Overpeinzingen van S. Montag; Ongenoegen verkeert in genot

S. Montag: De Zippo van '14-'18. Uitg. De Bezige Bij, 185 blz. Prijs: (f) 27,50.

'Genot is deugd', zo schreef Multatuli provocerend in een van zijn Ideen en ik geloof dat hij daar groot gelijk in had. Waarom zou een mens tijdens zijn kortstondige leven wel altijd zuinig, oppassend, proper en bescheiden moeten zijn, maar niet ongestoord mogen genieten?

Leefde hij nog maar, dan had hij zijn hart kunnen ophalen aan de nieuwe bundel van S. Montag. De Zippo van '14-'18 is een bloemlezing uit acht jaar zaterdagse overpeinzingen en er is maar een conclusie mogelijk: dit zijn de overpeinzingen van een levensgenieter. Hier is iemand aan het woord die het vermogen heeft zich te verlustigen in de dingen. Een geelkoperen aansteker (de Zippo uit de titel), een ouderwetse heimachine, platgereden voorwerpen, ja zelfs een eenvoudige deurknop kan bij hem al aanleiding geven tot een lyrische ontboezeming.

Er is dus veel in dit leven dat Montag behaagt, zo lijkt het. 'Een kinderhand is gauw gevuld', luiden de eerste woorden van het boek.

Maar men moet zich er niet op verkijken. Want er is heel wat meer in het ondermaanse dat Montag helemaal niet zint. Een pianospelende buurman die niet kan pianospelen, een weerzinwekkend opgedofte bejaarde, Russische bureaucraten die hem veroordelen tot het dragen van een slaapmuts, een Japanner die hem eerst bijna van de sokken rijdt en daarna in het Duits naar de weg vraagt. Het bijzondere van deze bundel is, dat deze ongenoegens die alle opvallend genoeg betrekking hebben op mensen en niet op dingen, worden geneutraliseerd door de smakelijke wijze waarop ze worden opgedist. Ik zou wel zo ver willen gaan om te beweren dat ieder ongenoegen hier vanzelf verkeert in zijn tegendeel, in genot.

Elke teleurstelling die het leven hem bereidt, heeft als lichtpunt dat het stof biedt tot overpeinzing. Zo voert het gebeuzel van de opgedofte bejaarde hem terug naar muffe bijkeukens, naar komijnekaas, worst en beleg: gehaat beleg dat hij vroeger op de boterham kreeg en naar afbladderende vaalgele verf en onsmakelijke vliegenvangers: “Zelden heeft een mens het geluk, dat hem zo onverwacht weer een blik wordt gegund in de gruwelkamer van zijn jeugd.” De Duits sprekende Japanner zet hem daarentegen niet aan tot mijmering, maar tot daadkrachtig optreden. Hij begeeft zich onmiddellijk naar de Utrechtsestraat en koopt een geducht zakmes. “Met dit mes in m'n zak voelde ik me een ander mens, ik had het overal bij me en het heeft me intussen vergezeld in de meest penibele situaties, terwijl ik er toch nooit meer mee heb gedaan dan een puntje aan mijn potlood slijpen, maar ook dat was al een genot.”

Met deze twee voorbeelden zijn de extremen van het Montagse universum wel aangegeven. Aan de ene kant is er het troosteloze leven zelf, aan de andere kant is er de verbeelding, de geestkracht, de taal om dat leven nu eens flink op te beuren en van betekenis te voorzien.

Het genot van deze mini-essays ligt niet alleen voor Montag, maar ook voor zijn lezers verscholen in de taal, in heldere en trefzekere formuleringen. Hij is een begenadigd stilist, die nu werkelijk nooit te betrappen valt op een onwelluidende zin of een hompelige overgang.

Het draait hier niet om interessante journalistieke feiten, of om een of andere actualiteit, maar om het formuleren van inzichten, vooral in het intermenselijke. Montag bekreunt zich daarbij niet om het waarom van de vaak zo vijandige betrekkingen. Hij gaat er eenvoudigweg van uit dat de mens geschapen is om het zijn medemens zo lastig mogelijk te maken. Hij concentreert zich op het hoe van het primitieve gedrag van de mens. Een mooi voorbeeld daarvan geeft hij in het verhaal 'Eau non potable', toch al een wonder van komisch vernuft, waarin een reiziger gedwongen wordt toe te zien hoe een medereiziger zijn lunch verorbert. “Het is al geen pretje, iemand te zien eten zonder dat er een tafeltje tussen staat, maar dan nog uit een lunchpakket, dat is verstikkend. Het appeltje voor toe, de harde knak waarmee het fruit wordt aangebeten, de lucht van de gepeld wordende sinaasappel en hoe de eigenaar zijn vingers niet droog kan houden, het afvegen van het besmeurde zakmes en het voldaan gezucht als het lunchpakket soldaat is gemaakt: mensenhaat.”

In De Zippo van '14-'18 komen geen individuen voor, maar uitsluitend types: de reiziger, de dief, de heler, de arme donder, de gehoorzame burger, de klikspaan. Vooral is het de automobilist die Montag tot onbedaarlijke passages weet te verleiden, met zijn rampzalige kuddegeest en zijn niets ontziende rijgedrag. “De mist kan niet dik genoeg zijn om hem ervan te weerhouden, zich met vol gas in een kettingbotsing te begeven. Zo kreupel is het oude vrouwtje niet, of hij denkt: om dat mens kan ik nog wel even heen.”

Het meest gecompliceerde type is natuurlijk S. Montag zelf, ex-automobilist en onverzoenlijk treinreiziger, geweldloos burger en liefhebber van steekwapens, kanonskogels, katapulten en windbuksen.

Morrend neemt hij deel aan het gemene leven, dat hij zo genotvol weet te beschrijven.