Roeien met de mooie kleintjes; Restauratie van het toevluchtsoord van de impressionisten

Roeien was een geliefd tijdverdrijf van de Franse impressionistische schilders. Ze gingen er vaak voor naar Maison Fournaise, een cafe-restaurant en botenverhuurbedrijf in Chatou, een kleine gemeente aan de Seine even buiten Parijs. Ook Pierre-Auguste Renoir was hier vaak te vinden.

Dit jaar is het 150 jaar geleden dat Renoir werd geboren. Dit 'jubileum' gaat vrijwel onopgemerkt voorbij, behalve in Chatou: onlangs werd Maison Fournaise gerestaureerd, in juni zal het feestelijk worden heropend.

Lunch wordt weer geserveerd in Maison Fournaise, zoals een goede honderd jaar geleden voor dat vrolijke gezelschap roeiers. Als de zon de koude wind verjaagt die over de Seine aankomt, staan de tafels voor het eerst sinds vele jaren weer gedekt op het balkon met het gietijzeren hek op de eerste verdieping, plaats van handeling van Le Dejeuner des Canotiers (De lunch van de roeiers) van Pierre-Auguste Renoir.

Het Maison Fournaise bevindt zich op het Ile de Chatou, een klein eiland tussen twee armen van de Seine, die steeds minder opvallen tussen het oprukkende hoogbouwbeton. In de jaren zeventig van de vorige eeuw woonden hier, in kleine dorpjes als Chatou en Bougival, vissers - in de Seine zwommen nog zeelt en zalm, steur en forel - en handwerkslieden. Het nabijgelegen Saint Germain-en-Laye, hoog op heuvels vanwaar men nu uitziet over de uitgestrekte westelijke banlieu van Parijs, was toen al eeuwen een geliefd toevluchtsoord van Parijzenaars die genoeg hadden van de herrie en de stank van de stad.

In 1837 werd een spoorlijn tussen Parijs en Saint Germain aangelegd, wat tot een grote toename van het weekeindtoerisme leidde. Roeien op de Seine werd een populair tijdverdrijf en overal langs de rivier met zijn eilanden, tussen Bougival en Argenteuil, verdienden de vissers bij met de verhuur van boten en werden cafes en restaurants geopend.

Alphonse Fournaise, botenbouwer van beroep, door Renoir vereeuwigd met het schilderij L'Homme a la Pipe, kocht in 1834 een huis aan de voet van de oude brug naar Chatou, die in 1966 plaats maakte voor een moderne verkeersader richting Nanterre. Fournaise verdiende goed geld aan de roeirage. In 1860 opende hij het restaurant en diverse verbouwingen en uitbreidingen kregen in 1877 hun bekroning met de aanleg van het beroemde balkon aan de rivierzijde.

Maison Fournaise was een familiebedrijf. Alphonse Sr. verwierf zich met de organisatie van wedstrijden en nautische partijtjes de vrolijke bijnaam 'Grand Amiral de Chatou'. Zijn vrouw, wier naam onvermeld blijft, perfectioneerde de keuken. Alphonse Jr. was verantwoordelijk voor de verhuur en het onderhoud van boten. Guy de Maupassant, als enthousiast roeier sinds 1873 vaste klant bij de Fournaises, schreef over hem: “Een grote jongen met een rode baard, fameus om zijn kracht, die de mooie kleintjes de helpende hand bood bij het instappen.” En tenslotte was er Alphonsine, de attractie des huizes, door de schrijver M. Catinat in Les Bords de la Seine beschreven als “een zonnestraal. Zij werd vooral opgemerkt door de artiesten en de schrijvers - niet alleen wegens haar schoonheid, maar ook wegens haar esprit en de charme van haar conversatie”.

Renoir was tussen 1872 en 1882 stamgast van Maison Fournaise. “Ik was altijd verguld bij Fournaise”, schreef hij later. “Ik vond er net zo veel superbe meisjes om te schilderen als ik maar kon wensen.- Het was chic om op zondag aardige kleine vrouwen mee te nemen om te gaan roeien. Soms lieten hun vrienden hen voor enkele dagen achter als ze behoefte hadden aan frisse lucht.” Aan een van zijn vrienden schreef Renoir, toen hij werkte aan Le Dejeuner des Canotiers: “Ik ben wegens mijn schilderij in Chatou gebleven. Wees zo vriendelijk om te komen lunchen. U zult uw reis niet betreuren, het is de mooiste plek in de omgeving van Parijs.”

ARMOEDE

Le Dejeuner des Canotiers, een van zijn beroemdste schilderijen, is meer dan enig ander doek van Auguste Renoir verbonden met het Maison Fournaise. De afgebeelde personen hebben allen min of meer een belangrijke rol in zijn leven gespeeld.

Renoir werkte lang aan Le Dejeuner des Canotiers, dat als genrestuk vergelijkbaar is met zijn Le Bal du Moulin de la Galette uit 1876, waarop gewone mensen te zien zijn die zich vermaken op een danspartij in deze gelegenheid aan de voet van de beroemde molen van Montmartre.

Renoir begon in 1880 aan de Canotiers, maar voltooide het doek pas twee jaar later, na zijn terugkeer uit Algerije en Italie, waar hij op zoek was gegaan naar de klassieke lijn.

Links vooraan op het grotendeels gietijzeren balkon op de eerste verdieping van het Maison Fournaise zit Aline Charigot, de negentienjarige costumiere die Renoir, bijna veertig jaar oud, in 1880 leerde kennen. Aline werd een van zijn favoriete modellen en, tien jaar later, zijn echtgenote. Vijf jaar voor het huwelijk werd voltrokken, hadden ze al een zoon, Pierre. De tweede zoon, Jean, werd beroemd als filmer.

Achter Aline leunt Alphonse Fournaise, de zoon des huizes, tegen de balustrade. Iets verder, leunend op het hekwerk, is Alphonsine Fournaise te zien. Ze is in gesprek met Baron Barbier, een voormalig cavalerie-officier, bohemien, vriend van Renoir en intimus van de Maupassant.

De man met de hoge hoed achteraan is Charles Ephrussi, 'homme a la mode', een amateur-kunsthistoricus, die als een van de weinigen de toenmalige Franse kunstwereld schilderijen van de impressionisten aankocht. Rechts daarnaast heeft Renoir enkele vrienden afgebeeld. Het 'model' Angele, midden achteraan, leegt een glas, gadegeslagen door een onbekende in wie sommigen Renoir zelf vermoeden.

Tenslotte is er het drietal op de voorgrond rechts: de journalist Maggiolo, werkzaam bij het satirische dagblad Le Triboulet, die zich buigt over de blonde actrice Ellen Andre, die voor talrijke schilders als model poseerde, en Gustave Caillebotte, die een belangrijke rol in het leven van Renoir speelde. Caillebotte, kunstschilder, die een flinke erfenis kreeg en later in verzekeringen ging, sloot zich aan bij de groep impressionisten. Hij nam deel aan de tweede 'onafhankelijke' expositie die Monet, Renoir en anderen in 1876 in Parijs hielden omdat ze op de officiele jaarlijkse salon werden geweigerd. Maar Caillebotte was vooral ook de mecenas van de groep: hij kocht vele schilderijen van Renoir en andere impressionisten, die in de jaren zeventig zelden een doek verkochten en vaak in armoede leefden. Nog geen dertig jaar oud bepaalde Caillebotte in zijn testament dat alle schilderijen die hij bezat, aan de staat zouden worden vermaakt. Toen hij in 1894 overleed, liet hij 67 schilderijen na, waaronder drie Renoirs, acht Monets, zeven Pissaro's en doeken van Manet, Sisley, Cezanne en Degas. De staat accepteerde er slechts 38 (de meeste daarvan zijn nu de pronkstukken van het Musee d'Orsay), wat tot een flinke rel leidde - het Parijse kunstestablishment en het grote publiek beschouwden de werken van de impressionisten als 'rotzooi'. De overige gingen voor een zacht prijsje van de hand.

Le Dejeuner des Canotiers was in zekere zin Renoirs afscheid van het zuivere impressionisme. Enkele jaren nadat hij het schilderij had voltooid, in 1895, schreef Renoir in een brief aan een kunsthandelaar: “Ik ben tot het eind van het impressionisme gegaan en ik kwam tot de conclusie dat ik niet kon schilderen en ook niet kon tekenen. In een woord, ik bevond me in een impasse.”

AMERIKANEN

Tegen het eind van de eeuw veranderde de mode: fietsen verdrong het roeien als gezonde ontspanning en met het Maison Fournaise ging het bergafwaarts. Alphonsine sloot haar restaurant in 1905. Degas, die getuige was bij haar huwelijk in 1864 met de schilder Maurice Realier-Dumas uit Chatou, kwam een jaar later, al bijna blind, als laatste van de groep nog een keer bij haar op bezoek. Enkele jaren later overleed Alphonse jr. en daarmee kwam ook een eind aan de botenverhuur. Alphonsine bleef in Maison Fournaise wonen tot haar dood, op 91-jarige leeftijd, in 1937.

In 1953 kreeg het Maison Fournaise een nieuwe eigenaar die er dertien kamers verhuurde aan Arabische immigranten. Het huis ging danig achteruit en was weinig meer dan een krot toen de gemeente Chatou het in 1979 aankocht. De renovatie van dit historisch monument - het werd in 1982 als zodanig geclassificeerd - kostte bijna vier miljoen gulden, betaald door de Franse staat, het departement Yvelines, de gemeente Chatou en een 'Vereniging van Vrienden van het Maison Fournaise'. Een prominent lid van deze vereniging is mevrouw Kelvin Cox Vanderlip, presidente van de 'Friends of French Art' in Los Angeles (USA). De Amerikanen bekostigden de restauratie van het balkon.

Het restaurant is sinds november vorig jaar in volle glorie heropend na een investering van miljoenen francs, vertelt de Nederlandse bedrijfsleider Peter Ruiter, afkomstig uit Haarlem maar al vele jaren werkzaam in Frankrijk. Op de menukaart staat een stoofpot zoals Madame Fournaise die maakte. Aan de achterkant van het huis wordt gewerkt aan een klein museum waarin, naar verwachting vanaf eind dit jaar, parafernalia van het huis uit de hoogtijdagen van het impressionisme ten toon zullen worden gesteld. In originele staat is nog de kamer op de tweede verdieping waar de Maupassant soms weken en maanden logeerde en anderen een nacht doorbrachten met 'mooie kleintjes'.

De voorgevel van het Maison Fournaise is zorgzaam in ere hersteld. Vier schilderingen op borden - De vier leeftijden van het leven van Alphonsine's echtgenoot Realier-Dumas - zijn meticuleus 'nagemaakt', de danig door de tijd aangetaste originelen zullen tezijnertijd in het museum zijn te zien. Bij de entree is met even grote zorg een gedichtje van de Maupassant gereproduceerd, dat ooit met houtskool snel op een cementen muur was genoteerd. Op de wanden van de eetzaal op de eerste verdieping zijn nog de originele wonderlijke allegorische schilderingen van onbekenden te zien, zonder twijfel dankbetuigingen voor de gastvrijheid, of betalingen in natura van kunstenaars, die soms, zoals Monet in de jaren zeventig, nauwelijks een broek hadden om aan te trekken.

In Chatou, waar Renoir volgens de 'Vereniging van de Vrienden' 34 doeken schilderde, staat een ander pand, naamloos en vervallen. In dit voormalige tolhuis, waar destijds ook een restaurant, Levanneur, was gevestigd, woonden aan het begin van de eeuw twee kunstenaars, Maurice de Vlaminck en Andre Derain. In 1905 laadden ze hun schilderijen op een kar en daarmee liepen ze van Chatou naar Parijs om, zoals bijna dertig jaar eerder de impressionisten hadden gedaan, deel te nemen aan een Salon des Independants. Hun werk veroorzaakte een schandaal - het fauvisme was geboren.

Maar deze geschiedenis zal de meeste bedevaartgangers naar het Maison Fournaise ontgaan. Het verkommerde tolhuis van de Vlaminck, waar de gemeente Chatou in de toekomst ateliers voor kunstenaars wil maken, staat enkele meters naast het Maison Fournaise. De vele bezoekers van Fournaise, dat vooral bij Amerikanen en Engelse bewonderaars van Renoir bekend is, zullen er achteloos aan voorbij gaan: een krot is een krot zolang er geen fauvisme op staat.