Het grote bed

Op zolder stond een heel groot bed,

Daar sliep een kind in, opgelet:

Er kwam een zeehond uit de zee

En gleed in bed als nummer twee.

Het nijlpaard kroop er bij, en zie:

Het bed was groot genoeg voor drie.

Toen kwam er nog een ander dier,

Ik denk een hond, dat was dus vier.

Er kwam een koe bij met haar lijf,

Pas op! nu zijn het er al vijf.

Daarna het paard, bruin, met een bles,

Kroop in dat bed als nummer zes!

De geit zei: mag ik ook nog even?

Dat zijn er welgeteld al zeven.

Het schaapje met haar dikke vacht

Kwam er nog bij, dat maakte acht.

Een varkentje, wat zou het wegen?

In elk geval, toen was het negen.

Daar kwam een mier, haast niet te zien,

Maar toch, die mier was nummer tien.

Ze lagen net op hun gemak

Maar 't bed begaf het en zei: krak!

Toen riepen ze, in toorn ontstoken:

Die mier! Die heeft ons bed gebroken!

Slechts de bedding der Amoer.