Margaretha Ferguson over Indonesie; Het Maleis van de meesters

Margaretha Ferguson: Angst op Java. Uitg. Nijgh & Van Ditmar. 240 blz. Prijs (f) 34,90.

Een vrouw, Anna, is teruggekeerd naar haar geboorteland Indonsie, het voormalig Nederlands-Indie. Zojuist gearriveerd leunt ze in een rotanstoel achterover. Haar entree in 'mijn eeuwige Indie' was niet gelukkig; militaire tanks in de straten van het hedendaagse Indonesie brachten onverhoeds een reeks herinneringen te weeg aan het Japanse Cideng (Tjideng)-kamp, aan de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, aan de dood van haar man waaraan ze zich medeplichtig voelt, nog voor de oorlog.

Net zoals in ander werk van Margaretha Ferguson (Arnhem, 1920) spelen zintuiglijke indrukken een wezenlijke rol. Ondanks de pijn van de herinnering schrijft ze over Anna: “Aan mijn tafeltje voel ik mij niet alleen zoals ik mij in een nederlands restaurant alleen voel, uitgestoten, buitengehouden door onbarmhartig gladgeschuurd en van ondoordringbare lagen voorzien hout, of plastic, of formica. Hier is alles toegankelijk, het laat zich strelen, dat rotan, af en toe kronkelt een losgeraakt krulletje tegen je huid op. - In Indonesie raakt alles je aan. Geuren, geluiden, smaken - het komt op je af, soms ondraaglijk.”

Dat bezielde aanraken van Indonesie, het tentatieve van de tropen, is de leidraad waarlangs de hele roman is gesponnen. Anna komt in aanraking met een universum aan sensuele indrukken en politieke ervaringen, met de mystieke, verholen krachten van de tropen en haar verleden als jonge vrouw in Bandung, met het toeristische Indonesie en het Indie uit de beruchte bersiap-periode, waarin nationalistische vrijheidsstrijders na de Japanse bezetting de Europeanen koudweg om het leven brachten. Elk oudere man kan een kampcommandant geweest zijn, evenals de vader van elke jonge vrouw of man (dat betekent: geboren na de oorlog) die Anna ontmoet. Achter de zichtbare werkelijkheid schuilt een onzichtbare, dreigende, nimmer aflatende werkelijkheid van angst en herinnering. Het 'aanraken' waarover Margaretha Ferguson schrijft, klinkt als een echo van de passage waarmee Jeroen Brouwers zijn roman Bezonken rood begint: “Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.” Er zijn meer overeenkomsten tussen de beide betekenisvolle boeken, elk geschreven met intense toewijding en innerlijke noodzaak. De compositie ervan is als een muziekstuk, ogenschijnlijk los en associatief, maar bij herlezing zeer hecht en geconstrueerd. Telkens is er het spel met heden en verleden, met een gebeurtenis van nu die in een gebeurtenis uit het verleden haar contrapunt krijgt. Margaretha Ferguson schrijft feitelijk, evenals Brouwers, telkens hetzelfde verhaal, en telkens in andere toonzetting. Van mineur tot majeur, van een schitterend beschreven alcoholische roes tot uiterst analytische passages over de beklemde situatie van Java's ex-politieke gevangenen, de voormalige communisten die sinds Suharto en het bloedbad van 1965 in de ban zijn gedaan. Het hachelijke, door de rechtse politiek verziekte bestaan van Indonesische vrienden die Anna op haar rondreis ontmoet, vormt een schril contrast met wat het toeristische oog het liefst in Indonesie wil zien: de gelukzalige armoede van de bevolking, de dienstbare glimlach rond hun lippen, de 'waaiende bladerschilderingen' van het landschap van Java.

Anna trekt ten strijde tegen alles wat zweemt naar onwaarachtigheid en onwaarschijnlijkheid, en niet in de laatste plaats voert ze een verbeten strijd tegen de angst en herinnering in haar leven. Als een Cassandra ziet ze dwars door lieflijke schermen van groen de zwarte, van haat brandende ogen der Javanen, die zich na de oorlog wilden bevrijden van de blanken.

Het boek is doortrokken van schuldgevoel, zonder dat dit woord zo nadrukkelijk aanwezig is als het woord angst. Anna, blank meisje in een inlandse omgeving, is sinds haar kindertijd een buitenstaander; ze trouwt met een donkere man, later staat ze aan de kant van de inlandse vrijheidsstrijders en pleegt met een van hen overspel. Er staat: “Gevoelens die ik niet wil hebben: na de japanse tijd heb ik, ondanks al het bloed, al het moorden, nadrukkelijk sympathie betuigd met de indonesische revolutie, tegen mijn nederlandse landgenoten in.”

Angst op Java is een labyrintisch boek, indrukwekkend omdat het op claustrofobische wijze beschrijft hoe alles op bijna ondraaglijke wijze met elkaar verweven is. Anna heeft een onmiskenbare hang naar Indische mystiek; ze treft tot tweemaal toe, eerst in Den Haag, later ginds, een symbolische handspiegel waarvan het weerkaatsende vlak dofzwart is zodat zij, wil ze zichzelf aanschouwen, niets dan een zwarte ovaal waarneemt. Grote woorden als 'bewustzijn', 'eeuwigheid', 'dood' en 'leven' zijn rijkelijk over de hoofdstukken verdeeld, woorden die voor Margaretha Ferguson niet verboden zijn, maar van node om het onbenoembare, door schuld en angst beheerste leven van Anna te beschrijven. Ook zijn er lichtvoetige observaties, zoals die over de gebiedende wijs in de oude leerboekjes maleis: de Nederlandse koloniaal sprak in de imperatieve zinnetjes tot taxichauffeurs, bedienden, groentenverkopers.

Naar het eind toe culmineert de wanhoop van Anna. Een bedelaar zonder benen doet haar terugdeinzen en haar afvragen wie zijzelf is, welgesteld, een retourticket op zak naar het veilige Nederland. Steeds meer blijkt dat zij medeplichtig is aan de dood van haar man. Ze liet hem liggen, bloedend op de tegels, de huisjongen rende weg. Er is de onontkombare suggestie: zij heeft hem laten doden. Aan het slot blijkt opeens hoe veelzeggend de passage over de inwijding in Indische geheimen is aan het begin: “In de indische middag, vroeger, sliepen de hollandse ouders. De blanke kinderen slopen de slaapkamers uit, naar het verbodene van de donkere onderlaag, de inlandse, waarvan het lichaam ging huiveren; gefluisterde woorden die je niet mocht kennen, half onthulde mysterien.”

Politieke en persoonlijke lotgevallen vormen de polen waartussen dit openhartige boek is geschreven; het is een niets verbloemende zelfgetuigenis van wanhoop en innerlijke verwarring, waar de lyriek van het oude-Indie heerlijk doorheen flitst: “Even later loop ik - over de alweer glanzende tegelvloer - o mijn eeuwige, eeuwige Indie - naar het platje.”