Metropolis, de nieuwe Zeitgeist in Berlijn; Een totalitaire tentoonstelling

Negen jaar geleden werden de neo-expressionistische schilders als helden binnengehaald op de monstertentoonstelling Zeitgeist in de Berlijnse Martin-Gropius-Bau. Het ging toen om de originaliteit van het kunstwerk. Nu hebben dezelfde tentoonstellingsmakers de expositie Metropolis gemaakt, waarop het kunstwerk wordt gepresenteerd als alledaagse koopwaar. “Is het nu louter opportunisme van de tentoonstellingsmakers of is er werkelijk sprake van een pendelbeweging?”

Metropolis, tentoonstelling van internationale hedendaagse kunst, Martin-Gropius-Bau, Stresemannstrasse 110, Berlijn. Tot 21 juli. Geopend dag.11-18u. Catalogus, 340 blz., 49 DM.

Wie de expositie Metropolis in de Berlijnse Martin-Gropius-Bau betreedt, waant zich in een circus of een Grand Bazar. De bezoeker wordt verwelkomd door een negen meter hoge, op spitzen balancerende Ballerina Clown, gehuld in een groen metallic balletpakje met tutu en een clownsmasker op het hoofd. De mechanisch bewegende pop buigt en strekt elegant het rechterbeen en trekt met een gehandschoende hand aan een koord om het doek te doen opgaan. Naast de ballerina zweeft, als een reusachtige kroonluchter, een aardbol. Op de in decoratieve patronen betegelde vloer is een 'pergola' van zuilen neergezet, Cythera getiteld, feeriek verlicht door gekleurde neonlampen. Ernaast staat een houten bouwsel waarvan de vorm associaties oproept met een sarcofaag, maar dat met zijn aquamarijnblauwe kleur evengoed een tot enorme proporties opgeblazen bijouteriedoos zou kunnen zijn.

Deze vier objecten van Jonathan Borofsky, de tweeling Mike en Doug Starn, Ian Hamilton Finlay en Jan Fabre, vormen de introductie tot de belangrijkste tentoonstelling van internationale hedendaagse kunst van dit jaar. Het ziet er allemaal even frivool en speels uit, zelfs het object van Fabre dat in een andere context, naar ik mij herinner, toch een heel wat zwaarwichtiger indruk kan maken.

De prachtige neo-classicistische palazzo-achtige Gropius-Bau, in de tweede helft van de negentiende eeuw als kunstnijverheidsmuseum ontworpen door Martin Gropius en Heino Schmieder en tien jaar geleden gerestaureerd, draagt hier ongetwijfeld aan bij. Van de Muur die er aan de noordkant tegenaan was gebouwd is geen spoor meer over. Een met glas overdekt 'atrium' vormt het hart van het gebouw, galerijen en trappen liggen er symmetrisch geordend omheen. Marmer en verguldsel, weelderig stucwerk en rijk gedecoreerde houten casettenplafonds verzachten de strenge belijning van de architectuur. Leunend over gedraaide gietijzeren hekjes kijkt men vanaf de eerste verdieping in de open ruimte, het geroezemoes van stemmen klinkt omhoog. Vanaf dit punt bezien lijken de kunstwerken rondom in de galerijen speciaal als decoratie van het gebouw te zijn ontworpen. Met recht kan hier gesproken worden van de 'enscenering' van een tentoonstelling.

De Martin-Gropius-Bau bood al eens eerder onderdak aan een grote internationale expositie van hedendaagse kunst: Zeitgeist, in 1982.

Beide exposities zijn samengesteld door dezelfde personen: Christos Joachimedes, Duitser van Griekse afkomst, en de Engelsman Norman Rosenthal. Voor Metropolis nodigden zij uit twintig landen - waaronder, naast de Westeuropese landen, Amerika, Japan, de Sovjetunie, Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije - 72 beeldende kunstenaars uit. Hun kunstwerken beslaan samen een oppervlakte van 5000 vierkante meter expositieruimte. Volgens een brochure 'verbindt Metropolis de werkelijkheid van Berlijn met de hedendaagse kunst, en roept de tentoonstelling herinneringen op aan de tijd toen Berlijn op het kruispunt van de moderne kunst stond. Tegen de achtergrond van de huidige politieke veranderingen in Europa wil Metropolis een internationale dialoog over de kunst op gang brengen.'

Gelukkig onderscheidt Metropolis zich in positieve zin van de vele monstertentoonstellingen uit de afgelopen jaren, zoals de Documenta, Westkunst en Bilderstreit om er slechts enkele te noemen, doordat het een echte expositie is. Daarmee bedoel ik dat het geheel met overleg is ingericht, dat elke exposant voldoende ruimte heeft gekregen en met meer werken vertegenwoordigd is, en dat er een idee aan ten grondslag ligt dat ook in de opzet bespeurbaar is, ook voor wie niet van te voren van dit idee op de hoogte is.

BLIK VOORUIT

De tentoonstellingsmakers proberen aan de hand van recente kunstwerken - de meeste dateren uit de laatste vijf jaar - een blik vooruit te werpen op de kunst van de jaren negentig. Volgens hen is een belangrijk kenmerk van de kunst in deze eeuw dat die zich steeds heen en weer beweegt tussen twee polen: tussen Picasso - de aan de zichtbare werkelijkheid ontleende schilderkunst, expressief en beladen met persoonlijke emoties - en de 'poetische, alchemistische geest' van Marcel Duchamp. Tien jaar geleden lag volgens hen het zwaartepunt bij Picasso, zoals zij lieten zien in Zeitgeist en in nog een andere spraakmakende expositie in Londen 1981, geheten A new Spirit in Painting. Nu is dan de beurt aan Duchamp, met onder zijn vleugels Andy Warhol.

Onder invloed van deze twee kunstenaars zou er in de afgelopen tien jaar een 'Umwertung aller Werte' hebben plaatsgevonden die kort gezegd hier op neerkomt, dat nadat Duchamp het banale, alledaagse object (wie kent tegenwoordig niet zijn fietswiel, urinoir en flessenrek) tot kunst had verheven, nu dan tenslotte in omgekeerde richting het kunstwerk tot alledaagse koopwaar is verklaard, een omkering van de geste van Duchamp die is ingezet met Warhol. De kunstwerken worden door hun makers uitsluitend beschouwd als consumptieve goederen.

Authenticiteit, vernieuwing, de autonomie van het kunstwerk, aspecten die voor Duchamp nog een belangrijke rol speelden, dit alles doet er nu niet meer toe. Deze eigenschappen, die in de opeenvolgende avant-gardes in onze eeuw de betekenis van het kunstwerk bepaalden, worden alleen gesuggereerd, omdat zij immers door de consument van de kunst worden verwacht. Maar het gaat uitsluitend nog om de uiterlijke verschijning en om het 'dingkarakter' van het kunstwerk. Als deze kunst nog ergens over gaat, dan is het over de bestaansmogelijkheid van kunst.

Dit verklaart, volgens de opvatting van Joachimedes en Rosenthal, waarom er in de kunst, die nu dus een radicale verandering ondergaat, allerlei benaderingen naast elkaar bestaan, 'een kaleidoscoop van verschillende artistieke benaderingen, formele uitgangspunten, en attitudes'. Elke benadering is even goed als iedere andere. Ook verklaart het waarom het vooral objecten en geen schilderijen zijn die het beeld bepalen, zoals sculpturen, installaties, fotografische werken enzovoort.

Blijft de vraag wat Joachimedes en Rosenthal willen zeggen met de naam Metropolis. Metropolis, titel van de beroemde film van Fritz Lang uit 1927, is met al zijn associaties met 'de moderniteit' naar mijn idee een ouderwets begrip. Metropolis is wat een journalist in 1923 schreef naar aanleiding van een nieuw gebouw van de architect Erich Mendelsohn: 'Dit is niet Potsdam of Neu-Ruppin, maar Grossstadt, moderne city, geconcentreerd, machtig leven, toewijding, Bejahung, wilskracht en arbeidstempo!' Maar van 'geconcentreerd, machtig leven'

of van toewijding en Bejahung is op de tentoonstelling weinig te merken.

De organisatoren bedoelen ermee dat de door hen getoonde kunst vervaardigd is 'in de sloppen van Manhattan, op verlaten industrieterreinen in Keulen en Dusseldorf, de pakhuizen van Oost-Londen.' (Inderdaad, de metropolis Amsterdam doet in het geheel niet mee.) 'Zij is ontstaan uit het contact met de Grossstadt, omdat deze kunst het leven in de stad met al zijn 'geweld, seks, hebzucht en ficties' tot in het extreme ironiseert'.

HELDEN

De expositie Zeitgeist vertelde een verhaal dat hier diametraal tegenover staat. Toen draaide alles juist om de expressie in de schilderkunst. Ik citeer uit de catalogus: 'De onmiddellijke zintuigelijke verhouding tot de kunstwerken wordt gezocht - het subjectieve, visionaire, de mythe, het lijden, de bekoring zijn uit hun verbanning teruggehaald.' Een 'dionysisch grondgevoel' beheerste deze tentoonstelling. De jonge neo-expressionisten werden als helden verwelkomd, want het expressionisme gold in de decennia daarvoor, de tijd van minimal en concept art, immers als een verachtelijk soort kunst.

Is het nu louter opportunisme van de tentoonstellingsmakers, of is er werkelijk sprake van zo'n 'pendelbeweging'? Grote exposities als deze hebben een magnetische aantrekkingskracht, op het publiek maar ook op de kunstenaars. De boodschap die erachter zit werkt dan ook, tot op zekere hoogte, als een 'self-fulfilling prophecy'. Nog een paar jaar na Zeitgeist leek het een representatieve tentoonstelling te zijn geweest. Er moet de nodige tijd overheen gaan, voordat een evenwichtiger beeld van die periode ontstaat. Met Metropolis zal het niet anders zijn, het is ook een momentopname met alle vertekeningen die daarbij horen. Net als bij Zeitgeist zal een belangrijk deel van de exposanten al snel weer in de vergetelheid raken.

Het beeld dat de tentoonstellingsmakers van de kunst oproepen is hier belangrijker dan de kunstwerken zelf. Met Metropolis wordt dat beeld meteen al in het atrium, duidelijk, en dat is toch een belangrijke verdienste van Joachimedes en Rosenthal. De kunst van de jaren negentig is volgens hen lichtzinnig en frivool. Het is vooral ook een gekunsteld soort kunst, waarbij alles draait om de uiterlijke verschijning. Enscenering en context spelen hierbij een bepalende rol.

Neem de grote fotowerken van Gilbert & George. Daarin zijn een zekere tragiek en een existentiele vervreemding of levensangst belangrijke componenten, maar daarvan is op Metropolis niets herkenbaar. De kleurrijke panelen functioneren hier als louter decoratie.

Hetzelfde geldt voor Baselitz. Dat is trouwens wel merkwaardig, omdat hem op de Zeitgeist-tentoonstelling een centrale rol was toebedeeld bij het heroveren van dramatiek en diepmenselijke gevoelens. Ik vond zijn werk altijd al hol en gekunsteld in plaats van dramatisch. Het is vooral dankzij zijn technische vaardigheden dat hij meer weet te suggereren dan er werkelijk is, zoals onlangs ook bleek op zijn tekeningen-expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Nu Baselitz bij deze tweede presentatie in Berlijn ontdaan is van alle zwaarwichtigheid komt hij in feite beter tot zijn recht. Als een rijk wandtapijt, met veel karmijnrood, goud en zwart siert zijn serie (nog steeds omgekeerde) portretten de wand.

Zo zijn er nog enkelen die aan Zeitgeist meededen en nu weer aan Metropolis, zoals Borofsky, Kounellis die een uitermate zouteloze en sentimentele 'installatie' heeft gemaakt van brokstukken van een oude houten boot, 'Albatros' genaamd, en Julian Schnabel. De enige Nederlander die toentertijd meedeed, Rene Daniels, is nu notabene ook weer de enige Nederlandse vertegenwoordiger. Dit doet vermoeden dat er inderdaad iets schort aan de inzet van museumdirecteuren en ambtenaren om Nederlandse kunst over de grenzen te helpen. Afgaande op het gehalte van de in Berlijn getoonde werken zouden we ons voor een Nederlandse inzending niet hoeven te schamen. Het thema van 'kunst als koopwaar' is in ons land niet zo ruim vertegenwoordigd, maar het is vreemd dat Rob Scholte niet tot de exposanten behoort.

Het thema is natuurlijk bij uitstek van toepassing op het werk van Amerikaanse kunstenaars als Jeff Koons en Haim Steinbach, die beiden enige tijd te geleden te zien waren in Horn of Plenty in het Stedelijk Museum. Steinbach laat opnieuw etalage-achtige uitstallingen zien, Koons weer een varken met wat andere dieren erop gestapeld, en onder andere een uitvergroot Christusbeeld. Deze Amerikanen laten het Metropolis-concept in zijn zuiverste vorm zien.

Het werk van allerlei Oostblokkunstenaars daarentegen heeft er heel weinig mee te maken en lijkt er alleen bij te zijn gehaald omwille van de 'politieke omstandigheden'.

Van de fotografen, onder wie Gunther Forg, Thomas Ruff, het duo Clegg & Guttmann en het duo Fischli & Weiss, is het werk van Cindy Sherman verre weg het boeiendst. De anderen blijven met hun beelden van een haarscherpe, verhevigde werkelijkheid - of dit nu een landschap, een portret of een gebouw is - binnen de traditionele grenzen van de fotografie. Maar Sherman, die hier voor het eerst geen vermomde zelfportretten laat zien, maakte opnames van beschimmelde etensresten, vreemde esthetische beelden die het best omschreven kunnen worden als fotografisch abstract expressionisme: een heel nieuw genre.

SCHNABEL

Zijn er nu verder afzonderlijke kunstwerken aan te wijzen die mooi, ontroerend of boeiend zijn? Nauwelijks. Hier blijkt hoe manipulatief en totalitair een dergelijk thema-tentoonstelling is. Want wanneer eenmaal vast is gesteld dat het de organisatoren om gekunstelde kunst en uiterlijke vorm te doen is, ontsnapt vrijwel geen enkel kunstwerk aan deze context. De laatste werken van Schnabel bijvoorbeeld lijken er verrassend genoeg op te wijzen dat hij de weg terug aan het zoeken is naar een expressiever soort kunst, maar in dit verband is het bijna onmogelijk om dit te beoordelen. De schilderijen van Albert Oehlen en Edward Ruscha zijn zeer de moeite waard, maar ontsnappen ternauwernood aan de plastic namaak-wereld van Metropolis. Vrijwel nergens is verder iets van individualiteit of intimiteit te vinden. Kunstenaars als Koons en Steinbach hebben zich definitief neergelegd bij de onmacht van de beeldend kunstenaar tegenover de consumptieve markt en reproductieprocessen. Ironie en 'spielerei' kunnen deze machteloosheid niet maskeren.