Macho's en krabbelaars; Het spierballenmanagement van het Haagse welzijnswerk

De Haagse wethouder A. van Kampen trof herfst vorig jaar een vertrouwelijk memorandum op haar bureau. ''Betreft: Intimidatie en bedreigingen door medewerkers van SHS'', stond erboven.

Het stuk, gedateerd 25 oktober, was afkomstig van een gemeenteambtenaar. Hij beschreef hoe in zijn aanwezigheid een Scheveningse opbouwwerker om een futiele aanleiding door een vijftal welzijnswerkers fysiek was bedreigd. De rol van 'opstoker' was gespeeld door W. Wijnen, als Schevenings coordinator van de SHS (Stichting Haags Sociaal-cultureel werk) een van de belangrijkste welzijnswerkers van de stad en de verpersoonlijking van de nieuwe zakelijkheid in de sector.

Volgens het ambtelijke stuk had Wijnen de opbouwwerker gedreigd met ''een goed pak op z'n donder'', enige van zijn collega's hadden in andere bewoordingen hetzelfde gezegd, waarna een laatste gewag maakte van de mogelijkheid de opbouwwerker ''helemaal in elkaar te schoppen''.

In het Scheveningse welzijnswerk, maakte de ambtenaar duidelijk, was dit soort incidenten aan de orde van de dag. ''Het betreft hier een geval in een grote reeks intimidaties en dreigementen.'' De chef van de ambtenaar drong daarom aan op een gemeentelijk ingrijpen. Het zou uitblijven, de gemeente liet het bij een boze brief.

De opbouwwerker durft zich niet meer in Scheveningen te vertonen en veranderde noodgedwongen van baan. Aanvankelijk deed hij nog aangifte bij de politie, maar uit angst voor represailles trok hij deze in.

Enige tientallen Scheveningse welzijnswerkers verdwenen de laatste jaren uit hun baan omdat ze zich niet langer veilig voelden. De gemeente Den Haag was ervan op de hoogte, deed zo nu en dan ook pogingen de zaak ten goede te keren, maar bleek per saldo machteloos.

Het stadsbestuur had het welzijnswerk immers in handen gesteld van particuliere stichtingen: het maatschappelijk middenveld - menige moderne (CDA-)bestuurder vindt het de ideale particuliere bestuurslaag om overheidstaken aan af te stoten.

Den Haag merkte dat daaraan een keerzijde kleeft. Toen door de gemeente gesubsidieerde welzijnskoepels zich niet bepaald als gezonde (financiele) beheerders gedroegen, bleek dat ze niet of nauwelijks tot de orde waren te roepen. Met een beroep op de hen toevertrouwde 'eigen verantwoordelijkheid' wimpelden ze nagenoeg iedere bemoeienis van het stadsbestuur af. Eind vorig jaar besloot de gemeenteraad verrassenderwijs de subsidie aan alle particuliere stichtingen in het welzijnswerk stop te zetten. Op stedelijk niveau werd het complete maatschappelijk middenveld opgedoekt, de CDA-wethouders steunden het voorstel. Daardoor krijgt op termijn geen van de particuliere koepelinstellingen nog overheidsgeld - ook de gewraakte SHS zal zo verdwijnen.

Formeel was de reden van de ingreep dat welzijnstaken naar de wijken moesten worden overgeheveld, maar toen de directeur van de stichting maatschappelijk werk, die nog geen jaar bestond, informeel aan gemeenteraadsleden vroeg of de plotselinge besluitvorming was ingegeven door de ''mafia-achtige ontwikkeling van de SHS'', kreeg hij als antwoord: ''Daar zit wel een kern van waarheid in.''

DE VOORGESCHIEDENIS

In Den Haag kon de sector een dergelijk imago krijgen door een spierballencultuur die jaren bestond, een wereld van sterke leiders met een hang naar kleine zwendel en een grote angst voor openbaarmaking daarvan. Wie tot het laatste neigde werd met ontslag bedreigd, wie tot openbaarmaking overging wachtte erger. De mores van het stedelijk welzijnswerk werden er langzaam door beinvloed.

Centrale figuur in het kleine Haagse drama is Joop, ofwel drs J. J. H. Reitsma. De een duidt hem aan als patjepeeer, de ander als een 'onbetrouwbare draaifoet', een derde als een zakenman met een verkeerde betrekking: geschikt voor Hoogovens, niet voor agogisch aangelegde meidenwerksters. Positieve opinies over hem zijn schaars en beperken zich tot de typologie deskundig.

Reitsma kwam in 1974 als directeur in dienst bij de SSK, de Stichting Samenwerkende Klub- en buurthuizen en sociaal-culturele centra Den Haag, een instelling met een beperkt aantal huizen onder zich. De socioloog was qua intelligentie de meeste van zijn collega's verreweg de baas. Hij toonde zich al vroeg voorstander van een zakelijke stijl in het welzijnswerk; de toen nog populaire aanpak - wat voel je nu, wat vind je er zelf van - sprak hem minder aan. Reitsma wenste dat randgroepen in hun eigen taal werden aangesproken: wie niet horen wil moet maar voelen.

Aan initiatieven had Reitsma zelden gebrek, aan financiele middelen evenmin. Als grootverbruiker van de verzorgingsstaat kende hij de regels van het subsidiespel. Zo deed hij op vergaderingen met teamleiders van buurthuizen de 'postzegeltruc' uit de doeken: Namens je buurthuis stuur je iemand naar het postkantoor en laat hem voor duizend gulden zegels aanschaffen. Hij vraagt een kwitantie. Diezelfde ochtend vraag je een andere buurthuismedewerker terug te gaan naar de PTT: we hebben per abuis tweemaal zegels laten halen, mag ik ze inruilen en mijn geld terug? Netto resultaat: geen kosten en een kwitantie ter waarde van duizend gulden subsidie. Zo hanteerde hij meer trucs. Toen medewerker R. Fontijn in zijn proeftijd hem er ooit op wees dat het hier 'misbruik van subsidiegeld' betrof, reageerde Reitsma volgens Fontijn: ''Zo werk jij hier niet lang.''

Om honderdduizenden guldens ging het niet, Reitsma was volgens gemeenteambtenaren meer het type van de kleine krabbelaar. Niettemin werd er in het welzijnsveld al snel van 'wantoestanden' gesproken. Een gemeentelijk inspecteur trok begin jaren tachtig bij de toenmalig wethouder, P. Vink (PvdA), aan de bel, maar deze achtte het de aangekaarte kwesties van te geringe omvang. Zolang de lastige gevallen, de 'randgroepen', waarvan Den Haag er relatief veel heeft, maar van de straat werden gehouden en de openbare orde gehandhaafd bleef, maalde Vink niet om de verdwijning van een paar centen.

Daarmee werd een te soepel klimaat geschapen, meent de opvolger van Vink, J. Verduyn Lunel (Groen Links), wethouder van 1986 tot medio 1989. Hij wilde een aantal omvangrijke fraudezaken uitgezocht hebben, maar stelde vast dat politie en justitie daartoe nauwelijks te verleiden waren: ''Er leefden geweldige frustraties over de lankmoedige houding van de gemeente in het verleden.'' Frustraties die ook later een rol zouden spelen.

Aan dat te soepele klimaat had de gemeente ook anderszins bijgedragen, maar daarvan was Verduyn Lunel niet op de hoogte. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig had het Haagse clubhuiswerk onder Reitsma een opmerkelijke mondialisering doorgemaakt. Gekscherend sprak men in die dagen van 'reisbureau Reitsma'. Naar Israel werd gevlogen, naar de VS, naar Canada, Japan, Australie, het Verre Oosten - in verband met 'de drugsproblematiek'. De reizen werden volgens Reitsma mede uit een hulpfonds betaald, waarin de stichting giften vastzette om te voorkomen dat de gemeente deze, zoals eerder was gebeurd, in mindering bracht op de subsidie. De accountantsdienst legde er de vinger op.

''De accountants vonden dat het om gemeenschapsgeld ging, maar dat heb ik bestreden'', zegt Reitsma.

Niet alleen bestuurders, directielieleden en medewerkers van Reitsma's stichting pakten menigmaal hun koffer. Ook topambtenaren, op het stadhuis verantwoordelijk voor de toewijzing van subsidie aan het welzijnswerk, pikten een graantje mee. Onder hen bevonden zich F. de Jong, werkzaam op de Dienst Jeugd Sport Recreatie en later de hoogste ambtenaar voor SHS-zaken, en D. Gabor, destijds werkzaam op de afdeling Kabinetszaken van de gemeente, nu staatsecretaris van landbouw. Binnenskamers op het stadhuis zwelden geruchten aan dat de topambtenaren zich lieten feteren in ruil voor een gunstige behandeling van de stichting van Reitsma - wat nu eens niet viel onder de eigen verantwoordelijkheid van de stichting. De accoundantsdienst startte een vertrouwelijk onderzoek.

Korte tijd later stuurde de dienst een gedetailleerd rapport aan het ambtelijk apparaat. ''Het is meer dan interessant'', schreef ze, ''dat de overweging van het bestuur van de stichting om de heer Gabor in 1980 uit de nodigen mee naar Israel te gaan op kosten van de SSK is geweest 'omdat de afdeling Kabinetszaken een belangrijke rol speelde in de subsidiering'.'' Gabor mocht dus mee omdat hij voor de benodigde subsidie had gezorgd, volgens Reitsma ging het om 30.000 gulden.

''Hieruit blijkt een vanuit gemeentelijk oogpunt gevaarlijke opstelling'', meende de dienst. Het gemeentebestuur nam geen maatregelen, het rapport verdween volgens de accountantsdienst in een la.

DE PRAKTIJK

Reitsma's nevenactiviteiten - en de echo ervan - maakten zijn positie niet geloofwaardiger toen hij vanaf halverwege de jaren tachtig onder druk van de eerste, nog milde bezuinigingen welzijnswerkers tot meer activiteit maande. Sommige werknemers verzetten zich fel en wezen op Reitsma's reizen: was dat dan een goede besteding van de schaarser wordende middelen? Niet zelden volgde een Pavlov-reactie: dat betrokkene eerst maar moest bewijzen dat die reizen er waren geweest, dat het allemaal roddels waren, dat Reitsma roddelende collega's niet duldde, dat een ontslagvergunning binnen de kortste keren aangevraagd kon worden. Voor het behoud van een baan diende men te zwijgen.

Onder druk van nog meer bezuinigingen ging de gemeente de versnippering van het welzijnswerk tegen door centrale koepels op te richten. Voor het sociaal-cultureel werk werd daartoe de SHS gesticht, overigens opnieuw een particuliere instelling. De samenbundeling moest een bezuiniging van een miljoen gulden opleveren. Na jaren van onderhandelingen kwam Reitsma als overwinnaar uit de strijd: hij werd directeur van de SHS - waarin 'zijn' SSK opging -, kreeg zo nagenoeg alle club- en buurthuizen van de stad onder zich en had voortaan de beschikking over een budget van zo'n zeventien miljoen gulden.

De gemeente was, ondanks het verleden, tevreden met de benoeming van Reitsma. Van hem werd verwacht dat hij definitief met de geitewollen sokken-cultuur zou afrekenen. En dat gebeurde ook: wie zich niet schikte kon beter gaan. Een medewerker die in een verslag van een vergadering noteerde dat de opinie heerste dat de directie aan 'stemmingmakerij' deed, werd ontslagen. Een ander die over dat verschijnsel een rapport maakte en dat vertrouwelijk naar de gemeenteraad zond overkwam hetzelfde. ''De boel explodeerde'', zegt de verantwoordelijk gemeenteambtenaar. En hij kon niets doen: het personeelsbeleid viel onder de eigen verantwoordelijkheid van de SHS.

Sommige SHS-medewerkers konden het evenwel uitstekend met Reitsma vinden. In Scheveningen - een van de moeilijkste werkterreinen - was bij voorbeeld de voormalige beroepsmilitair Wijnen de oogappel van Reitsma. ''Een fantastische welzijnswerker. Een kei'', zegt Reitsma, die nog aantekent dat Wijnen ''wel eens te impulsief, te emotioneel''

optrad. Zijn levensstijl verschilde scherp van zijn collega's: keurig gecoiffeerd, snelle BMW, prijzige diplomatenkoffer. Een macho in het welzijnswerk - maar met een zakelijke inslag. ''Ik wijs er altijd op'', zegt Wijnen, ''dat dit werk bestaat bij de gratie van het kapitalisme. Alleen, sommige welzijnswerkers beginnen te zeuren als ik Shell als sponsor aantrek, dat noemen ze 'bloedgeld'. Tegen zulk gedrag verzet ik me dus.''

Wijnen had veel succes met zijn wijze van werken. Hij was populair in de buurt, geliefd bij de gemeente - totdat de zaken uit de hand liepen. Een eerste keer gebeurde dat rond een werkgelegenheidsproject dat hij opzette voor langdurig werkloze jongeren. Met bewonderende, soms jaloerse verbazing keken collega's en gemeenteambtenaren toe hoe hij het ene na het andere hopeloos geachte geval halverwege de jaren tachtig aan het werk hielp. ''Maar hij bleek op het randje te belanceren'', zegt de verantwoordelijk gemeenteambtenaar. ''Hij liet die jongens werken met behoud van uitkering en betaalde ze daarbovenop vijf gulden per uur. Dat vonden die gasten natuurlijk prachtig. Maar hij mocht maar vijf gulden per dag betalen. Hij had kennelijk een of ander zwart potje. Zo erg was dat niet, ik vond Wijnen een goeie vent, maar op een gegeven moment kwamen het arbeidsbureau en de belastingdienst in het geweer. Het project van Wijnen moest worden stopgezet. En vervolgens kregen die jongens de fiscus op hun dak, ze moesten naheffingen betalen en voelden zich zwaar genomen. Zo eindigde het project van Wijnen: goed bedoeld, volledig uit de hand gelopen.''

Wijnen: ''Het klussenproject liep als een trein. Ik stierf in de klussen. Had een strenge hierarchie, dat werkt bij die jongens, er zaten veel alternatief gestraften tussen. Maar ik kreeg steeds meer problemen met de bureaucratie. Het ging maar door. Toen ik de boel stopzette, maakte ik de winst over aan de gemeente: 15 duizend gulden.

''Ik had een fondsje, ja. Waar wordt niet met zwarte potjes gewerkt? Kon ik ze wat extra betalen. Ik hielp die jongens. Moest er eentje drie weken zitten of vijfhonderd betalen. Leende ik die centen, kon die jongen aan het werk blijven. Ik kan me een jongen herinneren die een naheffing kreeg. Die was kwaad op me, hoewel ik hem had gewaarschuwd. Op een avond kom ik hem dronken in de kroeg tegen: 'Wijnen, laaielichter!' Hij wilde me te lijf.''

Wijnen gedroeg zich in veel opzichten hetzelfde als Reitsma. Het zwarte potje bij het werkgelegenheidsproject werd door gemeenteambtenaren als indicatief ervaren, net als de tijdelijke verdwijning van 80.000 gulden vermogen bij een Schevenings jongerencentrum om te voorkomen dat de gemeente minder subsidie zou geven (''Ik maak geen winst om die terug te geven aan de gemeente'').

Ook Wijnen eiste dat 'het gelul' werd vervangen voor 'doen'. Het leverde in Scheveningen dezelfde spanning op als op het stedelijk SHS-bureau: wie niet voor hem was, was tegen hem - dan volgde snel ontslag. Wijnen: ''Ik zal er de laatste jaren 12 de wacht aangezegd hebben. Ja, er zijn er meer vertrokken. Maar die mensen gingen uit zichzelf, omdat het ze niet beviel. Ik val op sterke mensen, niet op lui van de Sociale Academie uit de jaren zeventig-cultuur, die 'zichzelf' nog moeten ontdekken. Die kunnen dit werk niet aan.''

Wie zich tegen zijn ontslag verzette kreeg met mafia-achtige methoden te maken, zoals P. Wilhelmus het noemt. Hij werd anderhalf jaar geleden ontslagen. Geen exceptionele omstandigheid overigens - in het centrum waar hij werkte verdwenen, zegt hij, in een jaar alle elf welzijnswerkers.

''Mijn proeftijd is niet verlengd omdat er, zo is het me letterlijk geschreven, 'aanwijzingen waren dat ik geruchten had verspreid'. Ik ben naar de politie gestapt en vervolgens kwamen de anonieme bedreigingen. Telefonisch: dat ik niet moest denken ooit nog een baan te vinden als ik zo doorging, dat de ruiten van mijn huis zo makkelijk aan het rinkelen waren te krijgen, dat ik niet meer veilig over straat kon. Ik heb Wijnen gebeld en gezegd: laat ze ophouden joh, mij maak je toch niet bang.'' Twee welzijnswerkers die korte tijd later bij Wijnen op bezoek kwamen, kregen een bandopname van het telefoontje van Wilhelmus te horen. ''Lachen, he'', had Wijnen gezegd. Een van de twee was de opbouwwerker die later in Scheveningen werd bedreigd.

Wijnen toont zich nu minder geamuseerd: ''Pierre Wilhelmus wilde me kapot hebben. Het was een ophitser. Een aantal werkers sloot zich bij hem aan. Die man moest weg. Ik bedreigde hem niet - hij bedreigde mij.

Daar heb ik nog een bandopname van. Ja, die heb ik ook wel eens aan anderen laten horen. Ik neem gesprekken altijd op als ze bedreigend zijn. Als ze je willen pakken moet je op je hoede zijn. En ze willen mij pakken in Den Haag. Ze willen mij kapot hebben.''

DE ONDERZOEKEN

De kwestie waarmee Wilhelmus naar de politie stapte betrof het mogelijk seksueel misbruik van een bezoekster van een SHS-instelling.

Het onderzoek werd ter hand genomen door rechercheur R. Gerrits, een jonge politieambtenaar die niet gehinderd werd door frustraties uit het verleden. Gerrits zocht alles uit - niet alleen de zaak van het seksueel misbruik, maar ook de voorgeschiedenis: de reisjes, de topambtenaren die waren meegeweest, het misbruik van subsidiegeld door de SHS-leiding, het feit dat SHS-medewerkers in Scheveningen dealden, hun drankmisbruik en hun fysieke bedreiging van 'deloyale'

welzijnswerkers. Collega's van Gerrits weten zich te herinneren dat de rechercheur een 'enorm dossier' verzamelde, op grond waarvan in zijn ogen 'half politiek Den Haag' kon sneuvelen. Gerrits pleitte er bij de plaatsvervangend hoofdcommissaris voor dat deze de gemeente ertoe zou bewegen aangifte te doen.

Daartoe had de hoofdcommissaris begin vorig jaar een gesprek met N. Dijkhuizen (CDA), die inmiddels Verduyn Lunel als wethouder had opgevolgd. Dijkhuizen bestrijdt niet dat hem werd gevraagd aangifte te doen, maar zegt in het belang van de zaak niet te kunnen verklaren waarom de aangifte achterwege bleef. Een woordvoerder van de politie verklaart dat de SHS als particuliere stichting de eerst aangewezene was aangifte te doen, niet de gemeente: het betreft immers een particuliere stichting met een eigen verantwoordelijkheid.

Rechercheur Gerrits, zo herinnert zich P. Wilhelmus, was zwaar teleurgesteld door het uitblijven van een aangifte door de gemeente.

Gerrits kreeg een andere functie bij de politie. Hij weigert commentaar.

De ambtenaren van Dijkhuizen bedachten een andere manier om de stichting aan te pakken. Twee van hen namen daartoe eind 1989 contact op met de VNG, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten waarvan burgemeester Havermans voorzitter is. Ze wilden de SHS-organisatie in Scheveningen laten doorlichten - de zaak was zodanig uit de hand gelopen dat zich op het stadhuis 'huilende mensen' hadden gemeld, schreef de Haagsche Courant in die dagen. Reitsma was woedend over het voorgenomen onderzoek: ''Ik vind dat je op geruchten geen onderzoek moet baseren. Dat wilde ik per se niet, dat heb ik radicaal geweigerd.

Ik heb er Dijkhuizen, de wethouder, op gewezen dat hij zijn boekje al te buiten was gegaan door buiten de officier van justitie om een politie-onderzoek te starten. Daar kwam al niks uit. Maar hij wilde ons per se de nek omdraaien. Toen heb ik gezegd: stop, nu niet verder.

''Ik heb Dijkhuizen samen met Wijnen nog eens ontvangen in een Schevenings huis. Hij wilde dat graag zien. Toen hebben we gevraagd wat-ie nou precies tegen Wijnen had. Hij zei, letterlijk, tot tweemaal toe: Wim Wijnen naait ieder wijf. Dat is meneer Dijkhuizen! Als klap op de vuurpijl begon hij erover dat het buurthuis, dat als stembureau moest fungeren, nodig een verfje moest hebben - het was vlak voor de verkiezingen, in die buurt wonen veel CDA-stemmers. Stuur de rekening maar naar de gemeente, zei hij. Achtduizend gulden, rechtstreeks door de gemeente betaald.''

Dijkhuizen veranderde uiteindelijk de onderzoeksopdracht. De VNG-onderzoeker: ''Eerst zou het onderzoek zich op zowel personen als beleid richten. Vervolgens maakte de gemeente ervan dat er alleen een 'beleidsevalutie' moest komen - er was een reorganisatie doorgevoerd en ik moest kijken of dat volgens afspraak was gebeurd. Daarmee werden de tanden uit het onderzoek gehaald.''

Dijkhuizen zegt dat hij de relatie met de SHS niet te ernstig wilde verstoren, daarom stuurde hij aan op een onderzoek waarmee de SHS kon instemmen: ''Je kunt het je als gemeente niet permitteren te polariseren met een zo belangrijke organisatie. Het is geen werken als je voortdurend ruzie hebt. Bovendien moet je respecteren dat ze nu eenmaal een eigen verantwoordelijkheid hebben.''

Niettemin werd die eigen verantwoordelijkheid vorig jaar beloond met het stopzetten van de subsidie aan de SHS. Maar ook dat loste niet alle problemen op. Korte tijd later werd de opbouwwerker in Scheveningen fysiek bedreigd. ''Hij is lui en vertelde vuige roddels'', verklaart Wijnen. ''Ik ben al zo vaak ten onrechte beschadigd. Dus ik en mijn collega's voelden behoefte de roddels onmiddellijk de kop in te drukken.'' Het stadsbestuur reageerde op de zaak door de SHS te schrijven dat ''wij graag vernemen welke maatregelen u neemt om dit in de toekomst te voorkomen''. Dat had men na moeten laten. Een klacht die de SHS bij de stedelijke ombudsman indiende werd gehonoreerd: hoewel de bedreiging laakbaar was, meent de ombudsman dat de gemeente zich ten onrechte bemoeide met het personeelsbeleid van de particuliere instelling.

Wethouder Van Kampen, pas begin vorig jaar aangetreden en zodoende evenmin gehinderd door het verleden, ondernam actie toen ze kort na de Scheveningse bedreiging anoniem een brief ontving waarin nieuwe financiele malversaties van Reitsma werden beschreven. De accountantsdienst werd opnieuw ingeschakeld, en ook recentelijk bleek Reitsma lenig met subsidie om te gaan. Uit het december vorig jaar, vertrouwelijk opgestelde stuk van de dienst blijkt ''dat de heer Reitsma zich in 1988 een hoger salaris heeft toebedacht dan waar de gemeente goedkeuring voor heeft verleend''. De dienst concludeert dat Reitsma zich op deze wijze oneigenlijk een extra salaris van ruim 20.000 gulden toeeigende - bovenop zijn jaarsalaris van ruim een ton.

Maar vermoedelijk, zo voegt men er op het stadhuis aan toe en stelt ook Reitsma, betreft het hier een zaak die valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de SHS.

Afgelopen week viel alsnog het doek voor Wijnen. Reitsma liet dinsdag aan alle SHS-medewerkers weten dat hij met onmiddellijke ingang werd teruggetrokken uit Scheveningen, omdat ''weer oude geruchten de kop opgestoken'' hadden die ''op onwaarheid berusten'', zo schreef Reitsma. Om Wijnen daartegen in bescherming te nemen krijgt hij per 1 juni bij de SHS een ''beleidsadviserende functie''.

Dit verhaal kwam tot stand op grond van gesprekken met G. Both (onderzoeker VNG), H. Bijleveld (directeur accountantsdienst), N.

Dijkhuizen (wethouder), R. Fontijn (medewerker SHS), C. van Hees (voormalig penningmeester SHS), H. Hoogvorst (Stedelijk Bureau Opbouwwerk), F. Jacobs (gemeente-ambtenaar), F. de Jong (gemeente-ambtenaar), C. Parlevliet (Stedelijk Bureau Opbouwwerk), J.

Reitsma (directeur SHS), E. van Soest (ex-directeur van het voormalig Landelijk Steunpunt Randgroepenwerk), P. Treffers (coordinator sociale wijkaanpak Scheveningen), J. Verduyn Lunel (voormalig wethouder), H.

Visee (directeur maatschappelijk werk Den Haag), B. Wiedemeijer (ex-medewerker SHS), P. Wilhelmus (ex-medewerker SHS), W. Wijnen (SHS-coordinator Scheveningen) F.I. Zwagers (maatschappelijk werk Scheveningen) en diverse anonieme bronnen bij SHS, gemeente en politie.