'De meisjes in die leuke rokjes' willen serieus worden bejegend

Vanaf komende woensdag verdedigt het Nederlandse vrouwenhockeyteam in Brussel de Europese titel. Dan is er voor Oranje een einde gekomen aan een zware periode van voorbereiding. De internationals zelf hebben de indruk dat maar weinige mensen beseffen hoe veel tijd en arbeid ze aan hun sport spenderen en dat er wordt gedacht dat 'die meisjes in die leuke rokjes' steeds zonder al te veel moeite hun wedstrijden winnen. Dat stoort de hockeysters. “Het zou wat dat betreft niet slecht zijn als we een tijdje eens geen titels winnen en derde of vierde worden. Dan ziet iedereen misschien in hoe sterk de concurrentie is”, aldus bondscoach Roelant Oltmans.

TILBURG, 27 APRIL. Het trainingskamp op het veld van THMC Tilburg. Een jeugdlid van die vereniging komt op zijn fiets aanrijden en schrikt als hij zestien hockeysters op het kunstgras ziet staan. “Wat moeten die grietjes op ons veld?”, klinkt het verontwaardigd. Er is geen spoor van herkenning met het Nederlands team, toch de wereld- en Europees kampioen. Lisanne Lejeune, de vedette van Oranje, vindt termen als meisjes en grietjes 'iets denigrerends hebben' als er over de nationale ploeg wordt gesproken. “Voor mij klinkt dat als: die meisjes die een beetje kunnen hockeyen...”

“Ik word gek”, bekent Carina Benninga, de aanvoerster, “als ik hoor dat er ook binnen het bondsbestuur over die meisjes wordt gesproken.

Dan gaat het wel over een officieel verzoek van onze kant, van die meisjes. Die benadering stoort me. We willen serieus worden genomen.''

Benninga denkt dat de meeste bestuurders niet eens weten dat ze regelmatig haar broodje achter het stuur in de auto opeet om na haar werk maar op tijd op de training te zijn. “Of ze willen het niet weten.”

Benninga schroomt niet om bij de hoogste instantie aan te kloppen als haar iets niet bevalt. “Ik beweer heus niet dat de bond kloten is.

Maar ik wil wel dat er naar ons geluisterd wordt. We moeten het met elkaar doen. Ik zie het bondsbestuur als onze directie. Die moet dus precies weten wat er op de werkvloer gebeurd, want is men daar ontevreden dan daalt de winst en stopt de lopende band misschien helemaal.” Benninga weet dat haar geklaag effect heeft. “Ik denk bijvoorbeeld niet dat we nog een keer wereldkampioen zullen worden zonder dat er een feest voor ons wordt georganiseerd.”

Benninga zegt zichzelf regelmatig de vraag te stellen waarvoor ze 'het' allemaal doet. Zes dagen in de week is ze met hockey bezig. “Je loopt je lichaam kapot, staat meestal in de kou te spelen en er zit vervolgens een anderhalve paardekop op de tribune. Ja, dan ben je inderdaad een beetje gek.” De momenten van plezier overheersen echter ook bij de captain, met 28 jaar de klasse-oudste en daarom binnen het team vaak met oma aangesproken, nog steeds heel duidelijk. “Het is heerlijk om je grenzen te verleggen. Het onderste uit je lichaam te halen. Ik moet bewegen. Als ik goed zou kunnen schilderen zou ik gek worden, is te passief voor me.”

Wel deelt Benninga, werkzaam als organisatieadviseur, tegenwoordig haar dagen strakker in dan vroeger. Zo vertrekt ze meteen na de trainingen. Dat betekent dat ze bijtijds thuis is en nog 'iets anders leuks' kan doen. Haar ploeggenoten bij Amsterdam moesten er volgens Benninga wel aan wennen, “want het is nu eenmaal de cultuur in het hockey dat je na afloop nog even gezellig wat drinkt. Maar ik voorspel dat straks vele anderen het op deze manier zullen gaan doen. Het kan bijna niet anders meer.”

Zonder uitzondering studeren of werken alle internationals. Er moet nu of straks brood op de plank komen. Lejeune koos wel ten behoeve van het hockey voor een parttimebaan en heeft het niet breed. Helen van der Ben liet zelfs een baan in het onderwijs schieten. “Ik kan straks altijd nog werken.” En verscheidene speelsters lieten al een jaar of meer op school lopen. Typerend voor de tijdnood waarin speelsters verkeren is het verzoek van Florentine Steenberghe en Ingrid Appels een dag tijdens het trainingskamp in Tilburg de lunch te mogen overslaan om op de nabij gelegen universiteit te gaan studeren. Twee dagen later hebben drie leden van het team tentamens.

Caroline van Nieuwenhuyze-Leenders is de enige getrouwde speelster binnen de selectie. Ze ziet haar echtgenote niet bijster veel.

“Zaterdag is mijn enige vrije dag. Dan slapen we heel lang uit, uitgebreid ontbijtje.” Omdat haar man werkt kan Van Nieuwenhuyze zelf met tweeenenhalve dag arbeid volstaan, als hydrotherapeute bij lichamelijk gehandicapten. “Dat is in mijn geval dus weer een voordeel.” Ze zegt het hockey niet te willen missen. Het draait volgens de verdedigster allemaal om 'het plezier om met elkaar bezig te zijn', alsmede de voldoening van het behaalde succes.

Een grote zak geld zou de grote werkdruk bij de hockeysters kunnen verlichten aangezien ze dan niet meer hoeven te werken. “Waanzinnig lekker lijkt me dat”, is de eerste reactie van Carina Benninga. Maar vrijwel meteen daarna komt ze tot het besef dat werken of studeren naast het hockey ook grote voordelen biedt. “Doordat je nog andere dingen aan je hoofd hebt leer je de sport relativeren. Dat helpt je over een nederlaag of blessure heen te komen.” Van Nieuwenhuyze-Leenders wijst op de uitgevoetbalde Diego Maradona. “Die zocht ergens anders dan in het voetbal een kick. Maar hij had niets anders. Dus werden het die drugs, triest.” Volgens Benninga zou het voor een tophockeyster ideaal zijn een baan van negen tot drie te hebben. “Dan ben je om half vier thuis, kan rustig eten en om zes uur op het veld staan. Maar waar vind je zo'n baas?”

Bondscoach Roelant Oltmans beseft dat bij sporters met een dergelijk druk leefschema de kans op psychische en lichamelijke problemen volop aanwezig is. Hij doet ook zijn best van iedere speelster in de privesfeer iets af te weten zodat hij ander gedrag meteen opmerkt.

Bovendien is er binnen het team de afspraak gemaakt dat er aan de bel wordt getrokken als een speelster zich op welk gebied dan ook niet lekker voelt of dat bij een teamgenoot constateert. “We zijn als ploegleiding ook nog nooit verrast geweest”, aldus Oltmans, bondscoach sinds oktober '89. “Maar we hebben een speelster weleens geadviseerd professionele hulp in te roepen.”

Oltmans noemt zichzelf een huis-tuin- en keukenpsycholoog. “Door de jaren heen ga je met zo veel verschillende mensen om, dan word je automatisch handig in de omgang.” Toch heeft hij al eens een echte psycholoog voor een groepssessie uitgenodigd, tot de Spelen van Barcelona staan er daarvan nog vier gepland. Oltmans rekent uit dat buiten hem nog een man of tien zich de afgelopen maanden bezig hebben gehouden met de begeleiding van het team. Dokters, fysiotherapeuten, specialisten op bepaalde trainingsonderdelen en in het trainingskamp in Tilburg komt er zelfs een voedingsdeskundige op bezoek. “Dat zo'n speelster op trainingsdagen 's avonds om een uur of tien honger heeft is begrijpelijk. Maar het is niet handig als die dan gestild wordt met drie gebakjes of een patatje-met”, schetst Oltmans het nut van eetadviezen.

Door de jaren heen is de organisatie rondom de hockeyploeg bijna een eigen bedrijf geworden. Soms vragen de speelsters weleens af waarom ze bepaalde zaken moeten doen of aanhoren. “Maar er zit altijd wel wat nieuws bij. Daarom luister je steeds weer”, aldus Helen van der Ben, een van de routiniers. “Je vraagt”, zegt captain Benninga, “jezelf toch af of we misschien door dat koolhydratendrankje dat we voor en na de wedstrijden in Australie kregen wereldkampioen zijn geworden. Je weet gewoon dat succes van hele kleine dingen afhangt. We kunnen geen moment verslappen. De concurrentie zit in onze nek, echt waar.”

Natuurlijk is de bondscoach ook al lang op het veld in Brussel geweest waarop vanaf woensdag het EK wordt afgewerkt. Hij keek goed rond en kwam tot de conclusie dat er grote parkeerproblemen bij het spelershotel zijn. Teammanager (en trainer) Frank Dikmoet ging meteen op onderzoek uit en rekende uit dat het 2400 gulden gaat kosten om alle auto's van het team gedurende het hele toernooi netjes en veilig te stallen. Dat is hem veel te gortig, maar Dikmoet wil liever niet met de bus naar Belgie. “Want”, zegt de manager, “het lijkt me leuk om straks met al die witte Audi's van het NOC achter elkaar Brussel in te rijden, tak, tak, tak, tak. Daar zijn we, mensen. Zo'n stoet zal zeker opvallen.”