Japan niet benauwd voor Fort Europa

TOKIO, 26 APRIL. De Japanse elektronica-industrie maakt zich geen zorgen over de gesprekken die de presidenten van de Europese elektroncia-industrie voeren met de Europese Commissie over bescherming van hun industrietak.

Zo constateert een woordvoerder van NEC dat Europa niet consistent is in de kritiek op Japan. “Ze maken zich even kwaad, maar dan drijft de bui over, omdat ze, anders dan de Japanners, in feite elkaars concurrenten blijven. De eenheid is dan ook steeds ver te zoeken, terwijl de Japanners door dik en dun aan elkaar blijven klitten”.

Woordvoerster Momomoto van Fujitsu: “Protectionistische geluiden, zoals die van de vijf Europese presidenten, zijn schadelijk voor de concurrentie en belemmeren de industriele ontwikkeling van de wereld. Maar zo'n vaart zal het niet lopen, Fujitsu heeft allang voet aan de grond in Europa en is al stevig geworteld”. Een woordvoerder van Matsushita zegt: “Ik zie de EG geen fort worden op het gebied van elektronica.

Het kan me met dat 1992 niet snel genoeg gaan''. Westerse analisten in Tokio kunnen zich goed voorstellen dat Japanse bedrijven niet onder de indruk zijn van de actie van Europese president-directeuren. Europa praat met twee monden.

Terwijl de concerns in Brussel pleiten voor steun tegen de Japanners halen ze door de achterdeur diezelfde Japanners binnen. NEC spreekt met Bull over deelneming in het Franse bedrijf en het Britse ICL is overgenomen door Fujitsu.

Toch moet Europa zo snel mogelijk enkele Japanse tactieken ter ondersteuning van de industrie overnemen. De Europese elektronicaconcerns zijn overgeleverd aan Japanse genade, tenzij ze grootscheeps hun onderzoek bundelen en onderling de markt in Europa verdelen, zeggen de analisten. Zolang Philips, Siemens, Thomson, Olivetti en Bull - de vijf die zich nu voor steun hebben gewend tot de Europese Commissie - ieder voor zich doorgaan dezelfde produkten te maken, bewerkstelligen ze nooit de omvangrijke thuismarkt waarmee de Japanse industrie groot is geworden, 1992 of niet.

Kartels toestaan, onderling de markt verdelen en de vrije concurrentie op het altaar leggen, is dat geen vloeken in de kerk? Welnee, zeggen hier de analisten. Wie zich daarom bekommert, wie zich in Europa zorgen maakt om de ideologie van de vrije markt, begrijpt niets van Japans strategie.

Pag. 14:

'Europa moet krachten bundelen'

Voor Westerse bankiers en industrielen in Tokio zijn Japanse bedoelingen geen geheim. Kenneth S. Courtis, eerste vice-president van de Deutsche Bank in Tokio, Duitslands grootste bank, is het meest expliciet. Japan is volgens hem bezig Zuidoost-Azie onder controle te krijgen, het investeert er bijna tweemaal zoveel als in Europa, dus dat laat wel zien waar hun strategische prioriteiten liggen.

Ogenschijnlijk mag de wereld zijn verdeeld in drie blokken - de Verenigde Staten die zich ontfermen over Latijns Amerika, Duitsland over Oost-Europa en Japan over Zuidoost-Azie - in werkelijkheid heeft Japan een dubbele strategie. Het probeert in de VS een zo sterk mogelijke positie te behouden en het voert intussen in Europa zijn investeringen flink op.

Bedoeling is om de Europeanen en Amerikanen thuis zoveel mogelijk in het defensief te dringen.

De Europeanen hebben de handen vol aan Oost-Europa (Duitsland aan de ex-DDR) en de VS zijn economisch niet meer in de positie om de leiding te nemen in Zuidoost-Azie. Japan kan zijn gang gaan op een markt die reikt van Tokio tot Jakarta en die 600 miljoen zielen beslaat. Vergeet niet, zegt Courtis, in totaal investeert Japan een kwart van zijn BNP (1,1 biljoen gulden) bijna twee keer zoveel als de VS en ruim twee keer zoveel als West-Duitsland, zodat het sneller dan wie ook zijn kosten kan drukken. Courtis: “Gaat u maar na, Japan krijgt straks deze hele mega-markt in handen, het is hun troefkaart, hun joker in het pokerspel, de kaart die ze nog in de jaren '90 op tafel zullen leggen”. Ondertussen nestelen ze zich stevig op de Westerse markt, Europa voorop.

Als Europese ondernemingen niet voldoende in Zuidoost-Azie penetreren, zal het heel moeilijk voor ze worden om straks op wereldschaal het spel mee te spelen. In de jaren '60 en '70 wisten ze dat ze om die reden posities moesten innemen op de Amerikaanse markt. De Zuidoostaziatische uitdaging is eigenlijk precies dezelfde.

Daarom moet de Europese industrie haar krachten bundelen. Dat geldt zeker voor de Europese elektronica-concerns. Europa moet zich zelf sterk maken. Anders redden ze het niet en verliezen ze het spel van de Japnners. Ten slotte is Japan niet voor niets zo bevreesd voor een Fort Europa, het heeft het zelf uitgevonden: Japan is structureel protectionistisch. En dat verandert niet zo maar. Wie zijn hoop vestigt op een vrije markt in Japan, gelooft dat nog eerder een kameel kruipt door het oog van een naald of een vrije markteconomie wordt gevestigd in de Sovjet-Unie, zegt een waarnemer in Japan.

Het grootste deel van de economie staat onder strakke regie van de bureaucratie en ondernemingen hebben zich verenigd in groepen (keiretsu) die door wederzijds aandelenbezit van de groepsleden afgeschermd zijn van sterke concurrentie.

Dat is de wijze van zaken doen in Japan, waarmee ze schaalvoordelen behalen op de eigenmarkt (plus tot voor kort een vrijwel gratis financiering van hun investeringen door een kunstmatig lage rente). Vervolgens gaan ze de wereldmarkt op om hun kostenvoordeel uit te buiten, terwijl ze hun eigen markt zoveel mogelijk gesloten houden voor buitenlandse concurrenten. De expres geregisseerde uitzonderingen (Nescafe, Coca-Cola etc.) geven dat natuurlijk niet graag toe.

Wie de Europese elektronica-industrie mismanagement aanwrijft, te lage investeringen en een te geringe winstgevendheid, licht deze industrie uit de context van de Japans concurrentie en bewijst in feite de Japanners een dienst. Mismanagement in Japanse ondernemingen blijft onzichtbaar achter de veilige muren van de keiretsu. Dank zij de achterliggende jaren van goedkoop geld hebben Japanse ondernemingen zulke fenomenale fondsen kunnen vormen, dat kapitaalschaarste in hun economische vocabulaire niet voorkomt (alleen de kleine en middelgrote bedrijven zullen door de hoge rente een stap terug moeten doen, waardoor de economische groei afvlakt - zij het dat Japan risico's loopt als het zijn rente te lang hoog houdt). Komt een bedrijf in problemen, dan schieten de andere onmiddellijk te hulp. Lastige aandeelhouders bestaan niet, de bedrijven zijn elkaars aandeelhouders. Als bij voorbeeld de grote banken in Japan (tevens de grootste in de wereld) volgens de Westerse maatstaven van de vrije markt hadden geopereerd, waren ze volgens Westerse analisten allang failliet geweest. De produktiviteit van Westerse bedrijven , zeker de Amerikaanse, is doorgaans hoger dan in Japan. Hun flexibiliteit is enorm. De weg op van een industriebeleid waarvoor Japan heeft gekozen is contraproduktie. Van Westerse, met name Europese bedrijven, kun je zeggen dat ze van overheidsbescherming lui worden. De Westerse bureaucratie heeft niet de expertise, mist het vertrouwen van bedrijven en vice-versa. Steun vragen aan de overheid of aan de Europese Commissie is een doodlopende weg, zeggen Westerse analisten in Japan. De industrie zal de bundeling op eigen kracht tot stand moeten brengen. De commissie zal daarbij hooguit zijn kartelbezwaren moeten laten varen.

Een ander probleem is dat Europa Japan een grote rol geeft op de eigen markt. Hoe wil je ze dan nog buiten de deur houden?

In 1985 had Sony vier fabrieken in Europa, nu veertien. Kun je tegen Japan zeggen: je investeert hier wel, je betaalt wel belasting, maar je mag niet meedoen met onze Europese research-programma's? “Dat is de kwadratuur van de cirkel”, constasteert Courtis.

Omgekeerd houdt Japan Europa wel buiten de deur. Courtis: “Europa zal nu dan ook zijn deuren moeten dichtsmijten”.