De adeldom van de onderdrukten; Minderheden bedreigen de academische vrijheid aan Amerikaanse universiteiten

Op de Amerikaanse universiteiten is het ontzag voor de gevoelens van minderheden in de jaren tachtig stilletjes tot grote hoogte opgevoerd. Racisme is datgene waar een minderheidsgroep - en dan vooral zwarten, homoseksuelen en vrouwen - zich aan stoort, zeggen nu ook voormannen van het intellectuele establishment. En daarover valt niet rationeel te discussieren. De laatste tijd groeit het ongenoegen over deze nieuwe vorm van onverdraagzaamheid: ook links-liberale intellectuelen beginnen zich te verzetten tegen wat zij Politically Correct Thinking hebben gedoopt. Kan het tij nog gekeerd worden? 'Een blanke hoogleraar barstte in huilen uit omdat hij niet tot een minderheidsgroep behoorde'.

Op een goede dag las Stephan Thernstrom, hoogleraar geschiedenis aan Harvard, in de Harvard Crimson dat zijn studenten hem 'raciaal ongevoelig' vonden. De bronnen van de berichten waren anoniem en geen van de studenten had er tijdens zijn hoorcolleges over 'het bevolken van Amerika' over gesproken. Het nare etiket begon aan deze krommende 56-jarige pijproker te knagen. De campus van Harvard is een reusachtig plein vol statige oude gebouwen met grote hallen, verbonden door rechte en diagonale, beboomde paden. Iedereen komt elkaar tegen. Wat in de Crimson staat, verspreidt zich snel en niemand wordt graag voor racist uitgemaakt, zeker niet Thernstrom die door het linkse studentenblad Perspective als ''de links-liberale ster aan het firmament'' werd betiteld.

De studenten hadden de klachten aan de commissie voor rassenbetrekkingen voorgelegd. Volgens Wendi Grantham, toenmalig voorzitter van de Black Students Association political action committee zou Thernstrom hebben gezegd dat segregatiewetten nuttig waren. Bovendien las hij voor uit journalen van plantage-eigenaren waardoor hij slavernij gunstig zou voorstellen.

Thernstrom was verbaasd. Wat hij had gezegd, was volledig verdraaid. Hij had feitelijk behandeld hoe segregatiewetten werkten. In zijn colleges ging het er om de geschiedenis door middel van de mensen zelf te vertellen. Van slaven had hij geen geschriften - slaven mochten (als zij dat al konden) niet lezen en schrijven - dus wilde hij dat de studenten zich een beeld vormden van de slavernij door de journalen van plantage-houders. In zijn 25-jarige loopbaan aan Harvard had hij nog nooit zoiets meegemaakt.

'GEVOELIGHEID'

Hij schreef in de brief aan de Crimson dat de protesterende studenten zich schuldig maakten aan McCarthyisme van links, wat academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting onmogelijk maakte. Ze konden zich beter direct tot hem wenden om het uit te praten dan zich richten tot een beroepsinstantie. Grantham antwoordde per brief dat ze Thernstrom geen racist vond, maar dat ze zijn 'gevoeligheid' in twijfel trok, omdat hij positieve discriminatie definieerde als ''het afdwingen van een voorkeursbehandeling door de overheid bij het aannemen en bevorderen van mensen en bij het toelaten tot de universiteit''. Thernstrom zou ook zeggen dat zwarte mannen gevoelens van minderwaardigheid hadden, hun vrouwen sloegen en dan de plaat poetsten. Grantham gaf hier een eigen interpretatie van het inmiddels klassiek geworden Moynihan-rapport over de achterstand van zwarte gezinnen.

In het daarop volgende conflict werd Thernstrom niet gesteund door de leiding van de faculteit. Integendeel, hi incidenten - onder wie dus Thernstrom - waren zich vaak niet bewust van de reikwijdte van hun woorden, maar ieder lid van de gemeenschap moet ''alert zijn voor dit verraderlijke soort onverdraagzaamheid''.

De gelijktijdig uitgegeven brochure 'Richtlijnen met betrekking tot racistische beledigingen' beschouwde niet de gebruikte woorden maar de aanstoot die minderheidsgroepen eraan namen als norm voor racisme.

Thernstrom voelde zich in de steek gelaten door de leiding van de universiteit. Hij kon zich niet verdedigen. Een vrije discussie over wat wel en wat niet als racistisch kan worden beschouwd, was niet mogelijk.

Sinds dit incident in 1988 heeft Thernstrom de hoorcolleges over het bevolken van Amerika laten vallen. Hij kan op Harvard het onderwerp etnische minderheden niet meer op neutrale, wetenschappelijke wijze behandelen. ''Ze willen dat ik bij de behandeling van het onderwerp slavernij meteen zeg hoe afgrijselijk ik het vind. Ik moest laten zien dat ik aan de kant van de zwarten stond. Ik wil juist onpartijdig geschiedenis van de zwarten geven,'' zegt hij. Thernstrom doceert zijn vak nu alleen voor kleine werkgroepen van tien tot twaalf, ook zwarte, studenten. De contacten zijn dan zo direct dat hij niet hoeft te vrezen voor beroepsprocedures.

PIJP

Een steile trap voert naar de deur van zijn werkkamer. Zijn secretaresse die ver weg zit, voert al jaren een oorlog tegen zijn pijp, omdat ze volgens haar zeggen hoofdpijn krijgt van de rook die de lange weg naar beneden en naar de overzijde van de brede gang moet afleggen. Ook een slachtoffer met het gelijk aan haar zijde. Roken is verboden in openbare gebouwen in Cambridge. Het past in de nieuwe puriteinse vlaag die deze vlak na de landing van de Pilgrimfathers opgerichte universiteit heeft bevangen. Maar betekende het puritanisme tot in de jaren dertig dat niet-protestanten en niet-blanken nauwelijks werden toegelaten, nu omhelst de universiteitsleiding na het opengooien van de poorten het multiculturalisme, dat ook onverdraagzame trekjes heeft.

In universiteiten over heel Amerika worden hoogleraren en studenten aangespoord om op hun woorden en daden te passen, zodat mensen niet nodeloos worden gekwetst. Tegenstanders van dergelijke 'gevoeligheid'

hebben de Orwelliaanse uitdrukking politically correct thinking, afgekort PC, bedacht voor wat zij beperking van de academische vrijheid vinden. Het is het moderne equivalent van Newspeak of Doublespeak. De anti-PC'ers hebben zich verenigd in de National Association for Scholars, een snel groeiend netwerk. De vereniging is allesbehalve conservatief: zij telt ook links-liberalen onder haar leden.

De oppositiebladen van studenten zijn wel conservatief en worden financieel gesteund door conservatieve stichtingen. Hoewel deze studenten op de campus als ultra-rechts worden beschouwd, ziet de Amerikaanse samenleving dat anders. Het aan de universiteit als rechts beschouwde blad Dartmouth Review heeft buiten de campus de naam van een Amerikaanse Propria Cures. Oud-redacteuren van dit tijdschrift genieten gastvrijheid op de glanzende bladzijden van links-liberale maandbladen als Harper's of Atlantic Monthly. Ze verzetten zich tegen multiculturele stromingen, die de vrije discussie over bijvoorbeeld positieve discriminatie belemmeren. Sommige rechtse studenten smokkelen andere, bedenkelijker agendapunten mee. Ze willen zich, soms uit religieuze overtuigingen, openlijk kunnen uitspreken tegen homoseksualiteit. En zo is er een strijd ontstaan met groepen en symbolen.

Homoseksuelen hielden vorig jaar op het plein van de campus van Harvard een kiss in, waarbij ze elkaar openlijk streelden en kusten.

Studenten van evangelische achtergrond namen er aanstoot aan en zeiden dat zij minder uitingsvrijheid hadden dan de homoseksuelen.

Dit jaar staken drie blanke studenten uit zuidelijke deelstaten de zuidelijke bondsvlag uit. Deze vlag met een rood diagonaal kruis op een blauwe achtergrond met sterren werd tijdens de burgeroorlog door de zuidelijke bond gevoerd. Voor zwarten symboliseert de vlag slavernij en segregatie. Ook in de jaren vijftig was deze vlag een belangrijk symbool voor rabiate racisten. Nu dragen Hell's Angels of punkers de vlag op hun jekkers. De studenten van een jongere generatie wilden het symbool in ere herstellen als teken van 'zuidelijke moed'

en de culturele waarde van het zuiden. De zwarte studentenbond reageerde met een hakenkruisvlag, waartegen de joodse studentenbond protesteerde. Na overleg werd de hakenkruisvlag neergehaald. De bondsvlaggen wapperen nog, hoewel universiteitspresident Derek Bok heeft geadviseerd ze te strijken.

ADELDOM

Er is bij Amerikaanse universiteiten sprake van een slachtoffer-revolutie, die verder gaat dan Theodore Roszak in The making of the counterculture ooit had durven dromen. Terwijl Amerika in de jaren tachtig door een conservatieve golf werd overspoeld, trokken oude jaren-zestig-radicalen zich terug in de establishment van veel universiteiten die ze naar hun oude idealen inrichtten.

Voor sommigen is het onderdrukt zijn een nieuwe vorm van adeldom. Een hoogleraar van de Universiteit van Californie maakte in de Wall Street Journal melding van een blanke, mannelijke collega die in huilen uitbarstte omdat hij niet tot een minderheidsgroep behoorde. Het bureau Studentenzaken van Smith College zou hem kunnen helpen met het vinden van een status. Onlangs gaf het een stencil uit met de mededeling dat velen niet beseffen dat ze tot een onderdrukte groep behoren. Daarbij kwam een lijst van slachtoffers van 'lookism' (het opleggen van normen voor schoonheid), 'ageism' (leeftijdsnormen) 'ablisme' (onderdrukking van de differently able - PC-term voor gehandicapten - door de niet-gehandicapten) en 'classism'.

De strijd spitst zich toe op ras, seksuele voorkeur en geslacht. Nieuwe minderheidsgroepen worden massaal toegelaten bij de universiteit en laten zich gelden. Traditionele opvattingen over academische vrijheid worden onderuitgehaald door actiegroepen van zwarte, Aziatische en Latijns-Amerikaanse afkomst of bewegingen van feministen en homoseksuelen die zich uitroepen tot slachtoffers van oppressie. Ze verlangen ook veranderingen in het studieprogramma en de samenstelling van faculteiten die 'eurocentrisch' zouden zijn.

BEZONNENHEID

''Gespleten loyaliteiten. Zwarte, Latijns-Amerikaanse, Aziatisch-Amerikaanse homoseksuelen spreken zich uit'', luidt een aankondiging op de deur van Emerson Hall. Drie panelleden praten in een zaaltje over hun ervaringen met discriminatie en de een overtreft de ander in slachtofferschap. De vraag is: welk etiket gaat voor? Er zitten een zwarte homoseksuele man, een Aziatisch-Amerikaanse homoseksuele man - dubbele slachtoffers dus - en een Latijns-Amerikaanse, lesbische vrouw. De laatste is eigenlijk drie maal slachtoffer, want ze werd ook in haar eigen Latino-gemeenschap als apart gezien omdat ze zo blank van huid is.

De Aziatisch-Amerikaanse homoseksueel in het panel heeft welgestelde Chinese ouders en is in een middenklassewijk in Virginia geboren. Hij gaat sinds zijn studietijd eigenlijk het liefst met andere Aziatisch-Amerikaanse homoseksuelen om, want ook blanke homoseksuelen discrimineren.

Van het drietal is de zwarte homoseksuele leraar, David Johnson, een rustpunt van bezonnenheid. Deze dertiger is oud-Harvardstudent.

Discriminatie heeft hij wel meegemaakt, zegt hij; hij protesteert ertegen, maar hij heeft er ook mee leren leven. Voor hem geldt geen gespleten loyaliteit. ''Ik kan niet zeggen dat ik in de eerste plaats zwart of homoseksueel ben'', zegt hij. ''Ik ben loyaal aan mensen die me goed behandelen.''

Toch breidt het eilandenrijk van minderheidsgroepen met gespleten loyaliteiten zich uit in de academische wereld, soms aangemoedigd door universiteitsbesturen. ''Blanke mannelijke hoogleraren worden nu heen en weer geslingerd tussen schuldgevoel en zelfvoldaanheid'', zegt Lawrence Buell, hoogleraar literatuur aan Harvard. ''Er is een diep schuldgevoel in dit land. De schaamte over de slavernij en segregatie van vroeger zit vooral heel hoog bij intellectuelen'', zegt de Britse voorzitster van de afdeling vrouwenstudies van Harvard en hoogleraar geschiedenis Olwen Hufton. ''De zwarten en de Aziaten willen hun eigen mensen in de faculteit. Dat kan ik wel begrijpen''.

De eis tot proportionele vertegenwoordiging brengt de Amerikanen van Aziatische (vooral Chinese en Japanse) afkomst spoedig in moeilijkheden. Omdat hun aantallen in de universiteiten (22 procent eerstejaars in Harvard) het nationale aandeel van drie procent Aziatisch Amerikanen ver overschrijden, dreigt positieve discriminatie gauw in hun nadeel om te slaan. Dat is al gebeurd aan de universiteit van Berkeley, waar Aziaten en blanken veel hogere testscores moeten halen dan zwarten en Latino's om te worden toegelaten.

Bij de rechtenfaculteit van Harvard bezetten studenten het kantoor van de deken. ''We willen een Latino, een gehandicapte, een zwarte vrouw, een openlijke homoseksueel, een Aziatisch Amerikaan en een inheemse Amerikaan (indiaan) in de faculteit'', zegt Charisse Charney, voorzitster van de vereniging voor zwarte rechtenstudenten. ''Ik hoop dat die mensen voor volgend jaar kunnen worden aangenomen.'' De acties gaan door. Derrick Bell, de zwarte hoogleraar constitutioneel recht aan Harvard, is al een jaar met onbetaald verlof. Hij houdt het vol tot er een zwarte vrouw is aangenomen. ''Rechtenfaculteiten beschouwen zich als 'blanke faculteiten' en zullen zich uiteindelijk verzetten tegen een overschrijding van de minderheidsquota, zelfs als het bij die minderheden gaat om de meest gekwalificeerde docenten'', voorspelde Bell.

AANBIEDINGEN

Charney heeft een lijst opgesteld van 95 vrouwelijke zwarte hoogleraren en vraagt zich af waarom geen van hen in aanmerking zou kunnen komen. Volgens de zwarte voorzitter van de benoemingscommissie, Randall Kennedy, (''Ziet er zwart uit maar denkt blank'', aldus een studentenblad) is het niet gemakkelijk om voldoende gekwalificeerde vrouwen te vinden. In hun zoektocht naar relatief schaarse zwarte academici moeten universiteiten concurreren met bedrijven en overheidsinstellingen die ook diversiteit willen. In het bijzonder gepromoveerde zwarten zijn moeilijk te vinden, omdat ze meteen na hun afstuderen al lucratieve aanbiedingen krijgen. Universiteiten kopen de weinige zwarte doctors van elkaar weg. ''Wij aan Harvard stellen echt heel hoge eisen. Dit is een elite Law School'', zegt Kennedy. Charney vindt de kwaliteitseisen tendentieus: ''Zo krijgen we geen goed onderwijs in rechten en worden we geindoctrineerd met het blanke, mannelijke perspectief. De wereld is groter dan Harvard Law School.''

De 29-jarige Dinesh D'Souza, voormalig hoofdredacteur van de Dartmouth Review, protege van de schrijver Tom Wolfe en voormalig assistent in het Witte Huis onder Reagan, heeft onlangs een vlot boek over multiculturalisme geschreven onder de titel Illiberal Education. Als katholieke Indiase immigrant uit Bombay was hij verbaasd hoe universiteitsbesturen en studenten de eigen Westerse, Amerikaanse democratische cultuur relativeerden en buitenlandse culturen, onder andere de Indiase, idealiseerden. D'Souza: ''Hun ideeen over niet-Westerse culturen hebben weinig gelijkenis met de Derde Wereld zoals ik die ken''. Medestudenten vertelden hem hoe ze zich op hun reis door India helemaal bevrijd voelden. D'Souza begreep het niet, als hij terugdacht aan het kastensysteem of de verplichte bruidsschat.

D'Souza is het eens met het antwoord van Mahatma Gandhi toen hem gevraagd werd wat hij dacht van de Westerse beschaving: ''Dat lijkt me wel een goed idee''. Democratie is Westers in origine maar algemeen toepasbaar, volgens D'Souza. Anders dan de multiculturalisten zeggen, is de Westerse cultuur niet de enige die andere culturen heeft onderdrukt en is de wereldgeschiedenis niet die van Westerse onderdrukking.

Er zijn volgens D'Souza culturele Olympische Spelen voor minderheidsgroepen ontstaan, waarbij iedereen zich afvraagt wat zijn groep voor filosofie of wetenschap heeft gedaan. ''Alles wordt ingedeeld in kleine parochiale categorieen'', aldus D'Souza.

Hij hekelt de opvatting van sommige intellectuelen dat minderheidsgroepen de wetenschap op een andere manier benaderen dan blanke mannen. Wat was dan dat blanke, mannelijke perspectief, vroeg hij tijdens een lezing voor Tufts University aan een blanke hoogleraar die opmerkte dat minderheidsgroepen een heel andere kijk zouden hebben. Na enig protesteren deed de hoogleraar een suggestie over het typisch blanke perspectief: ''Rationaliteit''. D'Souza schreef het woord op het bord. Hij vroeg een tweede suggestie. ''Logocentrisme'', zei de hoogleraar. Wat was dat? ''Blanke mannen maken graag gebruik van moeilijke woorden'', antwoordde de professor. Het duurde even voor de studenten het door hadden.

Nieuw vakkenpakket Ook minderheidsactivisten en feministen zien grote verschillen tussen hun perspectief en de blanke, mannelijke of heteroseksuele kijk op universitaire vakken, ook bij vraagstukken die niet met minderheden te maken hebben. Het pleidooi voor een geheel ander 'zwart perspectief'

is tegelijkertijd strijdig met het standpunt dat zwarten aan de wieg van alle Westerse wetenschappen staan. Ook bij Ivy League-universiteiten maakt het in rapliederen bezongen standpunt opgang dat de oude Egyptenaren zwart waren en dat de blanke Grieken alle wijsheid van de Egyptenaren hadden gestolen.

Zwarte activisten eisen een nieuw vakkenpakket, waarin de rol van de zwarten in de geschiedenis meer aan bod komt. Dan is er een aanval op de verplichte literatuurlijst, de canon voor algemeen vormende colleges, waar Amerikaanse studenten de eerste vier universiteitsjaren doorbrengen en in feite moeten inhalen wat de middenscholen (high schools) niet hebben onderwezen. Minderheidsactivisten vragen om een multicultureel curriculum. Ze vinden dat de nadruk te veel ligt op de onderdrukkende Westerse cultuur en op Dead White Males als Plato of Shakespeare. Waarom worden er niet meer vrouwelijke, zwarte of Latino-schrijvers aan het woord gelaten? ''De consensus over wat een juiste alfa-opleiding vormt, is sinds 1968 afgekalfd. De diversiteit van de Amerikaanse culturele ervaringen maakt oplossingen moeilijk'', zegt Lawrence Buell, hoogleraar Amerikaanse literatuur aan Harvard.

Als reactie op de eisen van minderheidsgroepen heeft de Stanford-universiteit in 1988 de eis tot de studie van de Westerse cultuur in het college losgelaten. Studenten kunnen dus hun collegegraad halen zonder te hebben geleerd over de burgeroorlog, de slavernij of de oorsprong van de democratie. Ze krijgen daarentegen een cursus onder de neutrale titel 'Cultures, Ideas and Values'.

De multiculturele stroming wordt versterkt door het uit Frankrijk geimporteerde deconstructionisme, dat aan teksten geen vaste betekenis toeschrijft, maar zoekt naar de 'verborgen betekenis' erachter.

Jacques Derrida, in Europa allang op zijn retour, is in Amerika een gevierd man. Derrida heeft in de woorden van de deconstructionistische antropoloog Patrick Tyler ''de auteur het schepsel in plaats van de schepper van schrijven gemaakt''. Amerikaanse multiculturalisten, vooral invloedrijk bij de letterenfaculteiten, analyseren teksten naar geslacht, etnische afkomst of seksuele voorkeur van de auteur.

Hoofdzakelijk blanke zaakwaarnemers voor minderheidsgroepen en feministen, betrokken bij de vrouwenwetenstudies vinden klassieke schrijvers opnieuw uit. In conferenties van de Modern Language Association worden papers gepresenteerd met titels als 'Clitorale beeldvorming en masturbatie in Emily Dickinson' of 'Het desublimeren van de mannelijke sublimatie: autoerotica, anale erotica en lichamelijk geweld in Melville en William Burroughs'.

In het deconstructionisme hebben literaire teksten niet meer waarde dan sigarettenreclames en geen betekenis als uitingen van de auteur.

Woorden worden nooit zo begrepen als de schrijver ze heeft bedoeld. Betekenis verandert voortdurend. De schrijver wil macht uitoefenen, dus de criticus of interpretator moet zich daaraan onttrekken. De criticus aan de universiteit is belangrijker dan de schrijver zelf.

Het zuiverst in de deconstructieleer is de faculteit Engels van de prestigieuze Duke Universiteit in North Carolina. Deze staat onder het voorzitterschap van Stanley Fish, heeft als bijnaam Fishtank en is tot de rand gevuld met deconstructionisten. In een brief aan de universiteitsleiding stelde Fish dat hoogleraren die behoorden tot de National Association of Scholars niet mochten meebeslissen over het studieprogramma. De Association zou bekend staan als ''racistisch, seksistisch en homofoob''. Toen een studentenblad de brief publiceerde, ontkende hij - geheel in lijn met de deconstructionistische relativering van teksten en auteurs - dat hij hem geschreven had. Voor Fish is geslacht, ras of seksuele voorkeur belangrijk in zijn faculteit en hij voelt niets voor minimum-kwaliteitseisen. ''Ze willen een definitie van kwaliteit die overwegingen van ras, geslacht enzovoorts uitsluit'', zo wordt hij geciteerd in het boek van Dinesh D'Souza. ''Maar als je klasse, ras, geslacht en politieke omstandigheden aftrekt, wat houd je dan nog over?''

SLECHTER VOORONDERWIJS

D'Souza kan zich wel voorstellen waarom minderheidsgroepen, in het bijzonder zwarten, een andere, meer eigen wetenschapsbenadering willen. Ze hebben vaak slechter vooronderwijs gehad dan blanken.

D'Souza zegt dat hij zelf in Dartmouth ook te weinig ondergrond had, omdat hij een Indiase middelbare school achter de rug had. ''Ik wist niet waar ze het over hadden, als de professor begon over de Federalist Papers, terwijl mijn blanke medestudenten alles begrepen.

Dan zoek je meteen naar medestanders en die vond ik bij de International Students Association'', zei hij tijdens een lezing in Washington. De buitenlandse studenten hielpen elkaar, maar zwarte organisaties klaagden over de blanke overheersing in het onderwijs.

Universiteitsbesturen geven zwarten op hun verzoek eigen slaaphuizen, eigen diploma-uitreikingen en eigen jaarboeken, maar doen zelden moeite hen bij te spijkeren met extra-onderwijs. In de Amerikaanse opvatting moet ongelijkheid niet worden bestreden door het scheppen van extra voorzieningen die geld kosten, maar door het verlenen van gratis rechten. Meer dan de helft van de zwarten en Latino's die door positieve discriminatie zijn binnengekomen, verlaten vroegtijdig de universiteit van Berkeley. Pennsylvania State University geeft wel geld, maar op een heel merkwaardige manier. Ze biedt zwarte studenten die jaarlijks gemiddeld een 6 of 6- halen, 580 dollar. Zwarten die een hoger gemiddelde scoren, krijgen 1160 dollar. Voor andere minderheden of blanken is dit programma niet beschikbaar.

Door voorkeursbehandeling worden studenten en faculteitsleden met de neus gedrukt op iemands geslacht, seksuele voorkeur of etnische herkomst. ''Het is racisme bestrijden met racisme'', zegt D'Souza en het kan volgens hem leiden tot rancune onder degenen die niet de vruchten van positieve discriminatie plukken. Incidenten van racisme ontstaan vaak juist bij de meer liberale instellingen, zoals de Universiteit van Michigan, Oberlin College, Amherst, Stanford en Berkeley en niet bij de conservatieve. Zwarten nemen steeds meer hun toevlucht tot exclusief zwarte universiteiten, zoals Spellman of Howard. Ze bloeien en leveren uitstekende afgestudeerden af. In zwarte universiteiten is racisme geen uitvlucht voor slechte resultaten en zegt niemand dat hard werken en wedijver voor goede resultaten 'blanke waarden' zijn.

Particuliere donoren De anti-PC-beweging heeft vooral het laatste jaar wind in de zeilen gekregen. Hoogleraren die zich eerst wel wachtten om zich uit te spreken over bepaalde misstanden uit angst voor hun leerstoel, voelen zich nu gesterkt door de National Association of Scholars. Amerikaanse universiteiten zijn afhankelijk van particuliere donoren of van de plaatselijke deelstaatoverheid.

Tegenwoordig worden die snel aangesproken. Toen een hoogleraar van Clark University in een door de universiteit verspreid formulier moest invullen wat ze aan multiculturele zaken deed, protesteerde ze tegen de voorzitter van de Raad van Toezicht over deze inbreuk op de academische vrijheid. De verplichting voor alle docenten werd daarop meteen ingetrokken. Aan de Universiteit van Maryland mochten studenten tijdens de Golfoorlog geen Amerikaanse vlag uithangen. Anders zouden er spanningen op de campus ontstaan. Het openbaar maken van dit verbod leidde tot protesten en druk van de deelstaat Maryland om het verbod op te heffen.

Het boek van D'Souza heeft grote invloed op Washington dat zich gedurende de jaren tachtig afzijdig hield van de discussie in de universiteiten. Lynn Cheney, voorzitster van de National Endowment for the Humanities, de subsidie-organisatie voor alfawetenschappen, heeft de strijd aangebonden met de Modern Language Association. De minister van onderwijs, Lamar Alexander, greep in toen een accrediterende bond voor colleges - verantwoordelijk voor de erkenning van de onderwijsinstelling - het gerenommeerde Baruch College in New York tijdelijk een officiele status onthield. Het onderwijs was niet zozeer te slecht, maar Baruch deed te weinig aan 'multiculturalisme'. Baruch heeft inmiddels haar status als erkende universiteit terug en Alexander laat nu onderzoek verrichten naar de normen van de accrediterende bond.

Toch is de klassieke Amerikaanse universiteit al onherroepelijk aan het veranderen. Positieve discriminatie heeft altijd in enige mate bestaan. Kinderen van alumni (belangrijk als donoren) hebben een streepje voor, evenals atleten. Harvard paste eerder deze eeuw positieve discriminatie toe voor geografische diversiteit om meer studenten uit westelijke staten te krijgen. Nu willen de meeste universiteiten etnische diversiteit. Er is onder druk van 'Afro-Amerikaanse studies' veel meer aandacht voor klassieke zwarte Amerikaanse schrijvers dan vroeger.

KLAAGMUUR

De Aziatisch Amerikanen veroveren nu de rangen het snelst zonder positieve discriminatie. Zij zijn loyaal aan de Westerse democratie maar misschien niet aan Europa en de klassieke Europese cultuur als bakermat daarvan. De belangstelling van nieuwe generaties hoogleraren en studenten stuurt de richting. Prof. Lawrence Buell van Harvard ziet een langzaam en pijnlijk internationaliseren van de Amerikaanse universiteiten. De president van Harvard, Derek Bok, die dit jaar met pensioen gaat, streeft ook internationalisering na en Harvard heeft er de topspecialisten voor in huis.

Het gaat erom wat internationalisering betekent: een air-conditioned winkelcentrum met romantisch verlichte etnische restaurants naar keuze, een Klaagmuur voor de geschiedenis van de Westerse onderdrukking. Of een zweterige zaal waar hoogleraren en studenten elkaar volgens de beste Westerse traditie niet sparen om de wereld te leren kennen zoals zij is.