Lager minimumloon kan laaggeschoolden eerder aan baan helpen

DEN HAAG, 27 APRIL. In drie jaar tijd vijftigduizend nieuwe banen. Dat is de vette kluif die minister De Vries (sociale zaken en werkgelegenheid) Nederland voorhoudt in ruil voor een jaarlijkse verlaging van het bruto minimumloon met een procent. Minister Andriessen (economische zaken) gaat nog een stap verder. Hij wil ook het netto minimumloon verlagen, wat hem betreft met tien procent. Werk boven inkomen dus, net als in de jaren tachtig. Maar is die kluif niet wat aangedikt?

Het minimumloon werd in de jaren tachtig reeel al met 15 procent verlaagd en het jeugdminimumloon zelfs met meer dan 30 procent. Het wordt tijd voor conclusies.

Het belangrijkste argument voor een verlaging van het minimumloon is dat werkgevers laaggeschoolde werklozen nu vaak te duur vinden. Een lager minimumloon versterkt hun positie op de arbeidsmarkt, wat van belang is omdat zijn binnen het werklozenbestand sterk oververtegenwoordigd zijn.

Uit onderzoek van A. van Soest en A. Kapteyn van het Economisch Instituut Tilburg blijkt dat vooral jongeren, naast vrouwen, profiteren van een verlaging van het minimumloon. E.S. Mot en C.N.

Teulings van de Universiteit van Amsterdam publiceerden vorig jaar een onderzoek naar de gevolgen van de verlaging van het jeugdminimumloon.

Ze berekenden dat elke een procent daling van het minimumjeugdloon leidde tot 0,1 procent meer werkgelegenheid voor jongeren, en dat de daling met 17 procent in 1979 tot dusver leidde tot 10.000 arbeidsjaren extra werkgelegenheid. Een bescheiden effect, al zal het na verloop van jaren waarschijnlijk iets oplopen.

De cijfers van Van Soest en Kapteyn komen een stuk hoger uit. Maar zelfs hun resultaten wijzen er niet op dat De Vries met zijn schattingen gelijk krijgt. Van Soest en Kapteyn onderzochten wat er gebeurt wanneer de minimumschalen in de CAO's gemiddeld met 10 procent omlaag gaan. Hun onderzoek betreft dus niet het minimumloon zelf. Dat is van belang omdat de minimum CAO-schalen in de jaren tachtig een stuk boven het bruto minimumloon kwamen te liggen.

De Tilburgse onderzoekers berekenen dat een dergelijke verlaging met 10 procent na een jaar zou leiden tot 65.000 extra banen (29.000 mannen en 36.000 vrouwen) en na drie jaar 136.000 nieuwe banen (60.000 mannen en 76.000 vrouwen) zou opleveren. Van Soest en Kapteyn zijn ervan overtuigd dat de daling het minimumloon in de jaren tachtig fors heeft bijgedragen aan de werkgelegenheidsgroei. Maar zij concluderen tevens dat het effect nu veel kleiner is dan toen. Dit om de simpele reden dat extra-effect van een verdere daling nu eenmaal kleiner zal zijn.

Bovendien kunnen ondernemers in tijden van hoogconjunctuur minder-produktieve werknemers gemakkelijk iets meer betalen dan ze eigenlijk waard zijn. De CAO-lonen van jongeren zijn bijvoorbeeld recent fors gestegen. Een verlaging van het minimumloon heeft dan geen zin. Tijdens een recessie - als de werkgever op de kleintjes moet letten - zitten jongeren (en andere laag-produktieve werknemers) veel sneller op de wip, temeer omdat hoger geschoolde werknemers hen dan verdringen door banen voor laaggeschoolden te accepteren.

Hoe dan ook, alle onderzoekers zijn het over een ding eens: ook als het totale werkgelegenheidseffect bescheiden is, kan het de moeite waard zijn voor specifieke doelgroepen, zoals jongeren en vrouwen, maar ook oudere mannen (met een verouderde kennis) en allochtonen (waaronder asielzoekers).

Essentieel in het voorstel van minister De Vries is dat hij de verlaging van het bruto minimumloon wil combineren met een belastingverlichting die voor de minimumloner die zijn-haar koopkracht op peil moet houden. De fiscale details doen hier niet ter zake. Van belang is dat de minister af wil van de loonkostensubsidies die de afgelopen jaren in zwang waren. Daarbij bleef het netto minimumloon op peil omdat de werkgever minder premies hoefde te betalen.

Behalve de Wet Vermeend-Moor (die niet tot minimumloners beperkt bleef) kwam er, per 1 april 1990, de Wet Loonkostensubsidie op Minimumloonniveau (WLOM). Een werkgever krijgt op basis van deze regeling voor elke minimumloner die hij aantrekt of al in dienst heeft een subsidie van ruim 3000 gulden per jaar (10 procent van de loonkosten). Maar het effect bleef beperkt.

De Organisatie voor Strategisch Arbeidmarktonderzoek en het Centraal Planbureau berekenden dat dergelijke loonkostensubsidies slechts half zoveel werkgelegenheid scheppen als een 'echte' verlaging van het bruto-minimumloon. Het geld voor de loonkostensubsidies moet immers via een omweg toch weer door de bedrijven worden opgehoest, en dat heeft een negatief werkgelegenheidseffect. Bovendien is er met de WLOM de marginale wig: als een ondernemer iemand iets meer wil betalen dan het minimumloon raakt hij zijn premiesubsidie kwijt en stijgen zijn loonkosten explosief. Die keerzijde van de medaille doet zich in het voorstel van De Vries niet voor.

Ook Jan Kassies, voorzitter van het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties, heeft een hard hoofd in de kwaliteit van het door McKinsey beoogde drama-aanbod. Goede tijden, slechte tijden acht hij een ondermaats voorbeeld, in tegenstelling tot de televisiefilm Bij nader inzien van Frans Weisz, die de VPRO-televisie vanaf morgen in zes delen uitzendt. “ Als die serie een nieuwe maatstaf zal opleveren, dan gaan er nog vele jaren overheen voor je een generatie goede scriptschrijvers kweekt. Dat is iets anders dan het kweken van een stal varkens.”