Ramp Tsjernobyl wordt bewust overdreven

Vijf jaar geleden - op 26 april 1986, om 1.23 uur - sprong door een stoomexplosie het dak van reactor nummer 4 van de kerncentrale in Tsjernobyl. De grafietkern van de reactor raakte in brand en een rookkolom bracht gedurende tien dagen een hoeveelheid radioactief materiaal in de atmosfeer even groot als negentig Hiroshima-bommen.

Vijf jaar is een mooie periode om een ramp te herdenken. Aan de televisiekijkers en de tijdschriftenlezers van afgelopen weken zal de grootste kernramp van de geschiedenis dan ook nauwelijks zijn ontgaan.

Mooie gelegenheidsreportages, archiefopnamen en sombere interviews met kritische deskundigen waren volop te lezen en te zien. Zelden waren echter de journalistieke onmacht, de onbeholpen beunhazerij en de bewuste overdrijving zo onverhuld zichtbaar als afgelopen week.

Aan veel journalisten die de 'sarcofaag' bezochten, de betonnen bunker waarin de rampreactor is gepakt, was de notie niet besteed dat de aanhoudende rookkolom en niet de lichte stoomexplosie de echte ramp is geweest. Kennelijk geloofden ze dat de reactor ontploft was als een atoombom. Ook het feit dat de 'sarcofaag' vele open gaten bezat - opzettelijk aangebracht voor koeling en inspectie - boezemde menige reporter grote angst in.

Een Russische dissidente deskundige, die volgens eigen zeggen nog maar enkele jaren te leven had en nu de waarheid kwijt moest, meldde vorige week in een Engels televisieprogramma dat het Weense internationale atoombureau (IAEA) door de Sovjet-autoriteiten indertijd maar wat voorgelogen was. Er zou geen vijf procent van de radioactieve inhoud van de reactor zijn ontsnapt, maar veel meer, tot zestig procent toe, schatte hij. Ook zou het werkelijke aantal doden veel hoger zijn dan de officiele een-en-dertig, het zou minstens tienduizend bedragen.

Andere televisieprogramma's lieten beelden zien van de erbarmelijke omstandigheden van de geevacueerden van de besmette gebieden of brachten interviews met gewezen reddingswerkers, die zonder uitzondering te melden hadden dat veel van hun kameraden inmiddels gestorven zijn en dat het werkelijke aantal doden van Tsjernobyl in de tienduizenden loopt.

De Westerse interviewers voelden zich niet genoodzaakt om de vraag te stellen waaraan die kameraden dan wel gestorven waren en waarom de vertellers dachten dat hun dood iets met Tsjernobyl te maken had. Een dergelijke vraag stellen zou immers de ontheiliging betekenen van het doorstane leed van de zich opofferende helden en wellicht het gruwelijke lot dat ook de verteller te wachten staat.

Maar waarom was het merendeel van deze uitzendingen en reportages dom en misleidend? Laten we met de dissidente stralingsdeskundige beginnen: de uitgestoten hoeveelheid radioactiviteit zou groter zijn dan officieel werd gemeld. Als dat waar is, zou het dan niet beter zijn om deze gegevens goed te documenteren en ze aan het Weense IAEA te melden dan ze rond te bazuinen op een Brits televisieprogramma? Het zou immers een revolutionaire mededeling zijn.

De IAEA weet immers niet beter, op grond van een tiental onafhankelijke Westerse schattingen, dat van de vluchtige splijtingsprodukten tien tot twintig procent is vrijgekomen en van de vaste radioactieve stoffen drie tot zes procent. Samen is dat vijf procent van het aantal bequerels (de maat voor de hoeveelheid activiteit) die in de reactor aanwezig waren.

Hoe weten Westerse deskundigen dat zo precies? Doordat ze op de hoogte waren van de inhoud van de reactorkern en door metingen van de uitstoot. Veel informatie is openbaar. Daags na het bekend worden van het ongeluk kon NRC Handelsblad de bouwtekeningen en de technische gegevens van de rampcentrale ophalen bij het ECN in Petten, die ze zo uit de archiefladen kon trekken. De metingen aan de uitgestoten radioactiviteit zijn hoofdzakelijk door Sovjet-deskundigen verricht, maar Westerse deskundigen hebben geholpen met de apparatuur en konden alle metingen desgewenst nadoen.

Inderdaad, aanvankelijk waren de Sovjet-autoriteiten zeer terughoudend. Maar toen de ernst van de situatie duidelijk werd en men begreep dat er sprake was van een internationale ramp, kwam er een ommekeer. Daarna hebben Westerse deskundigen de openheid van de Sovjet-autoriteiten geprezen.

Nog onlangs (24 januari 1991) verscheen in de Wetenschapsbijlage van deze krant een uitgebreid verslag van een Nederlandse 'fact finding missie' bestaande uit wetenschappers en ambtenaren van WVC en Buitenlandse Zaken. Deze missie werd vorig jaar door de Russische autoriteiten bij het verzamelen van gegevens niets in de weg gelegd - al was het maar omdat men de beloofde hulp van circa tien miljoen gulden niet wilde mislopen.

Het stralingsniveau in de gebieden die door radioactieve regen getroffen waren, is zeer goed bekend. Zo heeft de republiek Wit-Rusland ongeveer zeventig procent van de gehele uitstoot ontvangen, waardoor twintig procent van de landbouwgrond onbruikbaar werd. Alle gebieden waarin personen een dosis van meer dan 35 rem gedurende hun leven zouden ontvangen, werden ontruimd. Zo'n dosis geeft een extra kankerrisico in dezelfde orde van grootte als het roken van een sigaret per dag.

Maar wat is er nu waar van de veelgehoorde bewering dat het werkelijke aantal doden ten gevolge van de kernramp eerder tienduizend is dan de officiele een-en-dertig? Het antwoord is: je moet geen appels met peren vergelijken.

Die een-en-dertig doden zijn slachtoffers van omvallend puin, van brand en van stralingsziekte. Dit laatste is het gevolg van blootstelling aan een zeer hoge dosis kernstraling - zoveel dat de natuurlijke reparatiemechanismen van het lichaam de beschadiging van cellen niet meer aankan. Er is tijdelijk een tekort aan bepaalde cellen. Aan dit tekort sterft een slachtoffer, of hij geneest er binnen enkele maanden van. Een genezen stralingszieke is na afloop weer een gewoon mens, geen invalide die een ongewisse toekomst tegemoet gaat.

Daarnaast heeft blootstelling aan kernstraling een tweede effect: het verhoogt de kans op kanker. Door verschillende groepen onafhankelijke Westerse deskundigen is berekend dat de blootstelling aan de vrijgekomen radioactiviteit van Tsjernobyl de komende vijftig jaar enkele tienduizenden kankerdoden tot gevolg zal hebben. Een geweldig groot aantal maar toch weer niet zo groot dat het statistisch zichtbaar zal worden temidden van de vele miljoenen 'normale'

kankerdoden: de verhoging blijft beneden de 0,1 procent. (In het westen, berekende de EG in 1987, zouden de komende vijftig jaar duizend extra kankerdoden vallen als gevolg van Tsjernobyl - onmeetbaar op de dertig miljoen natuurlijke kankerdoden.)

Wie beweert dat het werkelijke aantal doden van Tsjernobyl nu tienduizend bedraagt, schat het aantal dus een factor tien te hoog.

Maar daarnaast bestaan deze Tsjernobyl-doden niet echt, ze zijn niet persoonlijk aan te wijzen, hun aantal is zelfs niet zichtbaar als een verhoging in de kankerstatistiek. Het is dan ook zinloos om de Sovjet-autoriteiten aan te wrijven dat ze deze doden 'verzwijgen' of 'achterhouden'.

De Russische bevolking had weinig reden om geloof te hechten aan informatie van de eigen overheid. Na de aanvankelijke geheimhouding was daar nog minder reden toe. Het is dan ook geen wonder dat de Russische slachtoffers van Tsjernobyl de wildste geruchten voor waar houden.

Maar iets heel anders is het om aan het Westerse publiek deze wilde geruchten onweersproken door te geven. De schrijnende beelden van de geevacueerden in hun noodkampen, van ontredderde mensen die geloven dat hun familie aan straling is omgekomen, van jonge mensen met angst voor de toekomst - dat alles is al schokkend genoeg. Overdrijving, verzwijging of journalistieke luiheid maakt de ramp er niet erger van.