EEN MONGOOLSE KRONIEK ONTRAFELD

The Life and the History of Chinggis Khan (The Secret History of the Mongols) Vertaald en van verklaringen voorzien door Urgunge Onon 176 blz., E. J. Brill 1990, f 95,- ISBN 90 04 09236 6

Een studie van de geschiedenis van het Mongoolse wereldrijk, dat bestond van circa 1200 tot 1368, is geen eenvoudige zaak. De Mongoolse veroveringen van grote delen van van Eurazie zijn vrijwel uitsluitend beschreven door geschiedschrijvers die behoorden tot de onderworpen volken. Hun werk, dat tot stand kwam ten tijde van het Mongoolse rijk, is reeds vele eeuwen bekend. Niet alleen de oorsprong van deze weergaven, maar ook het feit dat ze onderling duidelijke verschillen vertonen, maken het moeilijk de ware gang van zaken nauwkeurig vast te stellen. Toch zijn we ertoe veroordeeld de geschiedenis van het Mongoolse wereldrijk grotendeels uit deze verhalen te reconstrueren.

De enige bekende Mongoolse bron die geschreven werd in de hoogtijdagen van het rijk is 'De Algemene Geschiedenis van de Mongolen'. In de Westerse landen wordt deze kroniek 'De Geheime Geschiedenis van de Mongolen' genoemd. De originele uitgave was geschreven in de Mongoolse taal waarbij, zoals dat de gewoonte was, het schrift werd gebruikt van de Oejgoeren, een Turks sprekend volk dat onderworpen was. De Mongolen kenden zelf namelijk geen lettertekens. Nadat de kroniek was gereedgekomen, werd zij opgeborgen in de archieven van de nakomelingen van Djenghis (Chinggis) Khan. Niet iedereen mocht dit werk raadplegen en het is deze geheimzinnigheid geweest die de naam 'Geheime Geschiedenis' heeft doen ontstaan.

Het originele manuscript is naar alle waarschijnlijkheid na de val van de Mongoolse Yuan dynastie in China (1368) verloren gegaan. Bewaard bleven 'vertalingen' in het Chinees, die op twee merkwaardige manieren tot stand kwamen. De een was een transcriptie waarbij het Mongoolse fonetisch was omgezet in Chinees schrift. De ander was een 'interlineaire' omzetting in de Chinese taal, waarbij elk woord letterlijk en op oorpronkelijke plaats in de zin werd vertaald.

Deze laatste versie, die omstreeks 1370 tot stand kwam, gaf overigens een verkorte versie van het oorspronkelijke werk. In 1866 werd deze omzetting door de Russische sinoloog en archimandriet Palladius in het Russisch vertaald. Van zijn werk, dat in West-Europa vrijwel onbekend bleef, maakten enkele Russische orientalisten dankbaar gebruik voor hun boeken waarmee zij een grote reputatie verwierven.

KLAARHEID

De eerste 'vertaling', de transcriptie van de Mongoolse fonetische tekens in het middeleeuws Chinees (waarvan de fonetiek nu ook onbekend is!), werd lange tijd als een onsamenhangend geheel beschouwd. Bij nauwkeuriger bestudering, bleek deze evenwel een completere tekst van de kroniek te bevatten dan de interlineaire vertaling. Het was de Franse professor Paul Pelliot die in 1920 de waarde van dit werk onderkende. Twee geleerden hebben daarna belangrijk werk verricht om deze tekst tot klaarheid te brengen. Pelliot zelf slaagde er tijdens de jaren twintig in de gehele Mongoolse tekst te reconstrueren en de eerste zes hoofdstukken in het Frans te vertalen. Dat was een enorme en nauwelijks te overschatten prestatie. Na hem is de Duitse hoogleraar Erich Haenisch de eerste geleerde geweest die de integrale kroniek in een Westerse taal omzette. In 1941 verscheen zijn Die Geheime Geschichte der Mongolen. Door de Tweede Wereldoorlog duurde het evenwel tot 1948 voordat zijn prestatie algemene bekendheid kreeg.

Na het werk van Haenisch zijn verschillende andere vertalingen verschenen, waarvan die van de Amerikaan F. W. Cleaves en van de Australier I. de Rachewiltz de belangrijkste zijn. En nu is er dan de Engelse vertaling van Urgunge Onon die verscheen onder de (waarschijnlijk pakkender geachte) titel The Life and the History of Chinggis Khan. Aangenomen mag worden dat Onon, die in Cambridge studeerde, aan het werk van zijn Angelsaksische voorgangers veel steun heeft gehad. Het bijzondere van zijn vertaling is evenwel dat dit de eerste is van een Mongool die bovendien claimt, op grond van zijn kennis van de Mongoolse taal, een aantal fouten in voorgaande versie te hebben rechtgezet.

Toch kan ook Onon niet alle raadsels oplossen. Na de ontdekking van 'De Geheime Geschiedenis' werd natuurlijk de vraag gesteld: wanneer en door wie werd deze kroniek geschreven. Er bestaan wel vermoedens wie de auteur is geweest, maar veel houvast bieden die echter niet. In het verhaal wordt de dood van Djenghis Khan in 1227 zeer summier vermeld.

Dit feit was immers voor de Mongolen een taboe. De schrijver stelt dat hij zijn werk in 'het jaar van Rat' afsloot. Dit houdt in dat onder andere 1228 en 1240 als datering in aanmerking komen. Hoewel aanvankelijk voorkeur bestond voor 1240, wordt tegenwoordig aangenomen dat 1228 het juiste jaar is.

WIJZIGINGEN

Zoals in veel historische kronieken werden later in het origineel van 'De Geheime Geschiedenis' wijzigingen aangebracht al naar gelang het politieke en militaire getij wisselde. Djenghis Khan werd, overeenkomstig zijn wil, opgevolgd als Grote Khan door zijn derde zoon, Ogodei. Het was ongetwijfeld de bedoeling dat alleen diens nakomelingen in aanmerking zouden komen voor die positie. Maar tijdens de veldtocht van de Mongolen in Oost-Europa (1236-1242) ontstond een hevige ruzie tussen de nakomelingen van Djenghis Khans oudste en vierde zoon aan de ene en die van zijn tweede en derde zoon aan de andere kant. Dit conflict werd na een bloedige strijd gewonnen door de eerste groepering en had tot gevolg dat de afstammelingen van de vierde zoon de functie van Grote Khan vervulden tot de ondergang van het Mongoolse rijk. In 'De Geheime Geschiedenis' zijn onmiskenbaar aanwijzingen te vinden dat de nieuwe heersers achteraf passages hebben ingelast om hun bewind als een door Djenghis Khan opengelaten mogelijkheid af te schilderen.

De tekst van 'De Geheime Geschiedenis' bestaat uit twaalf hoofdstukken die alles bij elkaar 282 paragrafen omvatten. Het geheel kan in twee delen worden gesplitst. Paragraaf 1 tot 124 gaat over Djenghis Khans voorvaderen en de prehistorie van de Mongoolse volksstammen; dit deel is grotendeels legende met een geringe geschiedkundige waarde. Vanaf paragraaf 125 bevat de kroniek de geschiedenis van de opkomst en overwinningen van de Mongoolse veroveraar. Het zwaartepunt ligt daarbij bij de strijd om de suprematie in Centraal Azie. De veldtochten in China komen wel ter sprake, doch die in Zuidwest-Azie en in Oost-Europa nauwelijks.

Over de waarde van 'De Geheime Geschiedenis' wordt verschillend geoordeeld. Kenners van de Mongoolse historie menen dat de kroniek niet alleen een duidelijk licht werpt op de oorlogen en de opkomst van de Mongoolse volksstammen onder leiding van Djenghis Khan, maar bovendien een goed inzicht geeft over de levenswijze in de steppen.

Voor wat betreft het laatste wordt het boek als een van onze voornaamste bronnen beschouwd. Geleerden die het Mongoolse rijk bestuderen aan de hand van de islamitische bronnen staan evenwel heel wat sceptischer tegenover de historische betekenis van de kroniek, vooral door hun twijfel over allerhande kleurrijke, maar ongeloofwaardige details.

Vast staat evenwel dat het voor een biograaf van Djenghis Khan niet mogelijk is de opkomst van de grote veroveraar te beschrijven zonder 'De Geheime Geschiedenis' te raadplegen. Probleem is dat het uitgebreide genealogische overzicht van Djenghis Khans voorvaderen weinig geschiedkundige waarde heeft. Toch is het interessant daarin de relatie tussen de verschillende volksstammen en clans te ontrafelen.

Urgunge Onon heeft hiervan een omvattend overzicht gemaakt dat is gebaseerd op een zeer minutieuze tekstanalyse.

Wel is het te betreuren dat in de inleiding van deze nieuwe vertaling helaas met geen woord melding wordt gemaakt van het pionierswerk dat Pelliot en Haenisch hebben verricht. Een andere tekortkoming is dat zowel de bibliografie (zelfs hierin ontbreken de namen van Pelliot en Haenisch!) als de index erg summier is. Dit neemt niet weg dat The Life and the History of Chinggis Khan door de verklaringen die Onon aan de tekst heeft toegevoegd, een belangrijke bijdrage is aan de studie van de vroege geschiedenis van het wereldrijk der Mongolen.