Honderden leesclubs in Nederland; Hobbits zijn gek op feesten

Overal in Nederland komen mensen bij elkaar om te praten over een boek dat ze gelezen hebben. Sommige leesclubs lezen uitsluitend Tolkien of Achterberg, ander lezen alles van Stendhal tot Noordervliet. De groepen komen thuis bij elkaar of in buurthuizen, onder leiding of in vriendschappelijke gelijkheid. Soms komt een auteur zelf op bezoek om uitleg te geven. “Dat vind ik nou zo jammer he, dat je niet te weten komt waarom die man zelfmoord heeft gepleegd. Dat zou ik Margriet de Moor wel eens willen vragen.”

Boeken zijn in de mode. Elke krant en elk weekblad met zelfrespect brengt nu een boekenbijvoegsel. Literaire prijzen zorgen voor opwinding, er zijn talkshows met louter schrijvers. Allemaal fenomenen die vroeger alleen in het buitenland bestonden maar die plotseling oer-Nederlands zijn. Het is komisch te zien hoeveel verwarring, hoeveel ergernis die mode wekt. Vooral bij mensen die klaagden dat Nederland een literair maanlandschap was: nee, dan Engeland met zijn Booker-prijs en hoogstaande literaire discussies op de BBC, en Frankrijk met zijn intellectuele programma's. “Typisch voor landen met een literaire traditie” zeiden ze vroeger, “zoiets kan hier niet.” Nu zeggen ze: “Boeken worden statussymbolen, vlotte onderwerpen voor de popcultuur op televisie. Mensen zien bekende schrijvers op het scherm, ze lezen boekenbijvoegsels, maar ze lezen geen boeken.”

Zelfs als de connaisseurs toegeven dat er niet minder, of zelfs meer gelezen wordt dan vroeger, roepen ze ach en wee over het verdwijnen van de ouderwetse criticus. Hele columns worden gewijd aan het schandelijke verschijnsel dat zelfs journalisten over literatuur durven te schrijven. Uiteraard gaan zij al jaren lang niet meer naar het Boekenbal omdat het daar barst van de provincialen.

De wrokkigheid doet denken aan de ontzetting van reizigers die hun eenzame vakantiestreek ophemelen en daar vervolgens het massatoerisme zien binnenstromen. Literatuur was toch iets voor de intellectuele upper ten. Als het volk dan ook boeken koopt - of leent bij de bibliotheek - is er iets van het plezier bedorven.

Hoe anders was de toon die Virginia Woolf in 1925 aansloeg toen ze een verzameling literaire essays bundelde onder de titel The common reader. Die term nam ze over van dr Johnson, die schreef “ik ben het graag eens met de gewone lezer”. De 18de-eeuwse heer en de 19de-eeuwse dame meenden beiden dat de gewone lezers, ongehinderd door literaire vooroordelen of dogma's, uiteindelijk de dienst uitmaken.

Woolf: “De gewone lezer verschilt van de criticus en de geleerde. Hij is minder goed opgeleid, en minder begaafd. Hij leest voor zijn eigen plezier, niet om kennis over te dragen of om de meningen van anderen te veranderen.” En met die genoeglijke, oprechte amateurs - in de Vlaamse betekenis van liefhebbers - wenste zij zich te identificeren.

De gewone lezer bestaat nog. En dan bedoel ik niet de kopers van pocketlectuur uit de supermarkt, hoewel dat ook niet zondig is, en niet de consument die op zijn salontafel laat zien wat Bekende Nederlanders op de televisie hebben aangeprezen. Het gaat nu om de lezers van Woolf die gewoon voor hun eigen plezier een boek op schoot nemen, hoewel dat misschien wat simpel is gezegd. Zoals bij de meeste ware genoegens moet er ook een prestatie geleverd worden - niets komt voor niets. Misschien is dat de reden waarom een bij uitstek individualistische activiteit als lezen zo vaak in groepsverband wordt beoefend. Er bestaan in ons land honderden leesclubs, boekenclubs en literatuurkringen, of hoe zij ook heten. De meeste zijn georganiseerd, doorgaans als onderdeel van vrouwenorganisaties, maar er bestaan ook veel wilde leesclubs. Dat zijn meestal vriendengroepjes die spontaan onstaan, vaak lang leven maar ook weer verdwijnen als de gang eruit is. Volgens een schatting van de stichting Schrijvers School Samenleving gaat het bij elkaar om 40.000 tot 50.000 mensen. Ook vanavond trekken in Nederland honderden mensen de jassen aan, zij pakken het afgesproken boek en reizen door regen en kou naar de afgesproken plaats. Is het vanavond bij Marjolein en Frank, of bij de Brugmannen thuis? Maar het kan ook in de bibliotheek zijn, of het buurthuis.

ZES VROUWEN

Een zonnige middag in Heerhugowaard. Een betrekkelijk jonge man in een rolstoel probeert in het park een houten bruggetje op te rijden, maar hij stuit op een hobbel en valt om. Ik trek hem overeind en vraag waar het buurthuis De Ezel is. Vlakbij, zegt hij, rij me er maar naar toe want we zijn aan de late kant. Hij blijkt deelnemer te zijn aan een leesclub van Ina Tiemstra (40), een van haar zeven groepen in Noord-Holland. Op papier telt de club tien leden - zeven vrouwen en drie mannen, maar vanmiddag zijn er zes vrouwen en een man.

Het boek van de middag is Dubbelportret van Margriet de Moor. Het zijn drie verhalen en dat maakt een discussie niet gemakkelijker. Eerst moet iedereen vertellen wat zij er van vond en dat gaat in algemene termen: het derde verhaal is het mooist, het tweede is nogal ongeloofwaardig. Men heeft er kennelijk moeite mee gehad, en niet iedereen heeft het boek uitgelezen. Er zijn meer vragen dan meningen: was die schilder ook de vader van dat kind? Hadden ze een verhouding of was het alleen maar vriendschap?

“Dat vind ik nou zo jammer he, dat je niet te weten komt waarom die man zelfmoord heeft gepleegd. Dat zou ik Margriet de Moor wel eens willen vragen.” “Maar daar gaat het juist om, die vrouw van die man weet het ook niet, dat is het verhaal.”

“Toch wil ik het graag weten.”

De lezeressen tonen hevige betrokkenheid.

“Ik heb me toch zo geergerd. Dat mens komt in huis, steekt overal haar neus in en is ontzettend charmant tegen die man. Die vindt dat natuurlijk leuk, maar het is heel gemeen. En waarom zij dat accepteert, dat is toch slap.”

“Zulke mensen bestaan, die komen binnen en lichten de deksels van je pannen om te weten wat je die avond gaat eten.”

“Als je jong bent accepteer je dat misschien, maar nu komen dat soort mensen er niet meer in. Ik zal daar gek zijn.”

De leidster houdt de teugels kort, stelt inhoudelijke vragen ('wat bedoelt ze daar mee') en toont veel begrip voor de moeilijkheidsgraad.

De lezeressen klagen over de gecompliceerde verspringingen in tijd en zeggen dat ze het boek eigenlijk nog eens zouden moeten lezen. Maar ja, ze mochten het boek maar veertien dagen lenen uit de bibliotheek.

Het is een probleem dat overal voorkomt: wanneer te veel clubs hetzelfde boek lezen kunnen de bibliotheken de vraag niet bijbenen.

Maar het helpt als zij tijdig gewaarschuwd worden, en gevraagde titels uit andere filialen bij elkaar kunnen schrapen. Het alternatief is: kopen, en dat gebeurt ook, vooral bij de clubs in het oosten van het land.

Waarom leidt Ina Tiemstra zeven leesgroepen? “Ik heb MO Nederlands en wilde daar wat mee doen. Eigenlijk dacht ik dat het rendabel te maken zou zijn, als beroep, maar dat gaat niet. De mensen betalen (f) 7,50 per keer, dat is dus (f) 75 per middag of avond, gemiddeld acht keer per jaar. Maar er komt heel wat bij kijken. Je moet het organiseren, je moet niet alleen dat ene boek maar ook andere boeken van een schrijver lezen, je moet achtergrondinformatie verzamelen. Ik haal nogal veel uit Surplus, een boekenkrant voor vrouwen, en uit een blad voor scholieren, Diepzee. Interviews en recensies uit kranten of tijdschriften zijn heel nuttig, die fotocopieer ik. En aan het eind van elke bijeenkomst draag ik een gedicht voor, omdat ik het leuk vind.”

Ze kiest voor elk jaar acht boeken, vaak titels op verzoek. Het assortiment is met opzet gevarieerd: De dood in Venetie van Thomas Mann, Een zuil van Zout van Christien Hemmerechts, Bezonken Rood van Jeroen Brouwers, Rook over Rusland van Ethel Portnoy.

De meeste groepen bestaan overwegend uit vrouwen. Ten dele is dat verklaarbaar, omdat het initiatief voor leesclubs vaak is gekomen van de bonden voor plattelandsvrouwen. Maar het blijft wat mysterieus waarom de heren zo afzijdig blijven. Soms slaat die afstandelijkheid om in weerzin. Ina Tiemstra: “Deze groep komt in het buurthuis bij elkaar, de andere zes bij mensen thuis. Meestal gaat dat bij toerbeurt, maar ik weet dat er vrouwen zijn die het niet klaar spelen om hun huiskamer voor een avond te krijgen. De man wil dat gewoon niet, en het komt ook voor dat hij er de hele avond zwijgend mokkend bij blijft zitten. Of de heer des huizes komt af en toe binnen om midden in onze discussie te vragen waar hij de krant kan vinden. Even laten zien wie de baas is in huis.”

GENOOTSCHAPPEN

Behalve honderden gewone leeskringen bestaan er ook gespecialiseerde Kringen of Genootschappen. Vestdijk, Achterberg, Proust, Tolkien, zij hebben hun eigen fanclubs. Daar zijn de deskundigen, de fijnproevers, de fanaten. Daar gaat het niet alleen om het lezen van een geliefd auteur - het lidmaatschap wordt een levenshouding en de bewondering is deel van een permanente eredienst. Godfried Bomans en dr P.H.

Schroder, secretaris van 't Nut, waren beiden lid van het Dickens Fellowship en zij vermaakten zich door elkaar testvragen te stellen.

“Copperfield, bladzijde 183, derde alinea?” Feilloos citeerden zij de tekst. Het Dickens Fellowship is met 90 leden wat vergrijsd, in tegenstelling tot het Tolkien Genootschap Unquendor met 160 leden. Het woord Unquendor komt uit een van de elfentalen van Tolkien: Unque betekent holte of laagte, en ndor betekent land, dus we krijgen laagland, Nederland. Die onderscheiding is niet overbodig want het Tolkien-virus heeft zich over Amerika, Europa en zelfs Japan verspreid. Bijna dertig jaar na de dood van de schrijver is zijn verbeeldingswereld nog springlevend, ook al omdat zoon Christopher Tolkien het wondere werk voortzet. Hij draait elk papiertje dat zijn vader heeft nagelaten drie maal om en slaagt er zo in om nog elk jaar een boek te laten verschijnen.

Bestuurslid van het Nederlandse Genootschap is een opgewekte ambtenaar, in het dagelijks leven secretaris van het Georganiseerd Overleg, de 41-jarige Joop Tholenaar. Hij neemt Tolkien gematigd serieus, maar is net bezig met zijn vijftiende herlezing van In de ban van de Ring.

“Ach, het is net een goeie vriend, die gaat je ook niet vervelen en je ontdekt steeds nieuwe dingen. De een heeft Wagner, de ander Nabokov.”

Tholenaar vertelt dat er binnen het Genootschap twee stromingen zijn: de Tolkienisten en de Arda-logen. Zelf bekent hij zich tot het Tolkienisme: “Wij bekijken hem meer als literator, dus wat zijn de technieken, wat zijn de inspiratiebronnen voor hem als schrijver. De Ardologen verdiepen zich meer in de wereld die Tolkien heet geschapen.

Dus welke planten, welke beroepen; er zijn zelfs enthousiasten die de alchemistische formule van de ring proberen te achterhalen. De ardologen bestuderen ook de talen van Tolkien, die volgens linguisten heel logisch en interessant in elkaar zitten.

Belangrijk voor het genootschapsleven zijn de regionale herbergen, waar de leden maandelijks bijeen komen. Daar spreekt men over Tolkien, maar ook verwante onderwerpen, zoals fantasy, een nichtje van science fiction. Het verschil tussen die twee, zo legt Tholenaar uit, is dat science fiction een extrapolatie is van wetenschap, een gefundeerde speculatie over de toekomst. Fantasy daarentegen is op het verleden gericht en heeft meer mythische elementen zoals draken en onderaardse wezens.

Het Genootschap heeft ook centrale bijeenkomsten, zoals het Julfeest in december, want 'hobbits zijn gek op feesten'. Bij die gelegenheid dragen de leden ook hun Tolkiencostuums: donkere middeleeuwse habijten voor de mannen, en witte jurken met gouden kroontjes voor de vrouwen.

Dat gaat wat ver, geeft Tholenaar toe, maar ze hebben altijd veel pret en het dagelijks leven is vaak erg serieus.

In juni, wanneer de club tien jaar bestaat, komt er een groots weekeind in Leiden, met lezingen en een uitvoering van de Eerste Symphonie van Johan de Mey The Lord of the Ring. Uitvoering: Koninklijke Militaire Kapel.

VESTDIJK

Even toegewijd maar zonder verkleedpartijen opereert de Vestdijkkring, met 500 leden nog steeds het grootste literaire genootschap in ons land, hoewel er 700 aanhangers zijn geweest. Evenals het Tolkien-genootschap geeft de Vestdijkkring een tijdschrift uit dat gewijd is aan de hoofdpersoon. E. van Dompselaar uit Raalte is al met zijn vijftiende seizoen bezig, vertelt hij, en hij vermoedt dat Vestdijk hem nog tot het eind van zijn leven zal verrassen. Was Vestdijk beinvloed door Stendhal? Nauwelijks te bewijzen. Maar loopt er een lijn van Stendhal via Du Perron naar Vestdijk, zoals een van de leden suggereerde? Lumineus idee, goed voor een doctoraalscriptie. De relatie met muziek biedt nog eindeloos materiaal, evenals Vestdijks relatie met vrouwen. Maar in Raalte is men niet zo geinteresseerd in de biografische relletjes - dat is meer iets voor de kring Rotterdam, daar is Hans Visser, de omstreden biograaf, lid.

De dichter Gerrit Achterberg wordt sinds 1981 geeerd met tegen de 300 leden, een jaarlijks symposium, een tweemaandelijkse kroniek en een intensieve bestudering van zijn handschriften, die na een veiling ((f) 116.000) nu zacht in het Letterkundig Museum rusten. Het Genootschap is springlevend, vertelt A. Middeldorp, rustend rector van een lyceum.

Hoe Achterbergs zijn de Achterberg-idolaten?

“Gematigd”, zegt Middeldorp, “ik vind het een heel knap dichter, maar de bezetenheid die soms grenst aan vroomheid heb ik niet. Ach, we laten wel eens wat citaten los op elkaar, zoals 'Het woord heeft het eerste en het laatste woord', en 'Symbolen worden tot cymbalen in de uren des doods'. Maar ik griezel gauw van overenthousiaste groepjes.”

TOURNEE

De schrijfster op tournee. Voor acteurs betekent cultuurspreiding lange uren in de bus door eindeloos polderland, Chinees eten van het sejour, vreemde kleedkamers en nogmaals donkere uren in de bus naar huis. Geen mens gesproken, geen toeschouwer gehoord, alleen volgens opdracht wat Tsjechov of Brecht afgeleverd in Venlo.

Auteurs daarentegen krijgen aandoenlijke brieven met het zal ons een groot genoegen zijn als u voor onze leeskring, wij kunnen u een honorarium bieden - en ze gaan. Tot zij heel oud zijn en een kamerhoge verzameling Drentse keitjes, Brabantse mandjes, Rotterdamse scheepsbellen, of wat de regionale folklore al niet produceert, bezitten.

Maar het voordrachtencircuit is ook een directe kennismaking met de lezers: de mensen die uren hebben geworsteld met wat de auteur in al die maanden of jaren uit zijn fantasie heeft geperst. Schrijven en lezen zijn eenzame bezigheden, gesprekken via een zwaar gestoorde onderzeese telefoonkabel. Daarom zijn die ontmoetingen met schrijvers zo emotioneel, alsof de tante uit Nieuw Zeeland eindelijk zelf op bezoek komt.

De zaal in de prachtige openbare bibliotheek Emmen zit 's middags boordevol met 110 vrouwen. Veel grijs permanent, goed in de kleren en vol verwachting, want Nelleke Noordervliet zal gaan vertellen hoe zij schrijft en wat ze heeft bedoeld. Het is de jaarlijkse tractatie aan het eind van een leessseizoen. Noordervliet doet dat goed: vrolijk, niet te gewichtig maar toch serieus. Over de mysteries van de taal, haar eigen betrokkenheid bij de romanpersonen, dat ze graag Belle van Zuylen zou ontmoeten, of Multatuli om ruzie te maken.

Na de pauze komen de vragen. Waar haalt ze haar ideeen vandaan? (“Overal, vaak komen ze bij het strijken”). Heeft die postbode dat pakje achtergehouden, of wie anders? (“Ik weet het ook niet, die mensen in een roman gaan soms hun eigen gang en ze vertellen mij ook niet alles.”) Bent u zelf wel eens benieuwd naar de afloop? (“Ja.

Soms weet ik het ook niet meer, dan is het alsof je door een zuigend moeras loopt.'')

Diezelfde avond draait het kleine circus in Assen. De belangstelling is enorm: vier- tot vijfhonderd vrouwen, toegestroomd uit heel Drente, en allen lid van leesclubs. Er zijn slechts twee mannen. Een daarvan doet iets technisch, de andere is journalist. Ook hier draaien de vragen weer om het mysterie van het verhaal en de geheimen van het schrijven. De lezeressen houden niet van een open einde of van multi-interpretabele situaties. Noordervliet legt uit dat dat juist de charme van literatuur is: niet alles weten, veel suggereren, niet alles beschrijven. In de pauze vraag ik enkele vrouwen waarom er geen mannen zijn. Men reageert wat onzeker: de echtgenoten lezen alleen non-fictie, of ze klussen, of ze zitten op het koor. Een dame, gespreksleidster van een leesclub zegt fier dat vrouwen meer geduld hebben en meer dan mannen geinteresseerd zijn in menselijke relaties en gevoelens. En dan, het is altijd zo geweest, de leesclubs zijn tenslotte opgericht door de Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen.

En dat is waar. Drente is het 'heartland' van de literatuurclubs. De beweging begon daar twintig jaar geleden - in goede samenwerking met de Provinciale bibliotheekcentrale - met 200 vrouwen. Andere vrouwenorganisaties volgden het voorbeeld en nu zijn er in Drente 1500 leden, afgezien van de wilde clubs die zich aan God noch gebod storen, maar wel vrolijk met elkaar lezen. En het fenomeen heeft zich uitgebreid over de andere oostelijke provincies en de rest van Nederland: geen avond van de week of in honderden huiskamers zit men in de kring om 'het' boek te bespreken.

Het ging en gaat in de eerste plaats om literatuur, van Wolkers tot Solzjenitsyn, en van Rubinstein tot Simone de Beauvoir. In een recent onderzoek van Gerlien van Dalen is een lijst opgenomen van de ongeveer tachtig boeken en poeziebundels die in deze twintig jaar zijn gelezen en daar hoeft niemand zich voor te schamen. Streekromans en thrillers zijn, ondanks vele verzoeken van vrouwen die het gevecht wat moeizaam vonden, streng buiten de deur gehouden: dat lees je maar in je vrije tijd.

Een tweede doelstelling van de clubs is nog steeds: belangstelling voor maatschappelijke problemen. Die is er dan ook, vooral tijdens de discussies. Echtelijke relaties, derde wereld, oorlog, homoseksualiteit, aids - als middel tot emancipatie van huisvrouwen zijn de literatuurclubs niet te onderschatten. Het gaat om de literatuur, maar ook om de gezelligheid, de sociale contacten, en vaak ook om mee te kunnen praten met de kinderen die boeken op school lezen.

Literatuurclubs zijn ook een marktfactor van betekenis - want in Drente en andere provincies kopen de leden hun boeken. Voor zeventig gulden per jaar krijgen zijn er vier, plus de cursus. De uitgever van Noordervliet moest een derde druk opleggen van haar Mille morti toen er uit Drente en Overijsel een bestelling van 1300 exemplaren kwam.

Dit najaar - op 17 september - organiseren de stichting Schrijvers School Samenleving, het Bibliotheekcentrum NBLC en de Literaire Salon een ontmoetingsdag in de Beurs van Berlage voor leden en leiders van leesclubs in Nederland. Dat lijkt een te bescheiden opzet. Waarom geen nationale leesdag voor alle schrijvers, literatuurclubs, Tolkien- en Vestdijkgenootschappen en voor alle wilde lezers in Nederland. Waarom geen voetbalstadion afgehuurd?