Dame du palais

Het Museum van Loon, zo meldde Het Parool deze week, “moet toegankelijker worden voor een groot publiek. Het moet de bezoekers kennis laten maken met de traditionele manier van leven in een van de Amsterdamse dubbele grachtenpanden”.

Waarom de krant twee keer het imperatief gebruikte werd uit het bericht niet duidelijk, maar uit de context kon worden opgemaakt dat de eigenaar van het museum, professor Maurits van Loon, de spreekbuis was. Dat ligt ook voor de hand, want Museum van Loon is een particuliere instelling die er belang bij heeft meer publiek en meer inkomsten te trekken en het imago van een ingeslapen stofnest van zich af te schudden. De directie van de collectie goed geconserveerde stijlkamers uit verschillende tijdvakken aan de Keizersgracht 672 heeft daartoe een nieuwe gids uitgebracht, waarvan burgemeester Ed.

van Thijn zich woensdag in het museum het eerste exemplaar liet overhandigen. Waarom de burgemeester van Amsterdam die public relations-bijeenkomst opluisterde vermeldde het verslag evenmin, maar ik neem aan dat zijn aanwezigheid, gegeven de nabijheid van de ambtswoning aan de Herengracht, uit de lokale naoberplichten voortvloeide.

Het bestuurslid F. van Heek deelde op de bijeenkomst mee dat het museum een nieuwe gids had laten maken, omdat de oude “erg uitgebreid was en vooral geschikt voor de mensen die het museum met een zekere voorkennis bezochten”. Hij was daarom vervangen door een gemoderniseerde gids met veel foto's en korte teksten. In een van die teksten wordt de salon van mevrouw Thora van Loon-Egidius, de laatste bewoonster van het zeventiende eeuwse pand, beschreven. De grote salon, aldus de gids, was de meest representatieve ruimte van het huis. Hier hield mevrouw Van Loon, dame du palais, haar grotere ontvangsten of jours. Zij bewoonde het huis van 1884 tot 1945.

Dat is alles wat de gids van het Museum van Loon over de maatschappelijke bezigheden van de grootmoeder van de tegenwoordige eigenaar vermeldt. Gezien haar betekenis voor de geschiedenis van het huis dat zij meer dan zestig jaar bewoonde en haar opzienbarende verschijning in de Amsterdamse society bij de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw (haar geschilderde portretten suggereren een voor het fin de siecle typerende schoonheid) is die informatie wel wat aan de magere kant; in het licht van haar politieke gezindheid zijn die enkele regels zelfs misleidend.

In de nieuwe gids met de korte teksten zijn namelijk enige feiten uit het leven van mevrouw Thora van Loon verdonkeremaand die waarlijk niet alleen op kosmetische gronden zijn gesneuveld. De dame du palais (erefunctie in de hofhouding, die zij als vertegenwoordigster van de koningin in de stad Amsterdam vervulde) werd in 1945 uit de hofhouding verwijderd wegens een tijdens de Bezetting gedemonstreerde foute gezindheid. De zeis van Wilhelmina maaide in haar omgeving alles weg wat in de oorlog fout was geweest en ontzag ook de 82-jarige dame du palais voor Amsterdam niet. Haar ontslag - met de bijkomende straf van bekendmaking in de Staatscourant - betekende niet alleen het oneervolle einde van een bijna vijftig jaar omspannende honoraire loopbaan in de hofhouding, maar degradeerde ook Huize van Loon tot een 'besmet' gebouw.

Museum van Loon heeft dat feit een aantal jaren niet voor de bezoekers verborgen gehouden. In de jaren tachtig heeft het een levensbeschrijving van mevrouw Van Loon verkocht waarin enkele regels aan haar deutschfreundliche gezindheid worden gewijd. De auteur R.W.A.M. Cleverens typeert haar daarin als een wat zonderlinge, geisoleerde vrouw die op het einde van haar leven het gevoel voor de realiteit had verloren en “geheel in Wagneriaanse sfeer leefde”.

Onder invloed van de Duitse propaganda beschouwde ze Hitler als Wagners held Lohengrin. Volgens de schrijver was zij daarin voor een zeer groot deel door haar Duitse familie beinvloed. Maar Cleverens bagatelliseert haar heulen met Hitler in strijd met de feiten. Er zijn geen feiten bekend dat anderen door haar pro-Duitsgezindheid in moeilijkheden zijn gekomen, maar ze gaf vaker uiting aan haar sympathieen voor de Bezettingsmacht dan de auteur betoogt. “Wat later door veel mensen in Amsterdam wel werd beweerd, dat zij een nazi was, moet ik hier ter plaatse met klem weerleggen. Zij was dat beslist niet, en de Amsterdammers hebben van haar Duitse neigingen in de oorlog weinig persoonlijk leed ondervonden. Van verraad was geen sprake”.

De feiten spreken een andere taal. Uit documenten van het Bureau Nationale Veiligheid, de voorloper van de Binnenlandse Veiligheidsdienst waarover ik beschik, blijkt dat Frau Thora van Loon geb. Egidius in een op 7 juni 1943 gedateerde Antrag auf Ausnahmegenehmigung (BNV-dossier nr 9-187) de bezettingsmacht verzocht in het bezit te mogen blijven van haar radiotoestel, op grond van haar verdiensten voor Duitsland. Op het formulier waarin zij haar vrijstellingsverzoek moest motiveerde, vulde zij onder Begrundung in: Meine treu Deutsche Gesinnung; meine Verdienste wegen des Rotes Kreuzen in Deutschland 1915-1918; mein Alter (78 Jahre) und meine Einsamkeit.

Andere documenten tonen aan dat ze zich bij meer dan een officiele gelegenheid liet voorstaan op haar pro-Duitse 'Gesinnung', maar ook dat de Duitsers daarvan tot in bijzonderheden op de hoogte waren. De bewoonster van het tegenwoordige museum aan de Keizersgracht, wier echtgenoot Willem van Loon voor de oorlog was overleden, behoorde tot de geprivilegieerde kring van Nederlanders die ook vrijstelling kregen van het betalen van de Suhneleistung, het 'zoengeld' dat de Duitsers na de Februaristaking als represaille aan vermogende inwoners van Amsterdam, Hilversum en Zaandam hadden opgelegd. Met 'Professor dr.

Wilhelm Mengelberg' (en elf andere bekende Amsterdammers) werd mevrouw Van Loon van die vermogensbelasting vrijgesteld omdat de Duitsers niets dan lof voor haar houding hadden. Frau T. van Loon, schreef de Beauftragte des Reichskommissars fur die Stadt Amsterdam aan Seyss-Inquart, “war Hofdame der Konigin und hat sich dennoch wahrend ihres ganzens Lebens fur Deutschland und seit 1933 fur den Fuhrer bekannt”. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had ze voor het Duitse Rode Kruis gewerkt (en geld beschikbaar gesteld) waarvoor Hindenburg haar met een bewijs van erkentelijkheid had bedacht. “Da Frau van Loon auch nach dem 10. Mai 1940 fur Deutschland eingetreten ist, haben sich hollandische Bekannte von ihr zuruckgezogen, und ihre Hausangestellte ihr Schwierigkeiten bereitet” (Brief van 30 april 1941, BNV-dossier 11-187 nr 5A).

Resteert de vraag: raadpleegt de voormalige verzetskrant Het Parool haar eigen leggers van 1945, waarin de essentiele feiten over de laatste bewoonster van Huize (nu Museum) van Loon voorkomen, niet meer? En heeft de burgemeester van Amsterdam geen ambtenaren meer die het register van 'geroyeerde' Amsterdammers voor hem bijhouden?