SPOREN

Eindpunt DDR. Sporen uit een verdwenen land door Guus Ferree 192 blz., geill., De Alk 1991, f 59,90 ISBN 90 6013 996 8

In tegenstelling tot het door de tv gevormde beeld verplaatste de bevolking van wijlen de DDR zich niet massaal in een Trabant. Het overgrote deel van de Oostduitse burgerij reisde wegens geldgebrek of helemaal niet, of was op het openbaar vervoer aangewezen. Zelfs dat laatste werd door het regime bepaald niet aangemoedigd. Het beleid was primair gericht op het bevorderen van het goederenvervoer over de rails. Dat gebeurde niet uit milieu-overwegingen - overdreven ecologische bezorgdheid kan de DDR-machthebbers niet worden verweten - maar om zo min mogelijk deviezen voor de olie-import te hoeven uitgeven. Daarom ook hebben kolengestookte stoomlocomotieven het in de DDR zolang uitgehouden. Omdat goederentreinen in de dienstregeling prioriteit hadden, kon een reis per sneltrein tussen bijvoorbeeld Berlijn en Dresden, een afstand van honderdtachtig kilometer, wel zes uur duren.

Er was nog een andere reden waarom een treinreis in het arbeiders- en boerenparadijs nogal eens omslachtig verliep. Geld voor investeringen in het spoorwegnet was er te weinig, met als gevolg een enorm achterstallig onderhoud van baan en materieel. De meeste spoorbruggen waren zo versleten dat ze alleen heel langzaam konden worden bereden.

Betonnen dwarsliggers verkruimelden door de slechte kwaliteit zand die voor het beton was gebruikt; duizenden kilometers spoor werden nagenoeg onberijdbaar.

In het stadsvervoer resulteerde het gebrek aan investeringsmogelijkheden in de noodzaak om stokoude trams, die allang 'op' waren, toch de baan op te sturen. Nog steeds scharrelen in tientallen steden in de voormalige DDR kreupele trammetjes door beroete en vervallen straten. Om energie te sparen, sloopten sommige trambedrijven de verwarming uit de wagens.

In een opzicht echter was de DDR wel degelijk een paradijs, en wel voor de (bijna altijd Westerse) spoor-en tramliefhebbers. Nergens anders in Europa konden rail-hobbyisten uit bijvoorbeeld Nederland zo dicht bij huis zoveel levend verleden vinden. Tot in de werkplaatsen van de meest obscure smalspoorlijntjes drongen de railminnaars door, ernstige conflicten met opzichters riskerend wegens het fotograferen van alles wat los en vast zat; al snel een halsmisdaad in een land waar de exacte plaats van een seinpaal of een overweg gold als een militair geheim. Dat gevaar is nu geweken - reden voor een ware aanstorm van railliefhebbers - maar dat gebeurt wel in het besef dat dit paradijs spoedig verloren zal gaan. Door de ineenstorting van de Oostduitse economie is het goederenvervoer vorig jaar met de helft teruggelopen. Het verlies aan arbeidsplaatsen leidde ook tot een drastische achteruitgang van het reizigersvervoer, waardoor vooral de landelijke smalspoornetten hun bestaansgrond dreigen te verliezen.

Anderzijds is voor veel mensen die wel werk hebben, aanschaffing van een tweedehands Westerse auto tot de mogelijkheden gaan behoren zodat ze trein en tram de rug zullen toekeren. Dit zal leiden tot forse saneringen in het railvervoer; heel veel van die pittoreske trammetjes staan op het punt aan de reis naar de sloper te beginnen.

Om al het moois dat gaat verdwijnen, te vereeuwigen, heeft de journalist en spoorminnaar Guus Ferree samen met enkele geestverwanten een fraai fotoboek samengesteld. Eindpunt DDR. Sporen uit een verdwenen land telt ruim vierhonderd illustraties, de meeste daarvan daterend uit 1990, van alle mogelijke Oostduitse railbedrijven op smal- en normaalspoor. Het zal duidelijk zijn dat op nagenoeg elke bladzijde de stoom de lezer tegemoet sist, maar er is ook ruime aandacht besteed aan de zevenentwintig tramnetten en -netjes die de voormalige DDR vorig jaar nog telde. De bijschriften zijn soms een beetje oubollig ('Het leven in de DDR was met name in de grote steden niet altijd even prettig', 'Niemand had toen enige weet van wat er acht jaar later in de DDR ging gebeuren'), maar uitgebreid en altijd informatief. Lof verdient het feit dat de fotografen ook veel aandacht aan de mensen 'aan het spoor' hebben besteed, iets bijzonders omdat de echte spoorfreaks mensen in, op en bij de objecten van hun belangstelling maar een hinderlijke bijkomstigheid vinden. Het is evenwel onmogelijk - en uit Eindpunt DDR blijkt dit treffend - in het voormalige Oost-Duitsland de belangstelling voor techniek los te zien van de 'condition humaine'. Daarvoor is de spoorromantiek er te zeer doortrokken van de politiek, en echt niet alleen omdat er op elk station wel vlaggen en spandoeken hingen. De toestand van het 'spoor'

weerspiegelde wat de DDR presteerde en wat het regime de bevolking te bieden had.