunt krijgen.”