De Sterrenwacht geeft voorproefje

Tentoonstelling: Musee 2000 te Luxemburg, een keuze. T-m 1 juni in Academie-galerie De Sterrenwacht, Pieter de Hoochweg 127-129, Rotterdam. Do-vrij, 13-17 u; zat 13-16 u.

Rotterdam heeft er weer een nieuwe expositieruimte bij, de Sterrenwacht, gevestigd in een voormalige Hogere Zeevaartschool. De galerie is verbonden met de Academie voor Beeldende Kunsten, die sinds 1988, na een fusie met andere HBO-instellingen, de Faculteit der Kunsten en Architectuur van de Hogeschool Rotterdam & Omstreken heet.

De Sterrenwacht - de naam van de galerie is ontleend aan een observatorium op het dak van het gebouw dat nog steeds in gebruik is - gaat eindexamenpresentaties organiseren en tentoonstellingen van afgestudeerden. Hiervoor zullen, met een modieus anglicisme, 'gastcuratoren' worden aangetrokken. “Een vorm van sympathieke, maar ook noodzakelijke nazorg”, zo vatte Hein van Haaren, voorzitter van de Faculteit tijdens de opening de doelstellingen samen.

Als voorproefje op de activiteiten die in september van start gaan, is er tot en met 1 juni een tentoonstelling van schilderijen te zien van pas afgestudeerde studenten uit dertien landen. Deze kunstenaars, van wie de meesten tussen de twintig en dertig jaar oud zijn, hebben meegedongen in een internationaal concours dat werd uitgeschreven door het Musee 2000, een particulier initiatief van een Luxemburgse kunstliefhebber. De inzendingen - in 1990 135 werken van 45 kunstenaars - werden na afloop door het Museum aangekocht. De Sterrenwacht heeft streng geselecteerd en toont uit dit aanbod het werk van slechts twintig schilders, onder wie de Rotterdamse Stella de Boo die de vijfde prijs kreeg. Vreemd genoeg is zij van de vijf prijswinnaars de enige uit een Westeuropees land, de anderen komen uit Polen, Tsjechoslowakije Japan.

In Rotterdam is Japan als enige land met drie kunstenaars sterk vertegenwoordigd. De schilderijen van Toshihiro Okakura en Kenji Miura, die respectievelijk met de eerste en vierde prijs werden bekroond, zijn technisch perfect uitgevoerd. Miura schildert naakten in verschillende poses uitgestrekt op overvloedige draperieen, Okakura's schilderij van twee vrouwen is vreemd en indringend, zijn verbeelding van een dromende man die belaagd wordt door drie benen is meer surrealistisch. Dat men op de Academie in het Japanse Kanazawa niet uitsluitend figuratief leert schilderen bewijst het zwarte kruis van Shinji Narita. Dit duidelijk door Malevitsj geinspireerde werk, is op ingenieuze wijze samengesteld uit negen losse panelen.

Niet alleen in Japan maar ook bij de meeste andere inzendingen valt de degelijke, vakkundige manier van schilderen op. Damon Butler, student aan de The Cooper Union in New York, toont een bijna volmaakte imitatie-Rauschenberg, Marie-Helene Plancher uit Parijs een met elan en vaart geschilderde hond die aan Picasso herinnert. Jonathan Green, afgevaardigd door het Londense Royal College of Art, zoekt zijn voorbeelden in de renaissance. Maar het is wat al te gemakkelijk om het werk van pas afgestudeerden in deze termen af te doen, want na de opleiding begint het voor hen tenslotte pas echt. Hun uitgangspositie is niet slecht, het werk van de meesten is nu al 'salonfahig', maar hoe ze zich verder zullen ontwikkelen is moeilijk voorspelbaar op grond van een, soms twee schilderijen.

De schilderijen uit Oost-Europa zijn veelal melancholieker en somberder van toon. Honger van de Hongaar Jozsef Bahsai is een in grijzen en zwarten pasteus geschilderde kop. Tomas Masin uit Praag toont een met zwarte verf overgeschilderde landkaart waarin kleine stukjes zijn uitgespaard. De betekenis van het getal daarbij blijft raadselachtig. De technieken waarin de Oosteuropeanen werken zijn wat minder traditioneel, van enkelen zijn bovendien fotowerken te zien.

Stella de Boo schilderde een zwevende, naakte figuur waarvan sommige delen zich als het ware oplossen in ruimte. Haar Survival of the adapter is een sterk en opmerkelijk schilderij, vooral door het surrealistische karakter ervan, een stroming die in Nederland nooit erg populair is geweest.

De ruimte waarover De Sterrenwacht beschikt heeft museale afmetingen. Onder een fraai gerenoveerde gymnastiekzaal bevindt zich een tweede lagere ruimte. “Als je hier begint”, hoorde ik iemand tijdens de opening beweren, “kan het daarna alleen nog maar tegenvallen”.

Hoe prijzenswaardig ik het initiatief van een academie-galerie ook vind, er kleeft ook een gevaar aan dat elke jonge Nederlander tegenwoordig bedreigt. Alle overgangen moeten hier liefst geleidelijk en zonder schokken verlopen, ook van de academie naar het vrije kunstenaarschap. Nederland gaat nog eens aan voor- en nazorg ten gronde.