De hand van God soms?

Hebt u dat ook weleens, dat je 's morgens wakker wordt en denkt: vandaag doe ik niet wat ik moet doen, vandaag doe ik waar ik zin in heb. En als u dat hebt, wat doet u dan?

Ik heb de trein genomen naar Rhenen. Als ik naar Almelo of Roosteren of Terneuzen had gewild, had dat ook gekund. Als ik niet per se dezelfde dag weer thuis had willen zijn, was zelfs Terschelling mogelijk geweest. Klein landje ja.

Ik ging dus naar Rhenen, vervoegde me bij het kantoor van Ouwehands en vroeg of ik in de loop van de dag met iemand over de verzorging van gibbons kon praten.

''Waarom speciaal de gibbons?'' ''Zijn er nog mooiere dieren dan?''

''Dat hangt van uw smaak af.'' ''En van de uwe'', antwoordde ik. ''Zitten ze nog altijd op die eilandjes tegenover het terras van het restaurant?''

Inderdaad, zei men, daar zaten de gibbons. Drie stuks. Jaap van 1979, Moppie van 1980 en hun naamloze jong, een zoontje, van oktober '88.

Man, vrouw, kind, de natuurlijke omvang van een gibbongroep. In dergelijke kleine verbanden bewonen ze ook het Aziatische regenwoud.

Geen oog voor papegaaien, olifanten en leeuwen vandaag. Ik liep rechtstreeks naar de plek die ik in gedachten had. De terrasmeubelen waren nat en smerig, maar je kon op een muurtje zitten. De withandgibbon, in kruiswoordraadsels beter bekend als lar.

Aan de periferie van mijn waarnemingen joelde een schoolklas. Verder alleen vogelgeluiden. Het was koud. Boven het geboomte woelde de hemel; nu en dan regen, af en toe zon.

Met een zekere omzichtigheid concentreerde ik me op de beide gibbons. Die prachtige blonde, dat was waarschijnlijk Jaap. Die aandoenlijke zwarte natuurlijk het jong. Op hun eilandjes deden ze in alle rust de dingen die ze moesten doen. Op het omringende water dreven mandarijneenden.

Ik begon te noteren wat me zoal inviel. Over hun manier van bewegen maakte ik me geen illusies. Zo elegant. En over hun gezichtjes evenmin. Zo lief en aandachtig. Maar aan het beschrijven van hun handen wilde ik wel een poging wagen.

Nu en dan schudden ze zich uit. Dat begon in hun schouders en bereikte via hun armen hun handen, die dan losjes heen en weer zwaaiden, als vaantjes in de wind. Smalle palm, lange vingers, teruggetrokken duim.

Bij het lopen hielden ze deze handen geruststellend aan de grond. Hangend aan deze handen slingerden ze zich vliegensvlug langs touwen en takken van het ene eiland naar het andere. Met deze handen draaiden ze stenen om en brachten ze eetbaarheidjes naar hun mond. En wanneer ze, als vluchtelingen in elkaar gedoken, even gingen zitten nadenken, legden ze hun handen over hun knie.

Ik dacht aan de binnenkant van deze handen. Eeltig en glad, vermoedde ik, zo ongeveer als de handen van oude landarbeiders die ik had gekend, eindeloos gepolijst door het polijsten van de steel van spade en schoffel.

Misschien, dacht ik, zijn dit wel de best geslaagde handen van de schepping. Je kunt er geen koe mee melken, geen stukjes mee schrijven, maar ook geen geweer mee afschieten. Als het bij deze hand gebleven was, had nog steeds niemand benul van goed en kwaad, laat staan van socialisme.

Om een uur ging ik terug naar het kantoor en daar werd ik afgehaald door Peter van der Eijk, chef van de verzorgers, jong, energiek en opgewekt. Je komt wel meer van die mensen tegen en je vraagt je af: hoe komen ze zo? Terwijl je jezelf steeds schildpadachtiger voelt worden.

''Ik heb een uur zitten kijken'', zei ik, ''en ik zag er maar twee.'' ''Drie!'' zei Van der Eijk. ''Ik ben er even voor twaalven nog langsgekomen en ze waren met z'n drieen.''

''Nou'', zei ik, ''ik dacht toch wel dat ik tot drie kon tellen.'' Van der Eijk grijnsde vriendelijk. ''Misschien zijn we er een kwijt.''

''Kan dat?'' ''Dat kan. Gibbons kunnen niet zwemmen en dat water is te diep voor ze. Daarom hebben we er betonmatten in gelegd; in geval van nood kunnen ze terugwaden naar hun eilandjes. Maar het lukt ze ook weleens om aan de overkant te komen.''

Jaap bij voorbeeld was een keer maandenlang weggeweest. Tot in Achterberg was hij gesignaleerd. Voedde zich kennelijk met mais en vruchten. Keerde uiteindelijk vrijwillig weer terug in zijn gevangenschap. Nou ja, vrijwillig? Hij kon ergens anders geen vrouwtje vinden.

Hierna werd ik toevertrouwd aan de hoede van Frits van Campen, een man van 59, sinds 1966 bij Ouwehands werkzaam. Mooi leek me dat, zo'n levenslang verbond met dieren.

''Apen'', zei Van Campen misprijzend. ''Al dat geschreeuw en gebrul en poepgesmeer...''

Vogels vond hij al iets leuker, vissen nog leuker en het allerleukst die beestjes die je pas te zien krijgt als je ze onder een microscoop houdt. Maar onder de mensapen, gaf hij toe, waren de gibbons zo kwaad nog niet. ''Ze zijn schoon en ze ruiken lekker.''

Toen stonden we weer bij dat vijvertje met eilandjes. Jaap en het jong herkenden Van Campen meteen. ''Twee'', stelde hij verbluft vast.

''Ja'', zei ik. Hij ging een sleutel halen, verdween in het nachthok, kwam weer naar buiten en zei dat hij er niets van begreep.

We keken omhoog naar de bomen. ''Maar ze zou toch nooit haar jong alleen laten'', zei ik.

Van Campen schudde zijn hoofd. ''Daar ligt ze'', zei hij en zijn blik rustte op een inderdaad nogal harige, zwarte vlek aan het wateroppervlak. Zelf had ik er niet gauw een aperug in herkend.

Hier eindigde, dat begrijpt u, het beste deel van deze dag. Slechts voor de volledigheid meld ik nog wat me opviel toen het dier eindelijk werd geborgen. Ten eerste hoe gewoon de dood is, maar dat wist ik al, dat had strikt genomen niet hoeven opvallen. Ten tweede, en dat was wel een verrassing, hoe onwaarschijnlijk weinig gibbon er in zo'n weelderige vacht zit. Het polsje, waaraan Moppie werd opgehesen, was niet veel dikker dan een potlood.

Jaap en het jong keken toe met priemende oogjes en ingehouden hoe-hoe-geluidjes. Hun belangstelling gold het merkwaardige doen en laten van de verzorgers. Het druipende lijkje maakte geen enkele emotie wakker. Dat was Moppie niet.

Dat ze te water was geraakt, was een raadsel. Dat ze was verdronken, kwam doordat ze met haar hand verstrikt was geraakt in de mazen van de betonmatten.

En misschien nog dit: dat waar je zin in hebt, had je gisteren moeten doen.