Het geluid van een vis

Toen ik bij de slager was, hoorde ik een leeuw brullen. De slager is een dikke man en hij heeft een dikke vrouw en een dik zoontje.

In het dorp hebben ze de bijnaam 'de drie biggetjes' gekregen. De slagersfamilie woont achter de slagerij en het geluid van de brullende leeuw leek uit de huiskamer te komen. “Dat is nu al de tweede keer dat ik hier het gebrul van een leeuw hoor”, zei ik tegen de slager.

“Dat is geen leeuw, dat is mijn zoon”, antwoordde de slager. “Frederikje kan heel goed dieren nadoen. Hij kan miauwen, blaffen, balken, kwaken, hinniken, loeien, trompetteren, koeren, knorren, kraaien en zingen als een kanarie. Maar als je hem wat vraagt, krijg je meestal geen antwoord. Ik denk dat hij een hekel aan praten heeft.”

Ik kocht een ossehaasje bij de slager en verliet de winkel. Aan het eind van de straat kwam juist een kogelrond ventje met een schooltas aangelopen die op een wandelende gehaktbal leek. Het was Frederik.

“Nu breekt mijn klomp”, zei ik tegen Frederik. “Ik dacht dat je thuis aan het brullen was en nu zie ik je op straat lopen”. Biggetje junior keek me aan maar zei niets. Wel bewoog hij zijn lippen op een vreemde manier. Het was net of hij af en toe voorzichtig een hapje uit de lucht beet.

“Ik hoor net van je vader dat je miauwt, blaft, balkt, kwaakt, hinnikt, loeit, trompettert, knort, kraait en dat je zingt als een kanarie en dat je een leeuw kan nadoen”, ging ik door. “Koeren, doe ik ook”, zei Frederik, die weer in de lucht begon te happen.

Vervolgens verdween hij zonder te groeten in de slagerij van zijn vader.

Toen ik Frederik de volgende dag naar school zag lopen, ging ik opnieuw bij de slager langs. “Ik heb een voortreffelijk ossehaasje in de aanbieding”, zei de slager. “U heeft de ossehaas al een half jaar in de aanbieding. Ik wil nu eens wat anders eten”, zei ik tegen de slager. Het rode hoofd van de slager leek nog roder te worden. “Het is ook nooit goed”, mopperde hij. “Denk ik mijn klanten een plezier te doen met goedkope ossehaasjes en nu willen ze ineens geen ossehaas meer eten. En mijn koelcel puilt uit van de ossehaas.”

Op het zelfde ogenblik klonk er leeuwengebrul in de slagerswinkel. “Is dat Frederik weer”, vroeg ik aan de slager. “Mijn zoon moet iedere dag oefenen dan kan hij later als dierimitator voor de televisie optreden”, legde de slager uit. “Maar Frederikje heeft het er graag voor over. We zijn een muzikale familie. Mijn vader kon roffelen als een groene specht op een boomstam en als je mijn broers hoort trompetteren, zou je zweren dat er een kudde olifanten langs komt.”

“Een ding begrijp ik niet”, zei ik tegen de slager, “Frederik is niet thuis, hij is op school. Wie is er dan nu aan het brullen?” De slager keek me geschrokken aan. “Ik zal het maar eerlijk zeggen, ik heb een leeuw in huis genomen”, antwoordde hij. “Maar praat er met niemand over want het is verboden om een leeuw als huisdier te houden.”

Omdat er verder toch geen klanten waren, nam de slager mij mee naar de ommuurde binnenplaats achter de winkel. Onder een afdakje zat op een berg stro een dikke, oude leeuw die een beetje scheel keek en als een poes begon te spinnen zodra hij de slager zag. “Bello is braaf”, zei de slager terwijl hij de leeuw over zijn kop streek. “Het is een afgekeurde circusleeuw. Hij is van een klant geweest, een dompteur, die altijd vleesresten voor zijn dieren kwam halen. Toen we de leeuw kregen, was het arme dier zo mager als een lat. Ik heb toen een hele partij ossehaas ingeslagen maar nu lust hij ineens geen ossehaas meer.

Hij blieft alleen nog rosbief. Ach, als een leeuw een onbezorgde oude dag wil hebben, kan hij maar het beste bij een slager wonen. En we hebben meteen levend studiemateriaal voor mijn zoon in huis.

Frederikjes brul-oefeningen zijn erg verbeterd sinds de komst van Bello.''

Een paar dagen later kwam ik Frederik in het dorp tegen. “Je kan vrij-uit praten, hoor”, zei ik tegen de slagerszoon. “Je vader heeft me zijn geheim verteld maar ik zal het aan niemand verklappen”.

Frederik gaf zoals gewoonlijk geen antwoord maar hapte wat in de lucht. “Waarom zeg je toch niets”, vroeg ik na een tijdje. “Omdat ik aan de imitatie van geschubde dieren ben begonnen. Ik oefen als snoek, oen die je bent”, antwoordde Frederik terwijl hij een diepe zucht slaakte.