Wie niet ingrijpt heeft schuld; Cineaste Barbara den Uyl over mensen met macht en de dood van Hans Kok

Op een ochtend in oktober 1985 werd kraker Hans Kok dood in een politiecel aangetroffen. Wat er precies is gebeurd en vooral niet gebeurd, wie schuld heeft aan zijn dood, is altijd onduidelijk gebleven. Barbara den Uyl maakte 'In naam der wet', 'een documentaire in het jasje van een speelfilm' over de gebeurtenissen. Sommige betrokkenen komen zelf aan het woord, anderen worden nagespeeld. Is het niet verwarrend om authentieke getuigen op een lijn te stellen met gespeelde getuigen?

door Joyce Roodnat

“Eens heb ik gedacht: ik zet de camera neer, ik ga op een stoel ertegenover zitten, ik vertel wat er allemaal niet klopt en daar laat ik het bij. Dat leek me de enige mogelijke film over de dood van Hans Kok.”

Barbara den Uyl (1949) werpt een blik opzij, naar het smalle raam dat uitkijkt op de sombere, hoge overkant van een straat in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Ze woont er niet zelf meer, maar het kantoor van haar producent is nog steeds gevestigd in het stadsdeel waar op 24 oktober 1985 een krakersrel begon met de kreet: “Ze hebben Petra ontruimd!” Petra, een bijstandsmoeder, hoorde tot hetzelfde groepje vrienden als Hans Kok. De vrienden bleven niet stilzitten. Men had Petra's woning in een oogwenk opnieuw gekraakt, maar daar was de affaire niet mee afgedaan.

Eerder hadden de krakers van de Staatsliedenbuurt in woord en daad laten weten het officiele gezag niet langer te accepteren, uit protest tegen het gemeentelijk beleid. Toen de net aangetreden burgemeester Van Thijn persoonlijk kennis kwam maken met de buurt, werd hij bespuugd en weggehoond.

Blijkbaar was besloten dat het nu uit moest zijn met de anarchie in die wijk aan de westkant van Amsterdam. De Mobiele Eenheid van de Amsterdamse politie kwam eraan te pas. Petra's kamers werden opnieuw ontruimd, ditmaal met grof geweld. Er ontstonden heftige gevechten, 32 krakers werden ingesloten en de acties werden samengevat in die ene foto, die in alle kranten is afgedrukt. Er staat een jongen op in een dichtgeritst, zwart leren jack. Hij wordt geflankeerd door twee ME-ers en zijn rechterarm zit op zijn rug vast. Toch neemt hij de houding aan van de overwinnaar. Fier en provocerend schreeuwt zijn mond en zijn geheven linkerhand vormt het V-teken. De jongen heette Hans Kok. Een dag nadat de foto was genomen, werd deze branie dood in zijn cel aangetroffen. Hoe dat heeft kunnen gebeuren, wie daar schuld voor droeg, het is ook na vier recherche-onderzoeken volslagen onhelder gebleven.

Hoewel de cineaste Barbara den Uyl het drama van dichtbij had meegemaakt en ze het slachtoffer, zijn vrienden en zijn vriendinnen, persoonlijk kende, kostte het haar de grootste moeite greep te krijgen op de gebeurtenissen die ze al snel wilde vastleggen in een film: “Na anderhalf jaar werken was ik nog nergens. Het bleef troebel. Ik had de rapporten gelezen en herlezen. Alles wat erin stond trok ik na en ik maakte een compleet overzicht van de talloze tegenstrijdigheden. De zaak werd steeds afgrijselijker naarmate ik me er verder in verdiepte, maar begrijpen deed ik hem niet. Ik begon aan mezelf te twijfelen.

Korthals Altes, die toen Minister van Justitie was, had volgehouden dat Hans Kok in die cel was overleden omdat zijn ziekteverschijnselen 'niet kenbaar' waren geweest. Ik vond alleen maar getuigenissen die dat tegenspreken. Ik dacht, houd ik me net zo blind als hij?''

Barbara den Uyl heeft haar film over het sterven van Hans Kok voltooid. In naam der wet noemde ze hem en hij gaat volgende week in premiere. Den Uyl hield het inderdaad op een uitdrukkelijk persoonlijke visie, maar ze zag af van de intieme monoloog op een stoel. In naam der wet werd een volgepakt, kleurrijk verslag. Fel vanaf de eerste minuut, zingt de film een tierende klaagzang over een maatschappelijk systeem dat een uitdagende, drieentwintigjarige arrestant binnen twintig uur laat verdorren tot een kansloos lichaam op een betonnen brits.

VADER

Dat ze in staat was om het verhaal tot film te vormen, verklaart Den Uyl op een onverwachte manier: “Ik voelde me pas gerechtigd om een film te maken over de dood van Hans Kok, in december 1987, na het overlijden van mijn vader. Toen vond ik mezelf geen voyeur meer en kon ik het opbrengen dagelijks aan het scenario te schrijven. Ik ontdekte dat ik, behalve door Hans Kok, geobsedeerd was door het onverklaarbare van de dood. Zo is iemand er, zo is hij er niet meer. Ik dacht, de dood moet gewroken worden, van Hans, maar ook van mijn vader.”

Barbara Den Uyls vader was Joop den Uyl. Als voorfilm bij In naam der wet staat de korte film geprogrammeerd die ze in 1989 maakte naar aanleiding van zijn dood. Daarin heeft zij geprobeerd te tekenen hoeveel pijn het haar doet om te rouwen om een vader die ook een invloedrijk politicus was. Het is een strikt autobiografische film met documentaire pretenties, maar de rol van Barbara den Uyl wordt gespeeld door een actrice. “Het zijn mijn emoties en mijn herinneringen, maar ik weet dat ik onvoldoende spontaan ben om ze te treffen voor de camera. Ik dacht, waarom zou ik geen gebruik maken van een actrice die uitdrukking geeft aan mijn gevoelens, op mijn aanwijzingen? Zij brengt die beter over dan ikzelf.”

Hetzelfde procede volgde Barbara den Uyl voor In naam der wet. Afgezien van wat archiefbeelden, worden de gebeurtenissen nagespeeld.

Door gegrimeerde en gekostumeerde mensen, soms op nagebouwde locaties. En toch heeft Den Uyl uitdrukkelijk geen speelfilm willen maken. 'Een documentaire in het jasje van een speelfilm', hoorde Den Uyl iemand haar film noemen. 'Een beetje tuttig' vindt ze die omschrijving, maar wel adequaat. Zolang het maar duidelijk is dat haar niet een 'docudrama' voor ogen stond. “Mijn film is een reconstructie. Hij zit tussen de documentaire en de speelfilm in.”

Op een enkeling na spreken de personages zinnen uit die Den Uyl aantrof in de processen-verbaal, rapporten, verslagen van verhoren en interviews. We zien de personages eerst in actie, zodat we weten wat zijn of haar rol is geweest. Den Uyl heeft ernaar gestreefd de mensen zoveel mogelijk zichzelf te laten spelen, maar dat lukte in lang niet alle gevallen. Vaak, met name in het nagebouwde hoofdbureau van politie, zien we acteurs gestalte geven aan woorden en belevenissen van anderen.

Is het niet verwarrend om authentieke getuigen op een lijn te stellen met gespeelde getuigen?

“Dat vind ik niet. Ik wilde deze film zo documentair mogelijk maken, dus er zit zoveel realiteit in als mogelijk was. Maar alleen al de schaarste aan archiefmateriaal deed me zoeken naar andere middelen. De familie van Hans Kok heeft me geholpen maar kon het niet aan om zelf in de film op te treden. De zwager van Hans Kok vond het slap dat niemand van de familie meewerkte. Hij zit wel in de film, zijn vrouw wordt weer geacteerd. De krakers werkten mee, maar sommige vrienden van Hans Kok schrokken ervoor terug om voor de camera te verschijnen.

Hun woorden worden uitgesproken door andere vrienden. Van de politie, politieartsen, bewaarders en recherche viel weinig te verwachten. Ik heb het ze toch voorgesteld, tegen beter weten in. De vertrouwensarts is echt, de advocaat van de familie Kok ook.''

Jij deelt je leven met die advocaat. Dat komen we niet te weten in deze, verder zeer persoonlijk vertelde, film.

“Ja. Het Parool schreef al direct dat ik met mijn film alsnog het gelijk van mijn vriend zou proberen te halen, dus je zult begrijpen dat ik het bewust achterwege heb gelaten. Hij is jurist, filmmaken doe ik. Dat is iets heel anders, daar heeft hij niets mee te maken.

Natuurlijk ben ik beinvloed door wat hij me heeft verteld. Maar deze film hangt veel meer samen met tien jaar wonen in de Staatsliedenbuurt, met tien jaar verhalen over politiemishandeling. En wat doet het ertoe waar ik mijn inspiratie heb opgedaan? Dat de dood van mijn vader zo'n effect heeft gehad, laat ik ook buiten beschouwing.''

Maakt 'echt' of 'niet echt' werkelijk niet uit? Het is toch een verschil of iemand zijn eigen verhaal vertelt of dat hij het verhaal van een ander uitspreekt?

“Niet als je alles ensceneert. Op twee korte interviews na spreekt iedereen een van tevoren uitgeschreven tekst uit, ook de krakers. In naam der wet geeft mijn beeld van al die mensen en dat beeld vertolkt mijn zekerheid. Het is gebaseerd op mijn intuitie en daar kan niemand iets aan veranderen. Ik heb zelf vooral het idee onsmakelijk gevonden om Hans Kok na te laten spelen. De krakers ook. Ze zeiden, als je dat durft, komen we je film verstoren. Ik heb ze kunnen overtuigen dat hij erin moest.”

Toch heb ik het idee dat je vrijheden neemt die zijn voorbehouden aan speelfilmmakers.

“Er wordt in zoveel documentaires geensceneerd.”

Maar dat blijft meestal beperkt tot enkele scenes, terwijl het duidelijk is waar er wordt gespeeld en waar er sprake is van werkelijkheid.

“Ik bedoel te zeggen dat ook de vormgeving van het documentaire filmen zich ontwikkelt. Ik heb altijd documentaires gemaakt, ik weet wat het is om afhankelijk te zijn van wat er gebeurt. Het betekent dat het resultaat je nooit helemaal bevredigt, dat je nooit de waarheid vastlegt.”

Welke waarheid?

“Mijn waarheid. Ik heb in 1985 een documentaire gemaakt over de krakers in de Staatsliedenbuurt. Ik woonde daar toen zelf, ik maakte de mensen met wie ik filmde dagelijks mee en er was afgesproken dat ik gewaarschuwd zou worden als er iets zou gaan gebeuren. Dat mislukte nogal eens. Ik kwam te laat, of ik werd niet geroepen. En bovendien wil niet iedereen alles vertellen. Ik besloot niet steeds te blijven wachten, ik ging de gebeurtenissen een beetje sturen. Inmiddels ben ik ervan overtuigd dat er veel mag in een documentaire. Bedriegen niet, natuurlijk, maar in scene zetten wel.”

In de roman 'De advocaat van de hanen' gaat de schrijver A. F. Th. van der Heijden een stap verder. Hij heeft de werkelijkheid van de dood van Hans Kok verweven met fictie. En hij doet dat zo realistisch en overtuigend dat wie jouw film ziet, soms zit te wachten op gebeurtenissen uit dat boek.

“Ik heb dat boek niet uit kunnen lezen, zo vervelend vond ik het. Zijn opzet bevalt me niet: zo'n tragische dood gebruiken voor een roman. Daarvoor ligt wat er met Hans Kok is gebeurd veel te gevoelig voor mij. Ik vind alleen al Van der Heijdens visie op de sociale advocatuur bijzonder onaangenaam. Voor hem is een sociale advocaat iemand van rijke, rechtse komaf die uiteindelijk op veel geld uit is.

Iemand die een verkrachte vrouw zelf ook weer verkracht. Dat boek verdraait alles, niet om een verhaal te vertellen maar voor de sensatie.''

Sommige gebeurtenissen in 'In naam der wet' lijken een interpretatie, zoals de klap die Hans Kok krijgt wanneer hij zijn ogen open moet doen voor de politiefotograaf.

“Die klap heb ik bedoeld als een samenvatting van het geweld dat er in het cellenblok is gebruikt. Zelfs de politie sprak van 'opvallend veel gewonden'. Ik kan niet bewijzen dat Hans is mishandeld, maar alle blauwe plekken en kneuzingen dankzij politiewangedrag heb ik vertaald in die ene tik. En dan komen ze er nog goed vanaf.”

De eerste beelden van de film zijn gewijd aan een gesprek met burgemeester Van Thijn. Hij zegt niets, we zien hem, gaandeweg sterker ontredderd, luisteren naar een liedje over Hans Kok. Het refrein luidt onder meer '...ze hebben 'm gestorven- onder leiding van Van Thijn'.

Gaat het niet wat ver om iemand zo te filmen?

“Ik voelde me er ook niet prettig bij, maar het moest. Je kunt beleefde vragen stellen. Daar krijg je dan ontwijkende antwoorden op en dan ben je geen cent verder. Dat liedje van Joop Visser vat, vooral met die kromme zin in het refrein, precies samen waar alles op uit is gelopen. Er wordt nog altijd gespeculeerd dat Hans door zijn eigen schuld is overleden, aan de gevolgen van een overdosis methadon. Maar wie niet ingrijpt, heeft schuld. Van Thijn had dat liedje inderdaad nog nooit gehoord, maar ik heb hem de inhoud van te voren verteld.

'Het moet maar', zei hij. En daarna komt hij nog uitgebreid aan het woord.''

Dat neemt niet weg dat de harde aanpak van Van Thijn een averechts effect heeft. Ik krijg medelijden met hem en dat is niet jouw bedoeling.

“Nee, ik wil dat het publiek Van Thijn doorziet. Zijn rol is verre van fraai geweest en toch hoor je nog altijd mensen zeggen dat ze hem zo'n eerlijke kerel vinden. Hij is er een goed voorbeeld van hoe mensen met macht - en ik heb er velen goed gekend - van alles beweren en dan ijskoud iets doen wat daar lijnrecht tegenin gaat. Dat heeft me altijd geintrigeerd en Van Thijn is een sterk voorbeeld.”

De toenmalige Minister van Justitie, Korthals Altes, verwijt jou in de film dat je hem tegen de afspraak in filmt.

“Ja, dat was bijzonder schijnheilig van hem, daarom heb ik het in de film laten zitten. We waren na lang onderhandelen overeengekomen dat hij twee zinnen zou inspreken. Dat wilde hij drie keer over doen.

Goed. Klaar. Daarna zei ik, mag ik u nu nog een brandende vraag stellen. Hij stemde toe. Pas toen hij niet uit het antwoord kwam, begon hij te zeuren dat hij niet gefilmd wilde worden. Hij zou niet door hebben gehad dat de camera liep. Het spijt me, maar daar geloof ik niets van. 't Is gewoon zijn straf. Voor alles. En bovendien vind ik dat een autoriteit mee moet werken. Hij moet kunnen verklaren wat er onder zijn verantwoording is gebeurd.''

Zo hard als je bent voor de autoriteiten, zo zachtaardig behandel je de krakers. Die mogen, flatteus uitgelicht, in keurig voorbereide zinnen zich beklagen.

“Van Thijn had beter gekund, maar Korthals Altes hebben we ook prachtig uitgelicht. Afgezien daarvan, ik ben ook streng voor de krakers. Al ligt daar mijn hart, ik geef geen geromantiseerd beeld van ze. Ze waren boos op me toen ik ze, in mijn eerste film over de Staatsliedenbuurt, op straat liet zien met pilsflessen in de hand. 'Je maakt zuipende beesten van ons', zeiden ze. Maar zo liepen ze hier nu eenmaal rond. Die film stelde ook hun ideeen over geweld aan de orde.

“Mijn solidariteit mag bij hen liggen, ik ontken dat ik ze in In naam der wet mooier heb gemaakt dan ze zijn. Maar deze film gaat niet over de krakers en hun acties, hij concentreert zich op de walgelijke manier waarop ze door de politie zijn behandeld en hoe de overheid daarmee is weg gekomen.”

Hans Kok was verre van een held en hij hoorde niet tot de harde kern van de kraakbeweging. Het schijnt dat men hem wel 'de dokter' noemde, omdat hij beter dan wie ook het effect kende van verschillende drugs.

Dat blijft in je film op de achtergrond.

“Die bijnaam heb ik nooit gehoord. Wat ik weet is dat een clubje vrienden hem mist en dat vertellen ze in de film. 'Natuurlijk was hij een drugsgebruiker', zegt er eentje en een ander maakt er melding van dat hij 'altijd dronken' was. Het zal duidelijk zijn dat een net, degelijk iemand niet zo snel in een cel zal liggen sterven. Maar mijn film gaat niet over wie of hoe Hans Kok was. Het doet er niet toe wie de politie dood liet gaan, het gaat erom dat het de politie niet is toegestaan om zich te misdragen. Niet uit nonchalance, niet uit domheid, niet uit wraak, en ook niet tegenover een kraker die iets heeft gedaan wat niet mag.” De conclusie van de film is dat Hans Kok is overleden doordat niemand ingreep terwijl hij duidelijk doodziek was.

“Er is niet een schuldige aan te wijzen, het is een opeenstapeling van laakbare feiten. Het was de schuld van iedereen en als je wilt kun je daar een rangorde in aanbrengen. Hoe meer verantwoordelijkheid, des te groter de schuld.”

Een tegelijk gearresteerde kraker zag dat Hans Kok een potje methadon-pillen leeg slikte. Die kraker heeft tegen de politie ook zijn mond gehouden, maar hem verwijt je niets.

“Hij keek daar niet zo van op, dat zag hij Hans wel vaker doen. En als hij iets had gezegd, had hij een klap op zijn bek gekregen.”

Het sterkste moment uit In naam der wet speelt zich niet af temidden van het politiegeweld, in de grafkelder-stille cellengang of in de helverlichte kille cel van de stervende Hans Kok, maar tijdens een kalm shot op het interieur van een door het donker rijdende tram. We horen Barbara den Uyl vertellen hoe ze tijdens zo'n rit werd geconfronteerd met een van ellende dubbelgevouwen verslaafde. De man had haar hulp niet nodig, maar we horen dat ze zichzelf de vraag stelt, die haar film beheerst: 'wat zou je doen?' Het antwoord blijft ze schuldig.

“Ik geef expres geen antwoord. Laat iedereen zelf bedenken wat hij doet als hij een ander in nood ziet. Ik ben geen heilige, ik ben niet consequent en ik neem niet iedere zwerver op in mijn huis. Maar mensen die nooit iets doen kan ik niet uitstaan. Ik zal altijd blijven schoppen tegen machthebbers die hun macht niet goed gebruiken. En een ding weet ik zeker: als ik in die fatale nacht de leiding had gehad op het politiebureau, dan had ik wel een dokter laten komen voor Hans Kok.”