Ongedateerd beeldend werk uit huiscollectie Hugo Claus

Tentoonstelling: Hugo Claus - beeldend werk 1950-1990. Ruim honderdvijftig tekeningen, gouaches, aquarellen en collages. T-m 26 mei in De Zonnehof, Amersfoort. Di. t-m za. 10-17 u. Zo. 13-17 u. Catalogus: (f) 35,-

Het zelfportret Ikke hangt bij de ingang. Met de tekening Het verdriet van Belgie eindigt de tentoonstelling Hugo Claus - beeldend werk 1950-1990.

Halverwege deze expositie ligt tussen een nagenoeg complete verzameling van Claus' gedrukte werk de bundel Loutering van de dichter B. Rinaka.

Nog voordat Hugo Claus als dichter en schrijver debuteerde bij - toevallig - Rinaka's uitgever, illustreerde hij in 1946 deze poeziebundel van zijn landgenoot. Claus vond de teksten clichematig, maar om de drukker (zijn vader) en de dichter een plezier te doen maakte hij er tekeningen bij, in de stijl van Jos Speybroek (deze Speybroek duikt overigens jaren later als 'Zeebroek' op in Het verdriet van Belgie). “Maar uit welke geldingsdrang schreef ik dan wel mijn kunstenaarsnaam onderaan een van de prenten?” vraagt Claus zich nu af in een naschrift dat naast de bundel ligt.

Ja, er zijn kunstenaars die eerst hun handtekening plaatsen en dan pas aan de slag kunnen. Claus niet, diens naam is overduidelijk later toegevoegd. Dat zou kunnen betekenen dat hij vooral voor eigen plezier meewerkte aan de dichtbundel en dat het resultaat hem tamelijk onverschillig liet. Op de omslag van Loutering tekende Claus een wonderlamp als van Aladdin uit Duizend en een nacht, compleet met gracieuze rookslierten. De subtiele lijn van de tekening contrasteert met een illustratie in hetzelfde boek; hierin wordt een nuchter akkerlandschap met schoven weergegeven in stevige bonkige strepen.

Claus zou met deze twee uitersten in lijnvoering en onderwerp een weerbarstig oeuvre opbouwen. Een oeuvre dat tot op de dag van vandaag nog niet is geordend. Van Claus' eerste tentoonstelling uit 1949, bij een boekhandel in Oostende, zijn 'waarschijnlijk' geen tekeningen in De Zonnehof present. Voor het gemak hebben de samenstellers van deze tentoonstelling (Zonnehof-conservator Paul Coumans en Claus zelf), besloten om 'chaos' te hanteren als uitgangspunt. Samen haalden zij de hele expositie te voorschijn uit een container waarin tijdelijk de inboedel van Claus is opgeslagen voor een verhuizing naar Antwerpen.

Alle werken (tekeningen, gouaches, aquarellen en collages) zijn ongedateerd; op de tentoonstelling zijn ze wel voorzien van titels.

Claus heeft surrealistische pop-art collages gemaakt, maar het zal niemand verbazen dat het merendeel van de getoonde stukken, werken die waarschijnlijk dateren uit de jaren vijftig, in Cobra-stijl is gemaakt. Vooral Corneille en Jorn moeten op Claus indruk hebben gemaakt.

Claus' uitingen zijn echter minder beeldend en stijlvast dan die van zijn Cobra-vrienden. Hij werkt veel vrijer, besteedt geen aandacht aan een ontwikkeling van een eigen handschrift en stelt zich veel minder pretentieus op, hij maakt geen grote olieverfdoeken en combineert verschillende stijlen in een werk. Zijn werk is minder spontaan en hij citeert en illustreert uit de kunstgeschiedenis en doet daardoor denken aan Raveel. Met de vaardige hand van een oosters kalligraaf zet Claus in enkele stevige lijnen een liggend vrouwelijk naakt neer. Hij kiest daarbij voor een standpunt dat het beste zicht geeft op de geslachtsdelen van zijn model en voorziet het werk van titels als Ordinair.

Claus heeft zichzelf weleens omschreven als “een middelmatig begaafde klas van een academie waarin 82 ijverige jonge schilders bezig zijn, tegen wie de leraar heeft gezegd: “Jongens, ga je gang maar, jullie moeten vooral mij niet imiteren maar je eigen persoonlijkheid ontplooien”. Maar al die leerlingen die toch onder de samenbundelende invloed van die ene leraar staan, proberen krampachtig hun personaliteit te vinden, in verschillende stijlen. Ik ben de klas en de leraar samen”.

    • Mark Peeters