Leerlingstelsel zet videofilm in voor allochtone leerlingen; Stageplaats vinden blijkt voor allochtone leerlingen moeilijker

ROTTERDAM, 26 APRIL. Van de Nederlandse jongeren in het leerlingstelsel voor economische en administratieve beroepsopleidingen (ECABO) vindt 70 procent een stageplaats. Maar van de allochtone leerlingen slaagt slechts 44 procent daarin.

De allochtone leerlingen doen bovendien de examens Nederlands, bedrijfsadministratie en bedrijfseconomie en statistiek veel slechter dan de Nederlandse leerlingen. Als de examenteksten in gemakkelijker Nederlands werden gesteld, zou het aantal geslaagde allochtone leerlingen met bijna eenderde stijgen, zo blijkt uit onderzoek.

Het leerlingstelsel trekt verhoudingsgewijs veel allochtone leerlingen, van wie al jaren bekend is dat ze het slechter doen dan de Nederlandse leerlingen. Toch vond ECABO-directeur F. Werkhoven de resultaten van het in 1989 gedane onderzoek waaruit bovenstaande feiten naar voren kwamen “behoorlijk schokkend”. Het ECABO heeft daarom de videofilm 'Een kans van slagen' uitgebracht, bedoeld voor stagebegeleiders, mentoren (de begeleiders van stagiaires op de werkplek) en leraren. Het ECABO is daarmee het eerste leerlingstelsel dat de problemen van allochtonen, die ook elders voorkomen, aanpakt.

Uit de videofilm wordt duidelijk dat de hoge uitval en het geringe aantal stageplaatsen het vaakst worden veroorzaakt door moeilijk grijpbare zaken als vooroordelen, onkunde en onbegrip. Zo wordt de mentor van de hoofdrolspeelster, de Surinaamse Louise Meinals, furieus als hij ziet dat Louise een shagje rookt. Als hij had gevraagd waarom ze niet zit te typen, had hij geweten dat ze haar werk voor die ochtend al af heeft. Maar hij belt meteen Louises stagebegeleidster, om te zeggen dat “die Louise niet in ons bedrijf past”, dat ze passief is en dat je aan haar kunt zien dat ze zich op kantoor doodongelukkig voelt. “Volgens mij is ze beter op haar plaats bij zo'n buitenlandse instelling.” En ook de stagebegeleidster doet niet moeilijk. Ze regelt een gesprek met Louise en stelt een stage in een opvangcentrum voor Surinamers voor. “Je voelt je zeker alleen tussen al die Nederlandse vrouwen?”

Bij de videofilm horen een mentorentraining, een weerbaarheidstraining (voor op kantoor) en een sollicitatietraining (om een stageplaats te bemachtigen). Maar Werkhoven zegt er meteen bij dat de leraren en de stagebegeleiders van het ECABO “natuurlijk een doorsnee van de Nederlandse bevolking vormen” en dat de ideale situatie wel nooit zal worden bereikt. Op mentoren heeft hij nog minder invloed dan op leraren en stagebegeleiders. “Wij denken niet dat allochtone leerlingen slechter werken dan Nederlandse leerlingen. Maar veel bedrijven beweren het tegendeel.”

Dat de verhoudingen tussen allochtonen en Nederlanders inderdaad moeizaam kunnen zijn, blijkt ook uit een ruzie tussen het ECABO en de zes allochtone medewerkers die in 1989 het onderzoek deden. Van de zes zijn er vier opgestapt. Zij zijn het oneens met het besluit om de trainingen niet door hen te laten evalueren. Volgens hen zal daardoor de controle op het project verdwijnen. Ze menen dat het ECABO “bang is voor nieuwe harde gegevens”. Mochten de trainingen onverhoopt geen effect hebben, dan zal het leerlingstelsel bij gebrek aan cijfers “de handen in onschuld kunnen wassen”.

Werkhoven houdt het erop dat de ex-medewerkers meer van het project verwachtten dan het ECABO zelf. “Ik denk dat wij voor hen een soort laboratorium waren, waaruit het ene na het andere onderzoek naar buiten zou moeten komen. Maar wij vinden een onderzoeksfase genoeg. We willen nu aan de slag.” Volgens de opgestapte onderzoekers “is het cynisch dat een leerlingstelsel dat weigert te praten over de evaluatie van een allochtonenproject, nu met een film over communicatieproblemen komt”.