Dalend kijkcijfer VS geen indicatie voor Nederland

ROTTERDAM, 27 APRIL. De tijd dat hele volksbuurten zich schaarden rond het televisietoestel van die ene gelukkige buurman om de Europa-Cupfinale te kunnen aanschouwen, ligt ver achter ons.

In het huidige, electronische tijdperk kan iedereen op elk gewenst moment van de dag afstemmen op zenders die hun publiek bestoken met al dan niet actuele beelden van sportevenementen. In de Verenigde Staten, voorloper op tal van gebieden en over het algemeen een indicator voor wat Nederland over een aantal jaren te wachten staat, is thans sprake van een dalende interesse voor televisieuitzendingen. Voor een dergelijke tendens wordt in Nederland niet gevreesd, maar de verminderde belangstelling voor de Europa Cup I-finale is wel een teken aan de wand.

De publiekssporten honkbal, basketbal en American football zijn in de Verenigde Staten weliswaar nog populair, maar de cijfers over 1990 geven aan dat de tv-uitzendingen minder werden bekeken. De playoffs in het basketbal, de World Series in het honkbal en zelfs de Superbowl, de finale van het American football waarvoor bijna traditiegetrouw vrijwel alle activiteiten in het hele land worden stilgelegd, trokken tien procent minder kijkers dan in 1989.

Afgezien van de grote evenementen als wereldkampioenschappen en Olympische Spelen zijn in Nederland voetbal, wielrennen en schaatsen de belangrijkste televisiesporten. Toch blijkt volkssport nummer een, voetbal, wat betreft tv-belangstelling sterk onderhevig aan fluctuaties. Een zekere mate van chauvinisme ligt hieraan ten grondslag. De finale van het EK in 1988 tussen Nederland en de Sovjet-Unie trok 8,5 miljoen kijkers en vestigde daarmee een absoluut record in de geschiedenis van de Nederlandse televisie. Vorig jaar werden de vier wedstrijden van het Nederlands elftal op het WK in Italie bekeken door telkens zeven miljoen Nederlanders.

Die getallen geven een vertekend beeld van de ware belangstelling voor het voetbal. Voor de Europa Cup I-finale reserveren de laatste twintig jaar steeds minder 'voetballiefhebbers' een plaatsje voor de buis. In de gloriejaren van het Nederlandse clubvoetbal, toen Ajax en Feyenoord het 'ons-gevoel' met finaleplaatsen stimuleerden, bedroeg het kijkcijfer gemiddeld bijna zes miljoen, maar bij ontstentenis van Nederlandse vertegenwoordigers in het belangrijkste Europa-Cuptoernooi (PSV-Benfica in 1988 uitgezonderd) werd vervolgens een neergaande lijn ingezet. Bayern Munchen-Leeds United (in 1975 met 5,3 miljoen kijkers), Club Brugge-Liverpool ('78, 5,5), Liverpool-Real Madrid ('81, 3), AS Roma-Liverpool ('84, 3,9), Bayern Munchen-FC Porto ('87, 3,4) en AC Milan-Benfica van vorig jaar (2,7 miljoen kijkers) geven de neerwaartse spiraal aan.

Rene van Dammen van de dienst Kijk- en Luisteronderzoek van de NOS constateert niettemin dat het Nederlandse kijkgedrag redelijk stabiel blijft. In dat verband wijst Van Dammen onder meer op de onlangs door Studio Sport rechtstreeks uitgezonden competitietopper tussen PSV en Ajax, een wedstrijd die voor een kijkdichtheid van 20 procent (2,6 miljoen kijkers) zorgde en de Tour de France, die al jaren een constante kijkdichtheid te zien geeft. Studio Sport heeft traditiegetrouw een grote aanhang (gemiddeld 2,2 miljoen) onder sportminnend Nederland.

“Dat komt voornamelijk omdat Studio Sport al jarenlang op dezelfde dag en hetzelfde tijdstip uitzendt. Daarmee bind je de kijkers. We merken nu ook dat ons dagelijkse sportjournaal aanslaat en zelfs een positief effect heeft op onze uitzending op de zaterdagavond”, zegt eindredacteur Heinze Bakker, die de kijkdichtheid van een programma evenwel niet allesbepalend vindt. “Een absolute ondergrens is niet aan te geven. We brengen een produkt dat nog altijd gretig aftrek vindt, pas als dat heel slecht verkoopt kun je jezelf afvragen of het nog wel zin heeft een dergelijk programma op de markt te brengen.”

Daarnaast maakt Studio Sport vooral een journalistieke afweging en kijkt men naar wat budgettair haalbaar is.

Juist het financie aspect speelt een overheersende rol bij het verwerven van uitzendrechten. De competentiestrijd in Amerika, waar de grote tv-stations het direct uitzenden van football-, honkbal- en basketbalwedstrijden tot prestige-object hebben verheven en daarvoor bijkans absurde bedragen neertellen, heeft inmiddels de eerste rode cijfers bewerkstelligd. Grote tv-netwerken als CBS en het kabelstation ESPN boekten over 1990 een verlies van respectievelijk honderd en veertig miljoen dollar. Een forse toename van het aantal adverteerders zou de tekorten kunnen verminderen, maar de vele reclamespots tijdens de wedstrijden zouden wel eens een van de oorzaken van de groeiende desinteresse bij het Amerikaans publiek kunnen zijn.

Gio Lippens, eindredacteur bij Sportnet, ziet in Nederland ondanks de toenemende concurrentie (Sportnet, Eurosport en het RTL 4-programma Match) nog een groeimarkt voor de sportzenders. “Omdat die geen kant- en klaarrecept bieden zoals Studio Sport, maar zich specifiek richten op de echte kenners. Die zetten inderdaad niet meer alles opzij voor een sportuitzending, maar dat komt vooral door de alternatieven die men nu heeft. Vroeger bestond de keuze uit voetbal kijken of naar bed gaan. Bovendien werden toen alleen de echt grote sportevenementen uitgezonden. Je kunt je afvragen of er in die zin sprake is van een 'overkill' aan tv-sport.”

Als ideaal bindmiddel ziet Lippens het inspelen op de behoefte van de kijker. “Mensen die niet meer naar een stadion gaan, vormen een wezenlijk deel van de doelgroep.” Jaap Hofman ziet juist in wat hij de “diversificatie” noemt de grote kracht van de commerciele sportzenders. De eindredacteur van Eurosport: “Twee uur lang wedstrijdzwemmen op tv trekt een bepaald publiek, dat is een interessante gedachte voor een adverteerder. Of daarmee de kwantiteit wordt verheven boven de kwaliteit? Nee, je moet alleen de zaak niet proberen om te draaien. Wanneer je het WK-knikkeren gaat uitzenden omdat je daarvoor de benodigde adverteerders hebt, ben je verkeerd bezig. Misschien is dat wel de fout die ze in Amerika hebben gemaakt.”

    • Leon van Eijndhoven