Loep

Een bladluis met kaakpijn belde zijn huisarts voor een afspraak. “Ik maak geen afspraken voor kaakklachten”, zei de dokter, “komt u morgenochtend vroeg maar langs op mijn spreekuur. Ik zie een beetje slecht en bekijk u het liefst door een flinke dauwdruppel.”

Vandaag gaan we een handloep maken van water. We hebben nodig: een stukje ijzerdraad van ongeveer 20 centimeter, een spijker en wat water.

Buig het stukje ijzerdraad in tweeen, houd de spijker in de haarspeldbocht en draai hem een paar keer om zodat je een oogje van ongeveer drie a vier millimeter in doorsnede krijgt. Zorg dat het oogje zo mooi mogelijk rond is. Breng met een limonaderietje een druppel water op het oogje en de handloep is klaar.

Test het vergrootglas door het boven de letters van een krant te houden. Bepaal op welke afstand van het papier je de loep moet houden om een scherpe vergroting te krijgen.

Omdat je hand altijd een beetje trilt, vervormt de waterdruppel een beetje, en en daarmee het beeld. Je kunt dat verhelpen door de loep te bevestigen aan een spijker op een plankje. Dan heb je een kleine microscoop.

Een waterdruppel werkt als een bolle lens. Bolle lenzen vergroten, omdat ze het licht dat van een voorwerp komt op een regelmatige manier uitspreiden. Hoe boller de lens, hoe sterker de vergroting.

Drie eeuwen geleden maakte de Delftenaar Antoni van Leeuwenhoek ook druppelvormige lenzen om door te kijken, maar dan van glas. Hij wist die lenzen zo te slijpen, dat ze sterker vergrootten en een scherper beeld te zien gaven dan ooit te voren mensen was gelukt. Zo kon hij kleine beestjes uit de gracht 200 keer groter zien dan ze in het echt waren.

Tegenwoordige microscopen vergroten tot wel 1000 keer, maar die bestaan uit meer dan een lens. De enkele bolle lens leeft voort in het vergrootglas, dat doorgaans zo'n drie tot acht keer vergroot.