Nieuwelingen in Nacht van de Poezie; Een frisse ploeg dichters hield de beide ogen open

UTRECHT, 27 APRIL. 'De nacht doet nog geen ogen dicht'. Deze dichtregel uit de bundel Existentie (1946) van Gerrit Achterberg was het motto van de gisteravond en vannacht in Utrecht gehouden Nacht van de Poezie.

De organisatoren van het inmiddels legendarische poeziefestijn hadden de zeven woorden van Achterberg 'belangeloos' van de erven Achterberg in gebruik gekregen, en het resultaat was dat de bezoekers van de Nacht niet alleen negen uur lang naar een toepasselijke spreuk konden kijken die in neon tegen de achterwand van het podium hing, ze kregen van de meeste optredende dichters en zangers ook een speciaal voor de gelegenheid vervaardigd gedicht te horen waarin de regel was verwerkt.

Meer dan ooit werd de elfde Nacht van de Poezie door deze opzet de Nacht der Nachten. Waar je je oor ook te luisteren legde, de nacht deed nog geen ogen dicht. Zelden zal op een avond zoveel nachtelijk duister hebben geheerst, en zelden zal de duistenis door zoveel sterren, manen en ander licht teniet zijn gedaan. Vroeg C.O. Jellema in zijn vers: 'Nacht, doe geen ogen dicht, ook mijne weet je - geloven in gedaanten van het licht', Jan Gerhard Toonder dichtte 'de nacht doet nog geen ogen toe - een zee - zie ik daarin, heel leeg, een ster misschien.' En zo waren er meer varianten. Eindigde Redbad Fokkema met de regel 'Wij doen de beide ogen lang niet toe', Cees van Hoore schreef: 'wat erg, wat erg, die regel is van Achterberg', en Esther Jansma, die de Nacht van de Poezie vanmorgen vroeg tegen vijf uur - maar nog altijd in het diepe duister - mocht afsluiten, dichtte royaal: De nacht doet nog geen ogen dicht, de extra ogen van de nacht komen eraan.

De opdracht om een gedicht bij te dragen geinspireerd door Achterberg werd zeer vrij, maar ook wel wat gemakzuchtig opgevat door de nestor van de vijftigers: Lucebert. Hij presenteerde het vers 'Adoremus' uit de bundel Amulet (1957), waarin iemand (Achterberg) 'het klimop van de ogen' sluit voor 'de gebroken ruiten van zijn onrust'.

Lucebert die de laatste jaren nog maar zelden zijn stem op poezieavonden laat horen beperkte zich gisteren toch al geheel tot oude gedichten uit de jaren vijftig 'voor mij bijna de middeleeuwen'.

Aan de voordracht was dat echter niet te merken. Hij las voor alsof alles net geschreven was, op felle, bezwerende toon en langzaam, woord voor woord. Vooraf had hij het aangekondigd: “Ik lees deze gedichten op dicteersnelheid. Ik neem aan dat u allemaal papier en een potloodje of een pen bij de hand hebt, zodat u na dit optreden een klein bundeltje kunt hebben dat ik graag na afloop zal signeren.”

De elfde nacht was een van de meeste geslaagde sinds jaren. Uitgangspunt was nu om alleen dichters uit te nodigen die nog nooit eerder hier te horen waren geweest. Dat was een goede gedachte. Er trad nu een enthousiaste frisse ploeg aan die meer verrassingen bood dan anders. Er waren dichters van wie ik wel eens iets had gelezen maar die ik nu ook in het echt wilde zien, om te begrijpen uit welk hoofd hun beelden komen, om hun snelheid te leren kennen, hun accent, hun motoriek.

Maar ook konden bestaande voorordelen worden getoetst. Een treiterige Jasper Mikkers bleek een lang zeurend vers te hebben geschreven, opgedragen aan de 'mevrouw' van de bibliotheekcentrale die zijn boeken niet meer wilde aanschaffen, omdat niemand die zou willen lezen. En Joke van Leeuwen bleek tenminste twee onzin-gedichten te hebben gemaakt, die mij in de gauwigheid aan Jac. van Hattum deden denken.

Als ik die twee verzen had kunnen opschrijven: ik had ze vast en zeker laten signeren.

    • Reinjan Mulder