Kwestie van vertrouwen

In mei 1971 is in Nederland de Structuurwet ingevoerd. De wet is bedoeld om de werknemers enige invloed te geven op de leiding van de grote onderneming. 'Medezeggenschap aan de top' heet dat. Daarnaast heb je de 'medezeggenschap aan de voet' op basis van de Wet op de ondernemingsraden.

Over de manier waarop de medezeggenschap aan de top gestalte moest krijgen, was jarenlang in dozijnen commissies en raden gedebatteerd.

Het probleem was dat men aan de werknemers niets kon geven zonder het van de aandeelhouders af te pakken.

Partijen werden het eens dat de raad van commissarissen de centrale beleidsinstantie moest zijn die de bestuurders zou benoemen. Maar hoe nu verder? Wie zou de commissarissen benoemen? Op dit punt leken de tegenstellingen onoverbrugbaar. De SER is tenslotte gekomen met de trouvaille die het uiteindelijk heeft gehaald. Is er een vacature in de raad van commissarissen dan wordt daarin niet voorzien door de algemene vergadering van aandeelhouders, ook niet door de werknemers, maar door de raad van commissarissen zelf! Zo op het eerste gezicht niet het summum van democratie.

Maar er komt iets bij. De ondernemingsraad mag een aanbeveling doen en - belangrijker - heeft het recht om bezwaar te maken tegen een voorgenomen benoeming op bepaalde, in de wet aangegeven gronden. De kandidaat kan dan niet worden benoemd, tenzij de raad van commissarissen de zaak aanhangig maakt bij de ondernemingskamer en deze het bezwaar ongegrond verklaart. Overeenkomstige bevoegdheden komen toe aan de algemene vergadering van aandeelhouders.

De ondernemingsraad en de algemene vergadering hebben geen vertegenwoordigers in de raad van commissarissen. Maar door hun aanbevelingsrecht en hun recht van bezwaar kunnen zij de samenstelling van de raad wel beinvloeden. Volgens de ontwerpers van het systeem krijgt men zo het beste van twee werelden. Enerzijds een homogeen samengestelde raad van commissarissen, waaraan geen personen kunnen worden opgedrongen. Anderzijds een college dat geacht mag worden het vertrouwen te genieten van zowel de algemene vergadering als de ondernemingsraad.

In deze hoopvolle analyse is het veronderstelde vertrouwen de zwakke schakel. Het enkele feit dat de ondernemingsraad geen bezwaar maakt, wil nog niet zeggen dat hij overvloeit van vertrouwen. Anderzijds is het enkele feit dat de ondernemingsraad geen vertrouwen heeft onvoldoende om met kans op succes bezwaar te maken. Dit om de eenvoudige reden dat de wet die bezwaargrond niet noemt.

Bezwaar kan wel worden gemaakt op grond van de verwachting dat de voorgedragen persoon ongeschikt zal zijn voor de vervulling van de taak van commissaris. Is verdedigbaar dat iemand ongeschikt is juist omdat hij niet het vertrouwen heeft van de ondernemingsraad?

Verschillende malen is deze stelling verdedigd. Voor het eerst in 1978 in de eerste zaak waarin een beslissing viel. Het ging toen om de benoeming van J. Lanser, oud-voorzitter van het CNV, tot commissaris van Smit Internationale. Volgens de protesterende ondernemingsraden was Lanser verantwoordelijk voor de 'historische breuk in de vakbeweging' (hij had het CNV buiten de FNV gehouden) en dat maakte hem ongeschikt om als commissaris te functioneren.

De SER - die toen nog over dit soort zaken moest beslissen - zag er niks in. Gebrek aan vertrouwen maakt een persoon alleen dan ongeschikt, zo zei de SER, indien daarbij gronden worden aangevoerd van zulk een ernst dat de kandidaat in redelijkheid niet in aanmerking behoort te komen voor de benoeming tot commissaris. De uitspraak kwam er op neer dat gebrek aan vertrouwen als bezwaargrond van tafel werd geveegd. Want als iemand zulke ernstige dingen gedaan heeft dat hij in redelijkheid niet benoemd kan worden is hij sowieso ongeschikt.

In 1984 vond de SER een formule die iets meer ruimte laat: op het ontbreken van vertrouwen kan een beroep worden gedaan indien daarvoor objectieve gronden worden aangevoerd. Waar dit op neerkomt is dat het gebrek aan vertrouwen 'hard' moet worden gemaakt door te wijzen op bepaalde misslagen, gebreken of onbekwaamheden. Het debat over de vertrouwenskwestie laaide weer op toen de SER een paar maanden later advies over de materie moest uitbrengen aan de regering. Het kroonlid Slagter had bedacht dat 'geobjectiveerd gebrek aan vertrouwen' met zoveel woorden als bezwaargrond in de wet moest worden opgenomen. Dat is echter niet gebeurd. Geoordeeld werd dat de bezwaargrond 'ongeschikt' voldoende ruimte bood om met geobjectiveerd gebrek aan vertrouwen rekening te houden.

In de praktijk blijken de ondernemingsraden erg aan de vertrouwensrelatie te hechten. In verband daarmee worden soms afspraken gemaakt met de ondernemingsleiding, waarbij de ondernemingsraad het recht krijgt een door hem uitverkoren commissaris tot 'vertrouwenscommissaris' te bestempelen. Mits de betrokkene onafhankelijk blijft, bestaat tegen een dergelijke manoeuvre uit juridisch oogpunt geen bezwaar.

In 1987 is de bevoegdheid om over dit soort zaken te beslissen overgeheveld van de SER naar de ondernemingskamer in Amsterdam.

Daarmee rees de vraag wat de ondernemingskamer op het heikele punt van het vertrouwen zou doen? Zou de ondernemingskamer, meer dan de SER, gevoelig zijn voor het argument dat vertrouwen van de ondernemingsraad een noodzakelijke voorwaarde is voor geschiktheid? Kan men gebrek aan vertrouwen objectiveren? Is vertrouwen en gebrek aan vertrouwen niet altijd een subjectieve zaak?

In een uitspraak van 11 april 1991 - twee weken geleden dus - heeft de ondernemingskamer laten blijken dat zij niet wil afwijken van de door de SER aangegeven koers. Ditmaal was het de gemeente Hilversum die op grond van een bijzondere, voor de overheid geldende regeling een commissaris mocht aanwijzen voor de N.V. Regionaal Energiebedrijf Gooi en Vechtstreek, een zojuist geprivatiseerde overheidsdienst. Zij wees wethouder Meulman van financien aan maar de ondernemingsraad maakte bezwaar. De ondernemingsraad had geen vertrouwen in Meulman. De raad voerde als voornaamste grond aan dat betokkene een verklaard tegenstander van privatisering was.

Het bezwaar werd echter ongegrond verklaard. Niet geaccepteerd werd de stelling dat het bij de ondernemingsraad bestaande gebrek aan vertrouwen de kandidaat zozeer in zijn functioneren als commissaris zou belemmeren dat hij daarom ongeschikt zou kunnen blijken. Voor het ontbreken van vertrouwen moeten voldoende objectieve gronden worden aangetoond. Dat de wethouder zich ooit als raadslid tegen de privatisering had uitgesproken was wel een objectieve grond, maar voldoende was het niet.

    • P. van Schilfgaarde