Bollenstreek maakt zich op voor Poolse invasie

NOORDWIJK, 27 APRIL. De bollen staan in bloei, maar lang niet alle buitenlanders die de bollenstreek dezer dagen aandoen zijn toeristen. 's Morgens vroeg, als de mist nog over de felgekleurde velden hangt, gaan groepjes Polen de kwekerijen af om te vragen of er werk is.

Maar er is niet zoveel werk, en er zijn veel Polen, verzucht een van hen. Nu de visumplicht voor Polen is afgeschaft kunnen ze zonder probleem naar Nederland komen. Maar werk vinden, zo vroeg in het bollenseizoen, is niet makkelijk.

De Polen bivakkeren op kampeerterreinen in tentjes of caravans, en pakken allerlei klusjes aan. “Er zijn nu duidelijk meer Polen dan in andere jaren”, zegt een campinghouder in Noordwijk. “Over twee tot drie weken zullen het er zeker nog meer worden”, zegt een collega, die twee Polen in dienst heeft om de bestrating van zijn kampeerterrein te vernieuwen.

De kwekers verwachten de grote vraag naar arbeidskrachten pas in juni, als de oogst van de bollen begint. Nu bestaat het werk vooral uit 'koppen' en 'ziekzoeken'. De tulpen en hyancinthen moeten van hun bloemen worden ontdaan (het koppen), zodat de plant alle groeikracht kan richten op bladgroen en bol. Zorgvuldige inspectie van alle bladeren moet eventuele zieke bollen aan het licht brengen (ziekzoeken). Het koppen gebeurt grotendeels machinaal, al blijft hier en daar het oude handwerk nog nodig. Maar het ziekzoeken is geen werk om aan leken uit te besteden, zo vinden de kwekers.

Op een dekentje aan de duinrand zitten vier Polen naast hun oude Poolse auto. Ze hebben geen werk vandaag. Lusteloos kijken ze uit over de lange stroken rood, blauw en gele bloemenpracht. Hun lunch bestaat uit een fles frambozen-bessenwijn, een zakje zoute pinda's en een pakje shag. “We zijn hier op vakantie”, probeert een van hen nog, wel wetende dat het in Nederland verboden is te werken zonder werkvergunning. Maar zijn landgenoten houden de schijn niet op. Ze zijn hier nu twee weken. Nu eens is er werk, dan weer niet. Hoelang ze blijven? Alles hangt van het werk af, in Polen is geen werk, geen geld.

Vorig jaar vaardigde minister De Vries van sociale zaken de zogenoemde bollenregeling uit, waarin gesteld werd dat kwekers alleen werkvergunningen voor Polen kregen als ze ruim van te voren hun vacatures bij het arbeidsbureau hadden aangemeld, en als ze geprobeerd hadden mensen in Nederland en vervolgens in andere EG-landen te vinden. Wanneer dat allemaal op niets was uitgelopen zou het arbeidsbureau instemmen met het aannemen van niet-EG-ingezeten, in de praktijk doorgaans Polen.

Een werkgever die buitenlanders zonder werkvergunning in dienst heeft, riskeert boetes die in de duizenden guldens kunnen lopen. R. Zandwijk jr. , kweker te Noordwijk, zegt: “Soms komen er op een dag wel tien Polen langs de deur. Er zijn kwekers die het risico dan maar nemen.

Het werk moet toch gebeuren.'' Door het strakke overheidsbeleid en door een aantal projecten waarbij langdurig werklozen uit Amsterdam werden ingezet, beliep het aantal verstrekte vergunningen over 1990 niet meer dan een paar honderd.

Hoewel de bollenregeling maar geldig was tot 1 april, is er nog geen nieuwe regeling voor dit seizoen. Binnen het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) zijn de overheid en de organisaties van werkgevers en werknemers het nog niet eens over de opzet van een nieuwe regeling.

“Wij hopen dat we een soepeler regeling kunnen krijgen”, zegt B. Mens, tuinbouwsecretaris van de Katholieke Land- en Tuinbouw bond (LTB). “Anders voorzien we grote problemen. Het werk in de bollen doet zich namelijk voor in korte piekperiodes, en het arbeidsbureau bemiddelt alleen bij contracten van minimaal twee maanden. Dat is voor veel kwekers te lang.”

Plaats-vervangend directrice L. Tan van de Arbeidsbureau Lisse vindt dat de kwekers zich niet ongerust hoeven te maken. “Bij ons is nog niet een vacature aangemeld.” Aan het eind van de dag zitten de vier Polen nog altijd aan de duinrand op hun dekentje uit te kijken over de bollenveld. “Holland is mooi. Hopelijk hebben we in het weekend werk.”

    • Juurd Eijsvoogel