Het Zwitserse zelfbeeld wankelt

Zwitserland jubileert: de drie oerkantons Uri, Schwyz en Unterwalden sloten in 1291 tegen de Habsburgse overheersing een “eedgenootschap” dat later uitgroeide tot een staatsverband van 23 kantons. Uitgerekend in dit jaar waarin Zwitserland zeven eeuwen bestaat, bedreigt Europa in toenemende mate het zelfgekozen isolement. Druk van buitenaf dwingt de Zwitsers hun uniek politiek en economische stelsel te herzien. Binnenlandse onthullingen dwingen eveneens tot bezinning. In hoeverre staat de volksaard, vaak afgeschilderd als zelfvoldaan en behoudzuchtig, noodzakelijke veranderingen in de weg? Een portret met drie gezichten.

De onlangs overleden Zwitserse schrijver Max Frisch heeft in zijn Tagebuch (1966-1971) de spijker op de kop geslagen. Hij schreef: “Klaarblijkelijk voelen zij (de buitenlanders) zich aangetrokken tot het landschapsschoon, de centrale ligging in Europa, de properheid, de stabiliteit van de munt, in mindere mate tot het slag mensen (wat dat aangaat verraden ze zich af en toe door valse cliches), vooral echter door een soort dispensatie: het is hier voldoende dat je geld en je papieren in orde zijn en niet op verandering uit bent.”

Het is goed toeven in Zwitserland mits de buitenlandse balling de eigenaardigheden van de Zwitsers gelaten ondergaat en zich niet bemoeit met politiek. Wie zich niet houdt aan deze basisregel is onwelkom. Onze landgenoten Fentener van Vlissingen en Heineken hebben dit ondervonden.

De eerste voerde twintig jaar lang vergeefs een kruistocht tegen kleinsteedse bureaucratie door plaatselijke bouwbepalingen te willen ontduiken (omtrent de hoogte van door hem geplande nieuwbouw). De bierbrouwer-in-ruste zette zonder vergunning de bijl in zijn Zwitserse zomerverblijf, een vooroorlogs gedrocht met vele kamers dat niettemin volgens de autochtonen bewaard diende te blijven. Beiden dolven het onderspit, na kapitalen aan juridische bijstand te hebben uitgegeven.

Regels zijn er te over in Zwitserland - mogelijk het enige land samen met Oostenrijk en Zuid-Afrika waar voetgangers zelfs zondagmorgenvroeg keurig voor het rode stoplicht wachten, ook al is er geen verkeer. De auto wassen binnen de stadsgrenzen mag niet, evenmin als het nemen van een bad na tien uur 's avonds. Wie zich niet aan de wet houdt en onbekommerd na twaalven nog muziek draait kan de politie verwachten.

Buren doen direct aangifte van de minste of geringste verstoring van hun nachtrust, zonder klacht of waarschuwing vooraf. En de werklustige Zwitser gaat vroeg naar bed.

“We zijn een vlijtig volkje”, constateert Helmut Hubacher, voormalig leider van de sociaal-democraten. “Maar soms zijn we wat overijverig”, voegt hij er veelzeggend aan toe. De sociale controle is groot, zelfs in de stad. Ikzelf heb meegemaakt dat bij kort parkeren langs de trottoirband met een gele streep een Zwitser met overmatige burgerzin mij namens Hermandad op de bon wilde slingeren.

De tand des tijds knaagt echter aan die burgerlijke gehoorzaamheid. De afgelopen paar jaar zijn voor de Zwitsers traumatisch geweest. De veelgestelde vraag 'Gebeurt er wel eens wat in Zwitserland?' kan nu worden beantwoord met: meer dan de Zwitser lief is.

Zwitserland, zoals ik het heb leren kennen, heeft drie gezichten. In de eerste plaats, het keurig aangeharkte, kleinburgerlijke Zwitserland waar de toeristen op afkomen - dat van de ansichtkaarten, de koekoeksklok, de Emmenthaler kaas en de Toblerone-chocola. Bij dit allesoverheersende beeld past een goedgeregelde infrastructuur - treinen die op tijd rijden, postbestelling in weer of wind zonder mankeren - georganiseerd binnen een uniek federatief verbond met grote autonomie voor de kantons.

Consensuspolitiek zorgt voor rust in het land. Rechts, centrum-rechts en het centrum vormen al dertig jaar samen met de sociaal-democraten de regeringscoalitie. Het electoraat heeft directe medezeggenschap door middel van referenda. Dat alles is gekoppeld aan economisch liberalisme. De terughoudende overheid legt omarming van het vrije-marktmechanisme geen haarbreed in de weg. Het recht op eigendom is heilig.

In een periode van bijna 500 jaar zonder oorlog is een welvarend klimaat ontstaan. Zwitserland heeft het hoogste inkomen per hoofd van de bevolking ter wereld. Er is volop werkgelegenheid (minder dan een procent van de beroepsbevolking is werkloos), zonder stakingen of ingrijpende politieke omwentelingen.

Dat zijn althans de uiterlijke kenmerken van de Zwitserse samenleving. Maar er is een keerzijde. Deze schijnbaar paradijselijke maatschappij wordt onzichtbaar maar strak geregeerd door “een corporatistische oligarchie”. Dat beweert de Geneefse hoogleraar sociologie, prof.

Jean Ziegler. Afwisselend wordt hij beschouwd als de luis in de pels dan wel als het geweten van Zwitserland. Met zijn kritische maatschappijvisie is hij echter niet de enige.

Ziegler constateert het bestaan van een wijdvertakt netwerk tussen alle grootindustrielen. De 26 grootste bedrijven bepalen in wezen 's lands beleid. Daartoe behoren de drie grootste banken UBS, SBS en Kreditanstalt, de voedingsgigant Nestle, en de chemie-multinationals Ciba-Geigy, Hoffmann-la Roche en Sandoz.

Ter illustratie van wat Ziegler noemt “de starre ondoorzichtigheid van deze samenleving” wijst hij op het ontbreken van duidelijke statistieken die de directe of indirecte invloed van grote ondernemingen op de overheid kunnen aantonen. Gedetailleerde bedrijfsresultaten en buitenlandse deelneming blijven angstvallig achterwege. Het bewust achterhouden van gegevens over de grootte van investeringen in het buitenland of over de hoogte van buitenlandse tegoeden in Zwitserse banken is heel gewoon. Net als de traditiegetrouwe kartelvorming en het monopolistische 'old-boys-network'. Dit is het tweede, minder zichtbare gezicht van Zwitserland.

Een zekere 'onder-ons-mentaliteit' ontstaat al in militaire dienst. Bern kan binnen 48 uur 625.000 burger-soldaten onder de wapenen roepen. Een succesrijke carriere als officier in het leger opent deuren in het burgerleven. Max Frisch schrijft: “De bankier als luitenant-kolonel, de procuratiehouder op zijn minst kapitein, de eigenaar van diverse hotels als majoor - een leger van bezitters van het vaderland...”

Sinds de Zwitsers in 1515 bij het Italiaanse Marignano jammerlijk werden verslagen, hebben zij alle pogingen tot gebiedsuitbreiding verder uit hun hoofd gezet. “Als het al tot schieten kwam”, schrijft Frisch, “dan was het op stakende arbeiders (de algemene staking van 1918) of op demonstrerende arbeiders (in 1932 vielen in Geneve dertien doden bij protesten tegen Zwitserse fascisten).”

Wordt de rust en orde verstoord dan treedt de politie hardhandig op. Weinig bekend is dat bij de rellen in Zurich in 1981 meer rubberkogels zijn afgeschoten dan gedurende twaalf jaar onlusten in Noord-Ierland.

De karakteristieke geslotenheid van de Zwitserse samenleving bepaalt tevens het derde gezicht van dit land: dat van duistere praktijken, die verscholen blijven door een gebrek aan openheid. “Een natie van helers”, schreef Lenin, zelf ooit woonachtig in Geneve. Een koppeling tussen buitenlands drugsgeld, de banken die het geld witwassen in Zwitserland en de wapenaankopen is echter nooit onweerlegbaar bewezen, al hebben enkele vorsers verwoede pogingen gedaan.

Incidenteel brengt de pers uitwassen aan de oppervlakte: witwasschandalen hebben een nauwe verstrengeling van bedrijfsleven en landsbestuur blootgelegd.

De eerste vrouwelijke minister ooit (Elisabeth Kopp van justitie) werd eind 1989 tot aftreden gedwongen nadat zij haar ambtsgeheim al te licht opvatte door haar man tijdig te informeren over een onderzoek dat op handen was naar diens werkgever. Hans Kopp nam onmiddellijk ontslag. Mevrouw Kopp werd op zuiver juridische gronden vrijgesproken.

Ook haar man, commissaris van het bedrijf dat was beschuldigd van het witwassen van drugsgelden, ging vrijuit. Klassejustitie?

De onthulling - door Tages Anzeiger - over geheime dossiers met honderdduizenden namen, bracht een tweede schok teweeg. Vooral omdat de bondspresident - een ambt dat rouleert tussen de zeven bewindslieden - het bestaan van dit zogenoemde Kartei in eerste termijn stellig ontkende. Arnold Koller - mevrouw Kopps opvolger op Justitie - moest zijn woorden enkele maanden later onder druk van nieuwe onthullingen inslikken. Bijna een op elke zes Zwitsers bleek in het geheime bestand te zijn opgenomen - 5.000 van hen stonden op een zwarte lijst. Zij waren als onbetrouwbaar en onpatriottisch en dus als gevaarlijk aangemerkt.

Opzienbarend was vooral dat de Zwitserse BVD als een staat in de staat bleek te opereren. Dat gebeurde met de volle medewerking van de PTT, van kantonale autoriteiten, reisbureaus en individuele burgers die vrijwillig hun medeburgers bespioneerden.

Onthullingen over een geheim leger dat ook al zonder enige controle van het parlement ten tijde van oorlog de Zwitserse infrastructuur zou saboteren, en een onbehouwen, vergoeilijkende regeringsreactie, veroorzaakten een flinke deuk in het aanzien van de Zwitserse politiek.

Een referendum over het leger heeft zo mogelijk nog meer losgemaakt. Toen de socialisten de benodigde honderdduizend handtekeningen voor een referendum verzamelden in 1987, vermoedde niemand dat hun initiatief om het leger op te doeken serieus zou worden genomen. Tot verbijstering van de regering stemde eind 1989 meer dan eenderde voor afschaffing van het leger, de beschermengel van Zwitserlands met zorg gekoesterde neutraliteit. Uit de resultaten bleek een gapende generatiekloof: drie van de vijf jongeren tussen de 20 en 30 jaar stemden tegen het leger, sterker nog: meer dan 70 procent van de jonge recruten van de elite-brigades stemden voor afschaffing. Het waren vooral de ouderen die het leger wilden behouden.

Al deze gebeurtenissen culmineerden in augustus vorig jaar in een opiniepeiling met opzienbarende resultaten. Volgens de helft van de ondervraagden verkeert de Zwitserse democratie nog steeds in een crisis; 44 procent heeft geen hoge dunk van politici “omdat zij uitsluitend een dunne fa(c,)ade ophouden”. Een kwart van de ondervraagden zegt in dezelfde enquete de houding van vele kunstenaars die de feestelijkheden rondom de viering van het 700-jarig bestaan de rug toekeren, te kunnen billijken.

De schandalen hebben deels een verdovende, en deels een verhelderende uitwerking gehad. De onbekommerde kijk van de Zwitsers op hun samenleving is er flink door aangetast. Het comfortabele imago dat de Zwitser graag van zichzelf ophoudt - binnenslands ook wel “gezond zelfbewustzijn” genoemd, maar buiten de grenzen vaak afgedaan als zelfgenoegzaamheid - is ingeruild voor een beter zicht op de werkelijkheid. Grotere veranderingsgezindheid dan voorheen is mogelijk gebleken. Nog geen vijf jaar na afwijzing van het lidmaatschap van de Verenigde Naties - door driekwart van de kiezers beschouwd als een gevaarlijke aantasting van de neutraliteit - staat het geheiligde neutraliteitsprincipe openlijk ter discussie. Staatssecretaris van buitenlandse zaken Klaus Jacobi kon eind vorig jaar ongestraft in een krantenartikel concluderen: “Neutraliteit zoals wij die kennen is een produkt van de Europese situatie. Er kon van alles rondom ons gebeuren, wij probeerden middenin krampachtig onberoerd te blijven en te overleven. Die situatie is voorbij”. Anders gezegd: neutraliteit heeft in een veranderd Europa zonder Oost-West-tegenstellingen geen functie meer. Opmerkelijk genoeg nam zijn directe chef, Rene Felber, hem in bescherming: “We worden gedwongen de opstelling van Zwitserland binnen het Europese integratieproces te overdenken”, zei hij.

Zwitserland deed in augustus vorig jaar voor het eerst mee met internationale sancties; Bern bevroor de Iraakse tegoeden na de invasie van Koeweit. Sancties tegen Rhodesie en Zuid-Afrika, opgelegd door de VN, had Bern tot dan toe systematisch genegeerd.

Sommige politici vangen de noodzaak tot verandering en grotere flexibiliteit in een woord: Europa. Zwitserland staat met zijn 6,6 miljoen inwoners tegen de muur, voor een dominante EG met 320 miljoen.

Wil Zwitserland de boot niet missen dan zijn meer veranderingen onvermijdelijk. Nu nog is de Zwitserse houding ambigu. Zwitsers haten het op luchthavens van EG-lidstaten in de rij te moeten staan met “andere niet-Europeanen”. Zij vrezen tegelijkertijd dat het meest uitvoerige stelsel van volksraadpleging ter wereld op de helling moet bij lidmaatschap van de EG. EG-lidmaatschap zal behalve de neutraliteit wellicht ook de typisch-Zwitserse gastarbeiderspolitiek en het bankgeheim verder aantasten - beide onwrikbare pijlers van de economie.

Het jubilerende eedgenootschap wacht, in navolging van Oostenrijk en Zweden, ongetwijfeld een grote omwenteling - groter dan de schoktherapie van de afgelopen jaren - als zij zich voorgoed uit een zelfgekozen isolement wil verlossen.