'Mijn anti-Duitse gevoelens zijn door mijn werk verminderd'; Historicus In 't Veld na 30 jaar onderzoek weg bij Rijksinstituut Oorlogsdocumentatie

Hij is de laatste van de oude garde bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam: historicus dr. N.K.C.A. in 't Veld, schrijver van onder meer 'De SS en Nederland'. Op 31 maart ging hij op 60-jarige leeftijd met de VUT, na dertig jaar bij het RIOD.

AMSTERDAM, 26 APRIL. Een keer in zijn leven kwam In 't Veld in aanraking met wat hij noemt een oorlogmisdadiger van formaat. “Dat was Kooymans, SS'er, tijdens de bezetting feitelijk chef van de Nederlandse politie en vertrouweling van Rauter. We dachten dat Kooymans aan het Oostfront was gesneuveld, maar hij bleek zo gezond als een vis in Duitsland te wonen, net over de grens achter Nijmegen.

“Daar heb ik, het was eind jaren zestig, uren met hem gesproken. Ik raakte in een moreel dilemma. Wat mag ik aan consumpties van die man aannemen? Een kop thee en een koekje, dat leek me verantwoord, meer niet. Zijn vrouw vroeg steeds of ik wat wilde eten, maar ik zei nee, al rammelde ik van de honger.

“Wat ik me van dat gesprek vooral herinner, was de wending die Kooymans nam over zijn rol in de oorlog. In het begin noemde hij zich een klein radertje in de grote machine. Aan het slot sloeg hij met zijn hand op tafel en zei: 'Ik was een van de belangrijkste figuren bij de politie en SS'. Nee, Kooymans is in Nederland nooit berecht.

Ons oogmerk om met hem te praten was van zuiver wetenschappelijke aard. De man is nu al weer jaren dood.''

In 't Veld mag dan een maand geleden bij het RIOD zijn vertrokken, hij is nog regelmatig in de stoffige burelen van dit instituut aan de Herengracht te vinden ter voltooiing van een taak die hij eerder op zich nam: de organisatie van een internationaal congres, van 22 tot 24 mei in Amsterdam, over vergelijkende geschiedschrijving.

Tegen de achtergrond van een vooroorlogse kaart die het Groot-Duitse Rijk weergeeft, blikt In 't Veld terug op dertig jaar intensief onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog. Hij rookt sigaartjes en drinkt wit bier uit een limonadeglas.

In 't Veld kwam in 1961 door een ontmoeting met dr. A.E. Cohen bij het RIOD terecht. “Ik was leraar geschiedenis aan het Haags Montessori-lyceum en vroeg me af of ik dat m'n hele leven wilde blijven. Toevallig liep ik Cohen tegen het lijf. Die kende ik nog uit m'n studententijd in Leiden. Hij werkte bij het RIOD, maar stond op het punt hoogleraar middeleeuwse geschiedenis te worden. Hij vroeg me: voel je niet voor een baantje bij het instituut?”

Dat 'baantje' kwam er onder andere op neer dat In 't Veld het werk waar Cohen aan was begonnen, zou afmaken. Cohen had in Berlijn circa 700 documenten verzameld over de SS en Nederland en In 't Veld zou de annotaties bij de uitgave over dit onderwerp verzorgen. Het werd zijn proefschrift, waarop hij in 1976 promoveerde.

In 't Veld: “Zo kwam ik als snotjongen op een instituut waar De Jong zat, Sijes en Van der Leeuw. Vooral Loe de Jong heeft veel aan mijn vorming bijgedragen. Ik heb wel zakelijke kritiek op hem, maar het blijft voor mij een geweldige vent. Ik was behoorlijk anti-Duits toen ik op het RIOD kwam. Maar die gevoelens zijn hier zeker niet versterkt. Integendeel, ik kreeg allengs meer oog voor de ingewikkeldheid van het menselijk drama, voor de onontkoombaarheid om keuzes te maken. Ik had natuurlijk ook dat primitieve idee: alle NSB'ers, alle SS'ers zijn landverraders, schoften. Maar dan spreek je sommigen van hen voor je werk en dan blijken het ineens mensen te zijn zoals u en ik.”

In 't Veld hecht aan nuances, ook als het gaat over het optreden van de geallieerde strijdkrachten in de Tweede Wereldoorlog: “Als jongen genoot ik van het geluid van bommenwerpers die richting Duitsland vlogen. Maar ik ben later tot de conclusie gekomen dat de bombardementen op Dresden, het 'Ausradieren' van Wurzburg en de vlammenzee van Hamburg net zo goed oorlogsmisdaden waren als het bombarderen van Coventry en Rotterdam.”

Met zijn anti-zwart-wit-denken wil hij echter de houding van veel foute Nederlanders allerminst bagatelliseren. In 't Veld: “Ik had een keer een ontmoeting met H.W. van Etten, hoofdredacteur van Storm-SS, het blad van de Germaanse SS, een levensgrote schurk. Hij kwam op het instituut en sprak over de oorlog alsof het een voetbalwedstrijd was geweest. Dat beviel me niet. Ik wou met hem praten over maart 1943, toen Rauter zijn vertrouwelingen, onder wie Van Etten, inlichtte over wat er met de joden zou gebeuren. Ik zei tegen Van Etten: 'U moest na afloop van die bijeenkomst wel concluderen dat alle joden zouden worden afgemaakt'. En ik vroeg hem: 'Hebben jullie, toen Rauter weg was, daarbij stilgestaan en erover gepraat?' 'Nee', zei Van Etten, 'we spraken er niet over'. Ik vroeg: 'U vond het normaal?' 'Ja', zei hij.

Toen was ik stil.''

Dat is hij opnieuw als hij aan dat gesprek met Van Etten terugdenkt.

Even later: “Zo reageren mensen blijkbaar als ze ideologisch zijn voorbereid. Dat zijn blijkbaar normale patronen, normale reacties. Dat verklaart mijn pessimistische mensbeeld, zij het met een vleugje hoop.

Maar dat had ik zonder het RIOD ook al.''

In 't Veld studeerde in Leiden en dat is te horen aan een licht geaffecteerde tongval. Hij zegt dan ook niet 'Leiden', maar 'Leie', waar volgens hem de enige echte universiteit van Nederland staat. Zijn voor sommigen wat curieuze gevoel voor humor openbaarde zich in zijn studententijd, toen hij, verkleed als pastoor, achter een raam naar passerende vrouwen lonkte.

Curieus, maar van een ander gehalte, vond menigeen in zijn toenmalige progressieve vriendenkring ook zijn voorzichtig geuite twijfel over de figuur Weinreb: “Ik werd ongeveer voor fascist uitgemaakt als ik ook maar opperde dat er misschien wel iets verkeerds met Weinreb aan de hand was. Dit is een van mijn stokpaarden. Het beschamende van de Weinreb-affaire vind ik dat zoveel kritische intellectuelen hersenloos achter deze charlatan hebben aangelopen. Ja, ik heb een keer met Weinreb gesproken, ongeveer drie minuten, maar dat was voor de affaire. De man was niet onaardig.” De econoom en filosoof Weinreb pretendeerde in de oorlog over mogelijkheden te beschikken de emigratie van Nederlandse joden te kunnen bevorderen. De kwestie werd opgerakeld toen hij in de jaren zestig zijn herinneringen publiceerde.

In 't Veld heeft nog een stokpaard: de schamele staat waarin de Indische afdeling van het RIOD zich bevindt. In 't Veld: “Volstrekt ten onrechte is in 1945 weinig of niets gedaan om de documenten die betrekking hadden op onze koloniale geschiedenis, centraal op te slaan. De Indische afdeling hier is altijd een stiefkind geweest. De belangrijkste publikaties over het voormalig Nederlands Indie komen dan ook uit de VS en Australie en die hebben niet zelden een anti-Nederlands toontje. Het RIOD had in Djakarta natuurlijk allang een dependance moeten hebben.”

En het RIOD in Amsterdam? Dat zou, zegt In 't Veld, moeten uitgroeien tot een algemeen instituut voor contemporaine geschiedenis. “Er komt natuurlijk een moment waarop de vraag rijst: heeft het RIOD zuiver wetenschappelijk gezien nog bestaansrecht? Ik vind van wel, maar dan ingebed in een 'Institut fur Zeitgeschichte', zoals Munchen dat kent.

Helaas had De Jong daar niet zoveel belangstelling voor, maar ik merk dat de jongere generatie medewerkers hier gevoelig is voor dit idee.''

N.K.C.A. in 't Veld vertrekt bij het RIOD als laatste van de oude generatie wetenschappers, “samen met de door mij zeer gewaardeerde portier.”