Kosto's asielbeleid loopt grote kans te sneuvelen

Staatssecretaris Kosto van justitie plaatst zijn aanpak van de voortdurende stromen asielzoekers in het kader van “het geintegreerde preventieve vreemdelingenbeleid dat dit kabinet voert”. Dit behelst “een restrictief toelatingsbeleid, naast een ruimhartig vluchtelingen- en gezinsherenigingsbeleid, gekoppeld aan een consistent overheidsbeleid en een adequaat verwijderingsbeleid”.

Wie zou bij zoveel voortreffelijkheid nog wagen te twijfelen aan de aanscherping van asielprocedures die de bewindslieden van Justitie en WVC vorige week aankondigden, vooruitlopend op een algemene herziening van de Vreemdelingenwet? Het is de bedoeling in een vroeg stadium - uiterlijk binnen vier weken - het kaf van het koren te scheiden, zoals premier Lubbers eerder bepleitte. De kansrijke asielzoekers krijgen opvang en begeleiding, de “waarschijnlijk kanslozen” belanden in centra waar de nadruk ligt op detentie.

Een door het kabinet ingestelde commissie onder voorzitterschap van de voormalige secretaris-generaal van het departement van justitie mr. A.

Mulder heeft zich toch verstout dwars te gaan liggen. Daar zijn goede redenen voor. De commissie vond ernstige discrepanties tussen wet en werkelijkheid in het vluchtelingenbeleid. De belangrijkste is de aanwezigheid van een naar het zich laat aanzien aanzienlijk contingent afgewezen asielzoekers wier aanwezizgheid hier toch om diverse redenen wordt gedoogd. Het is niet erg duidelijk hoe die in de plannen van het kabinet passen.

De werkelijkheid ligt ook in een ander opzicht minder zwart-wit dan de aanpak van het kabinet doet vermoeden. Er is een categorie asielzoekers tussen 'kennelijk ongegrond' en 'kennelijk gegrond', die afzonderlijke aandacht verdient. Daar komt men niet binnen dertig dagen uit. De commissie zet deze conclusie kracht bij door een procedure voor te stellen die het departement van justitie honderd van de huidige vijfhonderd behandelende ambtenaren kan besparen. Fijntjes wijst zij op het verschil tussen het aantal asielzoekers en het aantal asielverzoeken. Het verschil zit hem met name in gezinnen, die veelal gezamelijk kunnen worden behandeld.

Hier bewijst zich het belang van een voormalig topambtenaar als voorzitter. Zijn aanbod valt moeilijk af te slaan, zou men zeggen.

Toch lijkt het departement van justitie zich daartoe op te maken, afgaande op de uitgesproken zuinige eerste reactie van Kosto.

De discussie spitst zich toe op het vastzetten van kennelijk kansloze asielzoekers, zoals nu reeds gebeurt op Schiphol-Oost. Dat is volgens de commissie een slecht voorbeeld. Het viel van oudsher ook alleen te verdedigen met argumenten van twijfelachtig allooi. De gesloten opvangruimte zou geen detentie zijn omdat de asielzoekers zich vrijwillig in deze positie zouden hebben begeven en zij altijd vrij zijn direct weer terug te reizen. Twintig jaar geleden heeft het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg (in een zaak over het oppakken van landlopers) reeds afgerekend met dergelijke drogredeneringen.

Toch houdt Kosto vast aan Schiphol-Oost en wil hij de formule zelfs uitbreiden. De Nederlandse wetgeving loopt echter grote kans op dit punt in Straatsburg (zo niet bij onze eigen Hoge Raad) te sneuvelen wegens strijdigheid met de mensenrechten. Ten minste zo belangrijk is het praktische bezwaar van de commissie dat beheersing van de toestroom van asielzoekers beter valt te realiseren door snellere procedures en niet door ze vast te zetten. Hoe wil men zoveel mensen trouwens afdoende bewaken?

Dit is niet de enige correctie van de ronduit rommelige Nederlandse asielpraktijk die de Commissie-Mulder voorstelt. Er moet een onafhankelijk documentatiecentrum komen als alternatief voor de inderdaad niet onomstreden 'ambtsberichten' van het ministerie van Buitelandse Zaken over de brandhaarden in de wereld, die een belangrijke rol spelen bij de beslissing over asielaanvragen. In het licht van de recente pogingen de Nederlandse vertegenwoordiging van de Hoge commissaris voor vluchtelingen van de VN uit te kleden is ook opmerkelijk dat de commissie juist pleit voor een drastische uitbreiding van deze staf. Dit vormt onderdeel van het verstandige advies te investeren in de kwaliteit van de eerste schifting - ook in termen van rechtshulp aan asielzoekers - om vertraging en rechtszaken in een later stadium te voorkomen.

De commissie verdoezelt niet dat er een diepe kloof gaapt tussen de nood in de wereld en de beperkte opvangcapaciteit van een land als het onze. Het belang van het advies is dat het een snelle afhandeling voorziet van kwaliteitsnormen in plaats van de gebruikelijke afschrikkingstactiek waarvan het noodwetje van vorige week een verlengstuk vormt.

Er dient rekening mee te worden gehouden dat een dergelijk advies op weerstanden zal stuiten; het vreemdelingenbeleid (inclusief het vluchtelingenvraagstuk) vormt van oudsher een gekoesterd ambtelijk reservaat. Een tekenend detail: een aantal brandhaarden waarheen men geen mensen mag terugsturen staat bekend als de 'Nawijn-landen'. Dat lijstje heet niet naar de minister die het vaststelde, of desnoods een rechter, maar naar een hoge ambtenaar op Justitie. Nu is het zo dat zeker op dit gebied de ambtenaren midden in de branding staan. De commissie herinnert er aan dat het aanbod vaak “onvoorspelbaar verloopt” met uitschieters uit telkens andere landen. Naast versterking van de eerstelijnsopvang zoals de commissie aanbeveelt, verdient dan ook de signalering van zich aandienende trends naar het niveau van politieke en rechterlijke besluitvorming afzonderlijk aandacht. Nu is de opwinding vaak wel erg ad hoc.

Intussen zou het maar al te zeer passen in een bureaupolitieke afweertactiek om het noodwetje bovenaan de politieke agenda te manoeuvreren en het rapport van de Commissie-Mulder op te zouten tot de algehele - en omstreden - herziening van de Vreemdelingenwet waar het niet in past. Dat moet dan ook niet gebeuren. Het minste is dat de Tweede Kamer een directe keuze krijgt en dat de beste aanpak kan winnen.