Het nest

Boven het lawaai van het verkeer hoor je in onze buurt overdag een merel zingen. Het twinkelende geluid overstemt de snerpende trams en grommende bussen. 's Nachts roept hij ook om een vrouwtje, want midden in een stad is het verschil tussen dag en nacht alleen een paar auto's minder.

Zijn nest zit in een populier. Een van onze populieren. Dat wil zeggen, gedrieen staan zij in de oksels van een gebouw aan de overkant van de straat. Het is het meest dichtbij zijnde groen in onze omgeving. Met die bomen beleven wij de jaargetijden. In de lente verheugen wij ons op het nieuwe blad. In de herfst hopen wij dat het er zo lang mogelijk aan blijft zitten.

Op een ochtend verschijnen er een paar mannen met klimijzers en zagen. Een voor een vallen de zware takken. Woedend storm ik naar buiten.

“Wat doet u. Bent u helemaal bedonderd. Hebt u wel een vergunning?”, schreeuw ik met overslaande stem in een poging om boven het geronk van de aandrijfmotor uit te komen. Ja, er is een vergunning en de bomen zijn ziek. Het gaat hen ook aan het hart.

Een fietser stopt en neemt wat schuw een tak mee voor thuis. Haast ziek van drift ga ik weer naar binnen en probeer niet te kijken en te luisteren naar de onttakeling. De merel ben ik totaal vergeten. Tegen het vallen van de avond zit hij op de rand van de schoorsteen. Het nest - hij is zijn nest kwijt schiet het door me heen.

Een dag later vind ik twijgjes op het balkon. Die ruim ik op. De volgende dag liggen zij er weer in alle soorten en maten. Dan zie ik naar boven kijkend het kopje van de merel. Hij heeft een nieuw nest gebouwd tussen de kapotte planken van de dakgoot.

Achter het venster zit mijn kat te wachten.