Mes van jaloezie is bot in Vlaamse sotternie

Theatervoorstelling: De Cocu Magnifique van Fernand Crommelynck door de Blauwe Maandag Compagnie. Vertaling: Marc Didden; decor: Johan Daenen; regie: Michel van Dousselaere; spelers: Stany Crets, Victor Low, Els Dottermans, Katelijne Damen e.a. Gezien 24-4 Brakke Grond, Amsterdam. Te zien t-m 27-4 aldaar. Tournee t-m 24 mei.

De toeschouwer moet tegen heel wat acteergeweld bestand zijn bij het zien van De Cocu Magnifique, en vooral: hij moet bestand zijn tegen de voortdurend op woede geregisseerde stem van Stany Crets in de titelrol. De in het Frans schrijvende Vlaamse auteur en toneelspeler Fernand Crommelynck (1886-1970) stelde, berooid te Parijs, in een nacht in 1920 het eerste bedrijf van deze farce van de jaloezie op schrift; na voltooiing enkele maanden later bracht het stuk hem roem, eer en geld.

Crommelync zegt dat Othello, het drama uit de wereldliteratuur over jaloezie, hem inspireerde, maar ik moest veel meer aan het Winteravondsprookje denken, waarin, net als in De Cocu, de jaloezie van koning Leontes uit het niets voortkomt terwijl Othello boze influisteringen krijgt van Jago. Hoe het ook zij: de man geraakt door de vrouw in de zevende hemel en in de diepste ellende. Hij adoreert haar, maar juist zijn adoratie maakt hem willoos en een slachtoffer van zijn eigen waanbeelden, namelijk dat elke vrouw een ontrouw wezen is. De bedrogen echtgenoot in De Cocu forceert zijn vrouw tot werkelijk overspel met zijn vriend, teneinde zich van zijn ziekelijke jaloezie te bevrijden.

Het stuk is nadrukkelijk een farce: er is veel te lachen over de onnozelheid van de mens en de hele constructie wijst vooruit naar de ontknoping, en die laat lang op zich wachten. Althans, bij de Blauwe Maandag Compagnie in de regie van Michel van Dousselaere. Ik houd niet van het woord overkill waar we in het Nederlands het prachtige 'overdaad' hebben, maar het kill in het Engels bevalt me omdat het me precies voert waar ik mijn betoog wil hebben: met zwaar psychologisch-ingeleefd geschut, en een voor de kleine zaal veel te galmende stem, dendert Crets' stem voort en doodt daarmee de sublieme lichtheid van de komedie. De andere spelers moeten wijken voor zijn geweld; Els Dottermans als de fee Stella komt nauwelijks tot haar recht, zodat dit tweetal, spil van het stuk, de voorstelling in ongenade laat vallen. We moeten geluk putten uit rollen van het tweede plan, zoals die van Katelijne Damen als de min op leeftijd, nog altijd smachtend naar liefde en besproeiing van haar hof, en de geheimzinnige tovenaarachtige verschijning Estrugo die op onzichtbare wijze de hoorndragende echtgenoot in zijn macht heeft.

Naar de vorm is de voorstelling een huwelijksdrama, gespeeld op trappen in oranje-blanje-bleu, maar naar de inhoud een sotternie: geestig, speels, cabaretesk. Het is virtuoos geschreven en moet evenzo gespeeld worden, licht en gewichtloos, naar de stijl een dansend scheermes dat opeens, tsjak, toeslaat. Nu was het scherpsnijdende mes van de jaloezie ongeslepen, vol bramen, bot.