Het radeloze rennen; vluchtelingenverhalen door Jeanne Champion

Jeanne Champion: Ballingschap. Vert. Michel Perguy. Uitg. De Geus, 368 blz. Prijs (f) 49,50.

De geschiedenis van de Pakistaan Roedad Arif, 26 jaar, eindigt in een rivier in Straatsburg. Al maanden wacht hij daar in een opvangcentrum op de vluchtelingenstatus. Om niet naar Pakistan te worden teruggezonden, waar de geheime politie hem wegens zijn lidmaatschap van een verboden partij achtervolgde, besluit hij een einde te maken aan zijn leven. Op het moment dat zijn lichaam uit het water wordt gevist, wordt bij het centrum de brief bezorgd die hem de vluchtelingenstatus geeft.

Het verhaal staat in de bundel Ballingschap, die onlangs in een uitstekende vertaling is verschenen bij uitgeverij De Geus. Maanden achtereen heeft schrijfster Jeanne Champion vluchtelingen opgezocht in Franse opvang-, doorgang- en verblijfcentra en het resultaat is een reeks aangrijpende, fraai geschreven getuigenissen van vervolgden uit de hele wereld.

Champion heeft zich sterk in haar gesprekspartners en hun zeer uiteenlopende verhalen ingeleefd. De negentien hoofdstukken worden elk voorafgegaan door een (vervalst) signalement van de hoofdpersoon en een korte literaire tekst of een gedicht die zijn of haar achtergrond toelicht. Van de verbrokkelde verhalen die haar met veel pijn en moeite zijn verteld, heeft Champion goed leesbare geschiedenissen gemaakt. De gruwelijke gebeurtenissen en de daarbij behorende emoties zijn echter niet veranderd. Omwille van de objectiviteit zijn aan een aantal interviews kranteberichten of informatie van Amnesty International toegevoegd die het verhaal staven met cijfers en feiten.

RODE KHMERS

Een verhaal dat er in de bundel uitspringt is dat van Foera uit Cambodja. Zij maakte het schrikbewind van de Rode Khmers mee. Vier jaar lang is zij met haar familie op de vlucht. Ze is de enige die veilig in het westen aankomt. “Ze zegt dat ze zich niets herinnert, noch het kommetje rijst waarop ze eenmaal per week recht hadden - noch de modder van de rijstvelden waar ze moesten werken tot ze uitgeput neervielen - noch de bloedzuigers die als weerzinwekkende zuignappen op hun huid kleefden. - Uiteindelijk heeft ze het over het radeloze rennen van haar grootmoeder die door de jagers werd gestenigd -”

Dat er herhalingen in de verhalen optreden is onvermijdelijk. Angst, marteling en dood zijn steeds terugkerende elementen. In haar voorwoord lijkt Champion zich daarvoor te excuseren: “Het is me niet altijd gelukt tragiek en overdaad te vermijden; de ballingschap - kent geen gulden middenweg -.” Maar zij voorkomt eentonigheid doordat ze de meeste interviews heeft bewerkt, tot een klassieke tragedie (het verhaal van Roedad Arif), een dagboek (Foera) of tot een gebed: “Met zijn strakgespannen glimmende huid verkondigde Jezus-Doc elke dag opnieuw zijn komst en zijn doelstellingen. - Hij was in Haiti de Blijde Boodschap komen verkondigen: hij was de weg naar de Verrijzenis! ...God van de negers, God van de kastanjebruinen, God van de bijna blanken, bescherm ons tegen de menseneters van Haiti!

Het is de vormgeving die de bundel zo bijzonder maakt. Champion blijkt een knap stiliste, die er dankzij haar poetische maar onverbloemde taal in slaagt haar documentaire boek ook literaire waarde te geven.