Memoires (7)

De rest van die nacht is een witte vlek in mijn geheugen. Ik werd wakker in mijn hotelbed met een droge keel en een hoofd waarin met een pijnlijke regelmaat spijkers werden geslagen. Iemand had me daar naar toe gebracht, want ik was uitgekleed en bovenop mijn hoopje kleren lag mijn portemonnee; het geld was eruit verdwenen. Sigrid?

Op mijn horloge zag ik dat het half vijf was, maar was het 's ochtends of 's avonds? Ik belde. Na een eeuwigheid verscheen een slaperige kamermeid met losse haren. Ik vroeg haar welk gedeelte van de dag het was. Ochtend, zei ze. En welke dag is het vandaag, vroeg ik. Ze aarzelde even. Toen: 28 juni 1914.

Het kan niet waar zijn, maar zo staat het in mijn geheugen gegrift. Ze zegt het langzaam, datum en jaartal, alsof die dag toen al vol betekenis was. Dat is het probleem: al mijn herinneringen aan die dagen zijn gekleurd door wat daarna kwam. Als de kamermeid werkelijk gezegd had, wat ik haar nu nog hoor zeggen in haar slome Duits, dan zou dat betekenen dat ik drie dagen en drie nachten aan een stuk geslapen moet hebben. Of waren er dingen gebeurd die vervolgens uit mijn bewustzijn waren gewist? Het is een van die dingen die ik nooit meer zal weten, het is een van die dingen waar ik niet bij ben geweest.

Ik probeerde nog te slapen, maar in mijn gedachten keerde ik onwillekeurig terug naar mijn nacht in het bordeel. Ik dacht aan de groep jonge samenzweerders die, afgezonderd van de dronken, geile officieren, in een hoek van het vertrek hadden gezeten, druk pratend over God mag weten wat. Het maakte me onrustig. Ik kreeg het gevoel dat later in mijn leven nog zo vaak zou terugkeren: dat ik me dicht, heel dicht, bij een gebeurtenis had bevonden, in de buurt van feiten die bepalend zouden blijken te zijn (die geschiedenis zouden maken, zou je kunnen zeggen), maar dat ik me op het beslissende moment liet afleiden door bijzaken; wanneer het dan gebeurde, keek ik altijd net de andere kant uit. Het toeval had me de kans gegeven om contacten te leggen met de Zwarte Hand of een andere nationalistische organisatie en ik had mezelf bewusteloos gezopen.

Of zat er meer achter? Laat mijn geheugen het afweten en zei de kamermeid werkelijk die datum of had ik werkelijk drie dagen geslapen, onder invloed van iets anders dan alcohol? Had de madam van het bordeel mijn belangstelling voor de jongens in de hoek opgemerkt en had Sigrid iets in mijn drankje gedaan? Dat klinkt melodramatisch, ik weet het, iets uit een vergeeld spionageverhaal, maar iedere tijd kent zijn eigen paranoia. Nu zijn er de CIA, afluisterapparatuur, computermanipulaties, geheime camera's, corrupte politici en multinationals en drugsbaronnen, toen waren er geheime genootschappen, anarchisten, spionnen en dubbelspionnen en driedubbelspionnen en hoeren die een slaapmiddel in je glas deden.

Hoe dan ook, ik was ontevreden over mezelf. Ik besloot de stad in te gaan om gewone mensen uit te horen; het aangekondigde bezoek van de aartshertog had veel onrust en protest veroorzaakt. Als die straatgesprekken niets zouden opleveren, kon ik doorreizen naar Servie. Als dat niets zou opleveren, zou ik voor Het Vaderland een paar commentaren uit buitenlandse kranten bewerken; een goede oude traditie in de Nederlandse journalistiek.

Ik keek opnieuw op mijn horloge en zag dat het een paar uur later was. Ik kleedde me aan en verliet het hotel. Op straat was de chaos uitgebroken; er waren duizenden burgers en, zo leek het, evenveel soldaten op de been. De stemming was uiterst vreemd. Langs de straten die waren opgenomen in de route van de aartshertog, stonden de mensen opeengepakt, lachend en zwaaiend. Vaders hadden hun kinderen op de schouders genomen, vrouwen wuifden met vlaggetjes. Daarachter kolkte de onvrede, de haat. Demonstraties waren natuurlijk verboden, maar de spanning was overal voelbaar; stille woede sloeg met grote golven tegelijk over de openbare feestvreugde.

Ik wurmde me door de mensenmassa heen. Mijn hoofd deed nog altijd pijn. Ik wilde ontbijs steeds moeilijker zelf een richting te kiezen.

Plotseling werd het geduw harder, de stemmen luider. Iemand schreeuwde. Ik vroeg een grote, boerse man naast me wat er gebeurde.

Hij haalde zijn schouders op en keek de andere kant uit. Er werd op mijn rug getikt. Ik draaide me om en een man met een lang gezicht en een lorgnet zei: er is een bom gegooid. Ze hebben een bom naar de aartshertog gegooid. Ik wilde verder vragen over de aanslag, maar de man was al uit mijn gezichtsveld geduwd. In mensenmassa's heb ik snel last van claustrofobie en ik moest mijn uiterste best doen om niet in paniek te raken. Mijn ogen hield ik strak op de grond gericht. Stap, stap. Iemand riep mijn naam. Herr Sebastian! een glimp van de madam uit het bordeel. Stap, stap.

Uiteindelijk lukte het me een cafe te vinden langs de route van de aartshertog. Zijn rondgang door de stad was voorbij of afgelast vanwege de bom, want de mensenmassa begon zich langzaam te verspreiden. Ik ging zitten aan een tafeltje en gaf mijn bestelling op aan de kelner. Terwijl ik wachtte op mijn ontbijt, viel mijn blik op de jongen aan het tafeltje naast me. De drukte was ook hem duidelijk te veel geworden, want hij wiste het zweet van zijn voorhoofd en zijn hand ging keer op keer naar zijn borst, alsof hij bang was dat iemand zijn portemonnee had gerold. Ik keek naar zijn gezicht en schrok. Hij was een van de samenzweerders uit het bordeel.